Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:2294

2026-07-08 Bestuursrecht; Belastingrecht BK-25/841
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-08
Publicatiedatum
2026-07-13
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
BK-25/841
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1633

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag bpm. Art. 10b Wet bpm niet van toepassing. Belanghebbendes beroep op het beleid met toepassing van artikel 110 VWEU slaagt niet. Formele en materiële gebreken taxatierapport. Koerslijst van een voertuig van een ander merk kan niet dienen. Toekenning vergoeding van immateriële schade.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.414 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG


Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/841



Uitspraak van 8 juli 2026


in het geding tussen:



[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)


en


de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur
(vertegenwoordiger: […] )


op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 oktober 2025, nr. SGR 23/8049.





Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 35.746 (de naheffingsaanslag). Bij beschikking is € 48 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 19 maart 2026 verweer gevoerd.



1.5.
Het hof heeft partijen bij bericht van 26 februari 2026 aangekondigd dat het voornemens is uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling. Partijen hebben binnen de aangegeven termijn niet gereageerd.



1.6.

Het Hof heeft partijen bij bericht van 15 mei 2026 meegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat het Hof uiterlijk 1 augustus 2026 uitspraak zal doen.

Feiten





2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 3.798 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Lincoln Navigator (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 12 juni 2020.



2.2.
De RDW heeft de auto op 27 december 2021 gekeurd. Het betreft een administratieve keuring.



2.3.
Belanghebbende heeft op 27 december 2021 aangifte gedaan op basis van een expertiseverslag van [naam] . De historische consumentenprijs inclusief fabrieksopties is vastgesteld op € 186.020. De taxateur heeft € 106.643,91 (inclusief btw) aan schade gecalculeerd en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 10.000. Bij het rapport zijn ook verkoopadvertenties van vier buitenlandse referentievoertuigen gevoegd en informatie van het internet (Carfax), waaruit blijkt dat de auto waterschade heeft opgelopen.



2.4.
Belanghebbende heeft de auto desgevraagd niet aan DRZ getoond. In het rapport van 10 januari 2022 is de historische nieuwprijs bepaald op € 186.020 en de handelsinkoopwaarde op € 104.139 aan de hand van de koerslijst AutotelexPro voor een Cadillac Escalade. DRZ heeft geen schade in aanmerking genomen. In het rapport staat hierover het volgende vermeld:


“Een Lincoln Navigator is niet leverbaar geweest in Nederland. De aangever maakt gebruik van een Cadillac Escalade voor zijn type selectie, DRZ vind dit een goed vergelijkbaar voertuig en neemt dit over.



Aangezien er in Nederland geen vergelijkbaar voertuig te koop staat heeft DRZ de koerslijst ATP gebruikt o.b.v. een Cadillac Escalade.



In de schadecalculatie van de aangever worden verschillende onderdelen opgevoerd wat valt onder een ‘essentieel gebrek’.”




2.5.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd aan de hand van het rapport van DRZ.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“Is sprake van essentiële gebreken en kan het taxatierapport dienen?

7. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiseres de afschrijving niet aan de hand van de taxatiemethode mag bepalen, omdat de auto ten tijde van de aangifte essentiële gebreken had. Eiseres betwist dit en heeft aangevoerd dat de schade reeds aanwezig was ten tijde van de goedkeuring door RDW en dat geen sprake was van essentiële gebreken. Als sprake was van essentiële gebreken dan zou de auto niet zijn goedgekeurd door RDW, aldus eiseres.

8. Uit de foto’s en de schadecalculatie in het taxatierapport maakt de rechtbank op dat de auto ten tijde van de taxatie wel degelijk een aantal essentiële gebreken vertoonde. Zo dienen volgens het taxatierapport onder meer de airbagunits, de veiligheidsgordels en de koplampen te worden vervangen en is op de foto’s te zien dat de bestuurdersstoelen ontbreken alsook (op zijn minst) de passagiersairbag. Hieruit volgt dat de auto op het moment van taxatie zodanige schade had dat daarmee niet gebruik mocht worden gemaakt van de openbare weg. De enkele omstandigheid dat de RDW geen WOK-status aan de auto heeft toegekend, maakt dit niet anders. Eiseres heeft gebruik gemaakt van het VIA-systeem, Van dat systeem kan alleen gebruik worden gemaakt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Eén van die voorwaarden is dat het desbetreffende voertuig geen (hersteld) schadevoertuig betreft als bedoeld in artikel 1 van de Regeling voertuigen.[1] Nu de auto is goedgekeurd door de RDW, betekent dit dat eiseres ten onrechte een schadevoertuig middels het VIA-systeem heeft ingeschreven dan wel dat vóór de keuring door de RDW deelherstel van de auto heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat het taxatierapport niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Reeds om die reden kan het taxatierapport van eiseres niet dienen. Daar komt nog bij dat de rechtbank het niet aannemelijk dat de taxateur in slechts 30 minuten de wielophanging, de velgen en banden, de stuurinrichting, de remmen, de motor, de versnellingsbak en aandrijving, de elektrische installatie, de carrosserie, het interieur, en de algehele staat van de auto goed kan controleren, hij in die tijd ook 71 foto’s heeft gemaakt én een bedrag van € 106.643.91 aan reparatiekosten heeft berekend. Bovendien wordt uit het taxatierapport niet duidelijk met welke schade en met welke waardevermindering de taxateur rekening heeft gehouden. Verder acht de rechtbank nog van belang dat eiseres geen inkoopfactuur van de auto heeft ingebracht.

9. Eiseres heeft verder gesteld dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is geschonden.

10. Het ligt op de weg van eiseres om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat de auto een product van een andere lidstaat is als bedoeld in artikel 110 van de VWEU. Eiseres is daarin niet geslaagd. Niet in geschil is dat de auto is geproduceerd voor de Amerikaanse markt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de auto gebruik is gemaakt van de weg in Duitsland dan wel in een andere lidstaat. Eiseres heeft ook geen inkoopfactuur of andere stukken overgelegd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de auto afkomstig is uit Duitsland of met de auto gebruik is gemaakt van de weg in Duitsland. Het beroep van eiseres op artikel 110 van de VWEU slaagt dan ook niet.

11. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres op dit punt heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

12. Het beroep van eiseres op het, inmiddels ingetrokken, besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021[2] faalt eveneens. In voormeld besluit heeft de Staatssecretaris bepaald dat voor aangiften met taxatierapport voor motorrijtuigen met essentiële gebreken, die zijn ingediend tussen de datum van het arrest (26 maart 2021) en de dag voorafgaand aan de plaatsing van het besluit in de Staatscourant, verweerder ter zake van de gehanteerde afschrijvingsmethodiek niet zal terugkomen op de door belastingplichtige gemaakte keuze hierin. Het besluit van 27 september 2021 is op 15 oktober 2021 gepubliceerd in de Staatscourant.

13. De aangifte van eiseres, gedagtekend 27 december 2021, is op 30 december 2021 door verweerder ontvangen. Het voorgaande brengt mee dat eiseres in dit geval geen beroep meer kan doen op voormeld besluit. De stelling van eiseres dat zij, gelet op de datum van eerste toelating van de auto van 12 juni 2020, wel een beroep kan doen op voormeld besluit, faalt dan ook.
14. Ook het in dat verband gedane beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot voormeld besluit en het standpunt van de kennisgroep Auto van 9 maart 2022,[3] slaagt niet, nu daarin ten onrechte van de bruikbaarheid van het taxatierapport wordt uitgegaan.



Schade


15. Nu het taxatierapport van eiseres niet kan dienen, sluit de rechtbank aan bij het rapport van DRZ. DRZ heeft geen schade aan de auto kunnen vaststellen, omdat de auto niet is getoond. Het is dan aan eiseres, die stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met schade aan de auto, om dat aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Het taxatierapport is daartoe onvoldoende, nu deze niet de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Nu eiseres geen ander bewijs heeft overgelegd, acht de rechtbank de door eiseres gestelde schade niet aannemelijk gemaakt.



Waardevermindering wegens het schadeverleden


16. Een voertuig met een schadeverleden kan, ook na herstel, minder waard zijn dan een voertuig zonder schadeverleden. De bewijslast dat het schadeverleden een waardevermindering van de auto rechtvaardigt, rust op eiseres. Hoewel uit de foto’s bij het taxatierapport schade aan de auto zichtbaar is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat die voormalige schade van dien aard is dat hieraan - ook na herstel daarvan - een blijvende waardevermindering moet worden verbonden, laat staan dat dit een bedrag van € 10.000 zou belopen.



Historische nieuwprijs


17. Eiseres stelt dat in dit geval van de door DRZ gebruikte koerslijst van AutotelexPro dient te worden uitgegaan en dat daarbij de historische nieuwprijs van de auto dient te worden bepaald op € 186.841 (in plaats van € 186.020).

18. In het arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, heeft de Hoge Raad met betrekking tot de historische nieuwprijs het volgende overwogen:

“4.4.2 Bij de behandeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

Daar waar de klachten spreken van “de historische nieuwprijs” van de te registreren personenauto wordt – naar de Hoge Raad begrijpt – bedoeld de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de bpm op het tijdstip waarop de personenauto’s voor het eerst in gebruik zijn genomen”.


De klachten nemen terecht tot uitgangspunt dat met het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde motorrijtuig wordt gedoeld op het te registreren motorrijtuig.8


De vaststelling van de in artikel 10, lid 2, van de Wet vermelde “catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet” waarop voor een gebruikte personenauto een afschrijving mag plaatsvinden, wordt onderscheiden van de wijze waarop de belastingplichtige het afschrijvingspercentage voor het te registreren motorrijtuig berekent.


De catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet van de te registreren personenauto moet in het aangiftebiljet worden vermeld en moet zijn vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 9, van de Wet. Pas nadat die catalogusprijs aldus is vastgesteld, wordt toegekomen aan de berekening van het afschrijvingspercentage. Die berekening vindt plaats volgens een van de drie methoden die in de Wet zijn voorzien.


4.4.3 Onder catalogusprijs wordt volgens artikel 9, lid 4, van de Wet verstaan de door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de bpm niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald.

Wanneer een personenauto een bijzondere uitvoering heeft of is voorzien van extra toebehoren, wordt volgens artikel 9, lid 9, van de Wet de waarde daarvan in de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur.


Op de belastingplichtige die bij het op aangifte voldoen van bpm de vermindering (afschrijving) aan bpm heeft berekend, rust de last om de juistheid van de catalogusprijs van de te registreren personenauto te onderbouwen, zo nodig door vergelijking.”


19 Niet in geschil is dat de auto door de fabrikant niet in Nederland op de markt is gebracht, zodat er geen catalogusprijs van de auto bekend is, en op geen enkele koerslijst voorkomt. Bij de aangifte Bpm van een dergelijke auto mag gebruik worden gemaakt van een taxatierapport. Het door eiseres bij de aangifte gevoegde taxatierapport kan echter op hetgeen hiervoor onder 8 is overwogen niet worden gebruikt voor de vaststelling van het afschrijvingspercentage van de auto. DRZ heeft de auto, als gevolg van de handelwijze van eiseres, niet kunnen beoordelen. Omdat er ook geen tweede handsaanbod in Nederland was ten tijde van het onderzoek door DRZ, heeft DRZ een afschrijvingspercentage vastgesteld op basis van een (ook in het taxatierapport van eiseres genoemde) ATP koerslijst van een Cadillac Escalade. DRZ heeft hierbij de handelsinkoopwaarde van de Cadillac afgezet tegen de historische nieuwprijs van de Cadillac. Verweerder is bij de vaststelling van de naheffingsaanslag uitgegaan van het afschrijvingspercentage van de Cadillac. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie in dezen geen enkele bewijslast rust, hiermee niet het standpunt heeft ingenomen dat de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van de Cadillac volgens de ATP koerslijst ook de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van de auto zijn waarvan bij een aangifte met een taxatierapport zou moeten worden uitgedaan. Verweerder heeft door overname van het afschrijvingspercentage van de Cadillac in de ATP koerslijst in het voordeel van eiseres gehandeld, verweerder had het afschrijvingspercentage ook kunnen, en naar het oordeel van de rechtbank moeten, vaststellen op basis van de afschrijvingstabel. Eiseres heeft noch de juistheid van de catalogusprijs, noch de juistheid van de handelsinkoopwaarde van de auto onderbouwd, niet in het taxatierapport en ook niet in een later stadium.



Belastingrente


20. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de rentebeschikking. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.



Conclusie


21. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.



Immateriële schade


22. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 27 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 13 oktober 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 27 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 21 oktober 2025 gedaan. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna dertien maanden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade.

23. De rechtbank wijst echter het verzoek van eiseres af. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiseres de auto middels het VIA-systeem heeft ingeschreven. Dit systeem, waarbij de auto niet door de RDW wordt gekeurd is, aldus volgt uit de beleidsregel Beleid Tijdelijke importprocedure van de directie van de Dienst Wegverkeer, voorbehouden aan houders van de Erkenning Bedrijfsvoorraad van de RDW en mag alleen worden gebruikt voor personenauto’s, indien deze (naast andere eisen) een complete of voltooide Europese typegoedkeuring hebben en daarmee overeenkomen, het voertuig geen schade of herstelde schade heeft en eerder is geregistreerd in een EU/EVA land, anders dan Nederland. Eiseres heeft aangifte gedaan van de inschrijving met een taxatierapport, waarbij in totaal maar liefst een bedrag van € 98.870 aan schade in aanmerking is genomen en heeft vervolgens, ondanks het verzoek daartoe van verweerder, de auto niet bij DRZ getoond. De rechtbank concludeert dan dat eiseres hetzij bij het belastbaar feit (de inschrijving) hetzij bij de aangifte in strijd met de waarheid heeft verklaard. Nu eiseres daarnaast op basis van een taxatierapport heeft geprocedeerd dat, naar hiervoor onder 8. is overwogen, duidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat (de gemachtigde van) eiseres haar standpunten tegen beter weten heeft ingenomen. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiseres een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.[4]



Proceskosten


24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


[1] Beleid tijdelijke importprocedure, Stcrt, 2020, nr. 65815.
[2] Kaderbesluit BPM, Stcrt. 2021, nr. 43482.
[3] KG:013:2022:5.
[4] Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.”





Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- of sprake is van essentiële gebreken;
- of het taxatierapport terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens ex-schade;
- of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag; en subsidiair tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 104.139 (DRZ), de nieuwprijs op € 186.841, de verschuldigde bpm op € 39.386 en de naheffingsaanslag op € 35.588. Belanghebbende verzoekt voorts om een vergoeding van immateriële schade en een proceskostenvergoeding.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.






Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet Bpm) en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het Kaderbesluit BPM 2021, Staatscourant 2021, nummer 43482 en het hierover gepubliceerde Kennisgroepstandpunt van de Inspecteur (Toepassing artikel 6.5 Kaderbesluit BPM 2021, KG:013:2022:5)). Belanghebbende beroept zich op artikel 10b Wet Bpm en concludeert tot toepassing van de historische wetgeving, de historische bruto bpm, de historische heffingsmaatstaf en het eerder gevoerde beleid.



5.2.
Artikel 10b, lid 1, Wet Bpm bepaalt dat indien het bedrag van de belasting op enig tijdstip sinds eerste ingebruikneming van een gebruikt motorrijtuig, ingevolge de wettelijke bepalingen met betrekking tot de maatstaf van heffing, de wijze waarop die maatstaf wordt gemeten en het tarief zoals die op dat tijdstip golden, lager is dan het bedrag van de belasting ingevolge artikel 9, dat lagere bedrag aan belasting kan worden toegepast.



5.3.
Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet Bpm toepassing, omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet Bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.



5.4.
Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten en in die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu hij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat soortgelijke voertuigen bestaan. Het Hof voegt hieraan toe dat het ambtshalve bekend is met de vele procedures waarin de Inspecteur zich met succes heeft verzet tegen het in aanmerking nemen van schade door essentiële gebreken. Belanghebbende hoeft niet beter te worden behandeld dan de belastingplichtige in deze procedures. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd. Ten overvloede voegt het Hof toe dat indien het beroep op het beleid wel was geslaagd, dit belanghebbende niet had kunnen baten, gelet op de formele en materiële gebreken aan het taxatierapport. Niet is vast te stellen of het taxatierapport de staat van de auto weergeeft ten tijde van het belastbare feit. Het Hof onderschrijft hetgeen de Rechtbank onder overwegingen 8 tot en met 14 van haar uitspraak heeft overwogen en maakt de daar getrokken conclusies tot de zijne.



5.5.
Voor aftrek wegens schade dan wel het schadeverleden van de auto ziet het Hof, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld onder overwegingen 15 en 16 van haar uitspraak, geen aanleiding. Het Hof voegt toe het opmerkelijk te vinden dat, als het rapport juist is, bijna de gehele auto moest worden vernieuwd. Het Hof vraagt zich af waarom belanghebbende de moeite heeft genomen deze auto uit de Verenigde Staten te importeren.



5.6.
Subsidiair is tussen partijen in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op de koerslijst AutotelexPro. In het bijzonder spitst de vraag zich toe op de verhouding tussen de handelsinkoopwaarde in deze koerslijst en de historische nieuwprijs van de auto, in het bijzonder de netto catalogusprijs van de auto.


5.7.
Het Hof volgt het standpunt van belanghebbende niet. Niet in geschil is dat de auto niet in Nederland leverbaar is (geweest) en niet in een koerslijst voorkomt. DRZ heeft de netto catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat overgenomen van de koerslijst van een Cadillac Escalade, een voertuig van een ander merk. De koerslijst kan daarom niet zonder meer dienen. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt welke handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en welke netto catalogusprijs aan de auto moeten worden toegekend. Belanghebbende had met het overleggen van de inkoopfactuur wellicht enige indicatie kunnen geven van de handelsinkoopwaarde (ex btw en ex bpm), maar heeft nagelaten de inkoopfactuur te verstrekken. Het Hof voegt hier aan toe dat DRZ niet de hogere handelsinkoopwaarde van de koerslijst heeft overgenomen (€ 108.771 inclusief een positieve correctie van in totaal € 4.632), maar de basiswaarde (€ 104.139). Indien de koerslijst wel gevolgd had moeten worden, was de naheffingsaanslag dus eerder te laag dan te hoog geweest.



5.8.
Aangezien belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat de verschuldigde bpm minder is dan de Inspecteur heeft berekend, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.



5.9.
Belanghebbende heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente in rekening is gebracht in strijd met de wettelijke regeling.



5.10.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet tegen beter weten in heeft geprocedeerd. Hetgeen de Rechtbank heeft opgemerkt over de keuring en het taxatierapport laat onverlet dat sprake was van schade en dat belanghebbende, gelet op de in geschil zijnde standpunten, niet geheel zonder een redelijke kans op succes heeft geprocedeerd. Het Hof zal belanghebbende daarom een schadevergoeding toekennen.



5.11.
De Inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 13 oktober 2022. De Rechtbank heeft op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim een jaar is overschreden. De uitspraak op bezwaar is op 27 oktober 2023 gedaan. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500, waarvan de Inspecteur € 1.000 dient te betalen en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) € 500.



Slotsom





5.12.
Het hoger beroep is gegrond.





Proceskosten


6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het Hof stelt deze vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (2 punten voor de verzoeken om vergoeding van immateriële schade x € 934 x wegingsfactor 0,25). De Staat en de Inspecteur dienen ieder de helft te vergoeden.



6.2.
Belanghebbende heeft geen recht op vergoeding van griffierecht (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).





Beslissing


Het Gerechtshof:



bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing om toekenning van een vergoeding van immateriële schade te weigeren;


veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;


veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;


veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot € 233,50;


veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot € 233,50.





Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.




De griffier, de voorzitter,









T.S.K.L. Tjon A. van Dongen



De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.





Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.





Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).





Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:


1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:


a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.





Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.