Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:1986
2026-05-29
Strafrecht
22-000332-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 231 Sr (voorhanden hebben vals of vervalst paspoort). Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in vervolging verdachte. Een vluchteling mag niet worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist (art. 31 Vluchtelingenverdrag).
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2009:BI1325 Hoge Raad 13-10-2009
- ECLI:NL:HR:2014:1304 Hoge Raad 03-06-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.031 tekens)
Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-000332-24
Parketnummer: 10-811017-16
Datum uitspraak: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1991,
BRP-adres: [BRP-adres], [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte gelet op de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad en de binnen het openbaar ministerie geldende richtlijnen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag verbiedt lidstaten de toepassing van strafsancties wegens onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf op de vluchteling die rechtstreeks van een grondgebied komt waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, en die zich onverwijld meldt bij de autoriteiten en hen ervan overtuigt dat hij geldige redenen heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.
Dit verbod is ook van toepassing wanneer een vluchteling wordt vervolgd vanwege het bezit van valse identiteitspapieren, indien dat bezit samenhangt met de illegale binnenkomst of het illegale verblijf (vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1325). Een vluchteling mag niet worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:BY4310 en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304).
De verdachte is op 10 januari 2016 aangehouden in Hoek van Holland met een Grieks paspoort dat als gestolen gesignaleerd stond. De verdachte heeft daarover bij de rechter-commissaris op 13 januari 2016 verklaard dat hij dit paspoort van een reisagent had gekregen. Hij heeft verder verklaard dat hij in [geboorteland] werd vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom, dat hij [geboorteland] daarom moest verlaten en dat hij asiel wilde aanvragen in Nederland bij de eerste gelegenheid. De verdachte heeft een asielaanvraag ingediend die in 2021 is ingewilligd en ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte intussen het Nederlanderschap heeft verkregen.
Het hof is gelet hierop van oordeel dat aan de verdachte met betrekking tot het tenlastegelegde de bescherming toekomt als bedoeld in artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Ten tijde van de vervolging was nog niet definitief afwijzend beslist op de asielaanvraag, vervolging vanwege het gebruik van een vervalst reisdocument had reeds daarom achterwege moeten blijven.
Dit betekent dat het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam niet in stand kan blijven en dat het openbaar ministerie – zoals gevorderd door de advocaat-generaal – niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 mei 2026.
Rolnummer: 22-000332-24
Parketnummer: 10-811017-16
Datum uitspraak: 29 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 oktober 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1991,
BRP-adres: [BRP-adres], [woonplaats].
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte gelet op de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad en de binnen het openbaar ministerie geldende richtlijnen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag verbiedt lidstaten de toepassing van strafsancties wegens onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf op de vluchteling die rechtstreeks van een grondgebied komt waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, en die zich onverwijld meldt bij de autoriteiten en hen ervan overtuigt dat hij geldige redenen heeft voor zijn onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.
Dit verbod is ook van toepassing wanneer een vluchteling wordt vervolgd vanwege het bezit van valse identiteitspapieren, indien dat bezit samenhangt met de illegale binnenkomst of het illegale verblijf (vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1325). Een vluchteling mag niet worden vervolgd wegens het onmiskenbaar in het kader van zijn vlucht in bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten zolang, kort gezegd, op de door de vreemdeling gedane eerste asielaanvraag nog niet onherroepelijk afwijzend is beslist (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:BY4310 en HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1304).
De verdachte is op 10 januari 2016 aangehouden in Hoek van Holland met een Grieks paspoort dat als gestolen gesignaleerd stond. De verdachte heeft daarover bij de rechter-commissaris op 13 januari 2016 verklaard dat hij dit paspoort van een reisagent had gekregen. Hij heeft verder verklaard dat hij in [geboorteland] werd vervolgd vanwege zijn bekering tot het christendom, dat hij [geboorteland] daarom moest verlaten en dat hij asiel wilde aanvragen in Nederland bij de eerste gelegenheid. De verdachte heeft een asielaanvraag ingediend die in 2021 is ingewilligd en ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte intussen het Nederlanderschap heeft verkregen.
Het hof is gelet hierop van oordeel dat aan de verdachte met betrekking tot het tenlastegelegde de bescherming toekomt als bedoeld in artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Ten tijde van de vervolging was nog niet definitief afwijzend beslist op de asielaanvraag, vervolging vanwege het gebruik van een vervalst reisdocument had reeds daarom achterwege moeten blijven.
Dit betekent dat het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam niet in stand kan blijven en dat het openbaar ministerie – zoals gevorderd door de advocaat-generaal – niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. A.F.H. ten Brummelhuis, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 mei 2026.