Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2025:3062

2025-10-07 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.281.045/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2025-10-07
Publicatiedatum
2026-07-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.281.045/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geldt de verstrekking van een (kostbaar) geneesmiddel in het buitenland aan een Nederlandse verzekerde als verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet, ook al gold hiervoor destijds in Nederland nog geen handelsvergunning? Tussenarrest na tussentijdse cassatie. (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2022:2877, ECLI:NL:GHDHA:2022:2878, ECLI:NL:HR:2024:1416)

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.631 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.281.045/02Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/562492 / HA ZA 18-1125




arrest van 7 oktober 2025




inzake




Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,
gevestigd te Leiden,
appellante,
hierna te noemen: Avéro Achmea,
advocaat: mr. T.R.M. van Helmond uit Amsterdam,



tegen





[geïntimeerde] (overleden),
gekozen woonplaats [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. H.F.K. Schultz uit Amsterdam.






1Het geding


1.1.
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2878) verwijst het hof naar dat arrest. Het hof heeft met dat arrest tussentijds cassatieberoep opengesteld van zijn arrest van 21 juni 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2877) en het arrest zelf. Bij arrest van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1416) heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van Avéro Achmea tegen het arrest van 21 juni 2022 verworpen.



1.2.
De zaak is vervolgens opnieuw aangebracht bij dit hof. [geïntimeerde] heeft een akte genomen, met producties, strekkende tot eisvermeerdering en wijziging opdracht deskundige. Avéro Achmea heeft een antwoordakte genomen, ook met producties. Vervolgens hebben partijen de (aanvullende) stukken overgelegd en heeft het hof nader bepaald dat heden arrest wordt gewezen.





2Verdere beoordeling



inleiding




2.1.
Met het arrest van 21 juni 2022 heeft het hof het voornemen uitgesproken om één of meer deskundigen te benoemen met het oog op beantwoording van een aantal in het arrest geformuleerde vragen. Partijen hebben zich uitgelaten over de voorgenomen vraagstelling, en het aantal, de expertise en de perso(o)(ne)n van de te benoemen deskundige(n).



eisvermeerdering





2.2.
Met zijn laatste akte (hiervoor, 1.2) heeft [geïntimeerde] zijn eis vermeerderd met een aanvullende vordering die strekt tot veroordeling van Avéro Achmea tot betaling van € 343.187,-. Als grondslag voor deze vordering voert [geïntimeerde] aan dat [geïntimeerde] na de medische behandeling waarvan de verzekeringsdekking in deze procedure reeds ter discussie staat, aanvullende behandelingen heeft ondergaan, waarvoor Avéro Achmea (ook) dekking moet verlenen. De opdracht aan de te benoemen deskundige zou volgens [geïntimeerde] ook op deze dekkingskwestie moeten zien. De erven [geïntimeerde] zijn eerst bekend geworden met de desbetreffende facturen na het instellen van het hoger beroep van het vonnis in eerste aanleg door Avéro Achmea, aldus [geïntimeerde] .



2.3.
Avéro Achmea verzet zich tegen de eisvermeerdering. Het hof zal deze weigeren, omdat deze in strijd is met de tweeconclusieregel. Een uitzondering daarop doet zich niet voor. De aard van de onderhavige procedure rechtvaardigt geen uitzondering, en er is geen instemming van de wederpartij. Uit de stellingen van [geïntimeerde] blijkt verder niet dat het gaat om nieuwe feiten of ontwikkelingen, d.w.z. feiten/ontwikkelingen die (verschoonbaar) pas bekend zijn geworden nadat de partij die de eisvermeerdering wil doen reeds haar eerste conclusie (memorie) in het hoger beroep heeft genomen. [geïntimeerde] stelt dat de erven [geïntimeerde] eerst met de desbetreffende facturen bekend zijn geworden na het instellen van het hoger beroep van het vonnis in eerste aanleg door Avéro Achmea, maar niet dat zij hiermee (nog steeds) niet bekend waren voorafgaand aan het nemen van de memorie van antwoord door [geïntimeerde] , zijn eerste processtuk in het hoger beroep. Ten slotte doen zich, gelet op hetgeen over en weer is aangevoerd, naar het oordeel van het hof geen feiten en/of omstandigheden voor die meebrengen dat onverkorte toepassing van de tweeconclusieregel anderszins in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde.



deskundige





2.4.
Avéro Achmea heeft voorgesteld om één deskundige te benoemen, met kwalificaties die aansluiten bij die welke het hof heeft genoemd in het arrest van 21 juni 2022. Als mogelijke deskundige heeft zij (nader) genoemd mevrouw [naam], werkzaam bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). [geïntimeerde] heeft de voorkeur uitgesproken voor de benoeming van drie deskundigen. Hij stelt geen principiële bezwaren te hebben tegen de NZa als organisatie. Op de suggestie tot benoeming van [naam] als deskundige heeft [geïntimeerde] nog niet kunnen reageren.



2.5.
Het hof heeft de NZa bereid gevonden om als deskundige op te treden, met – als eigen voorstel – genoemde mevrouw [naam] MSc, beleidsmedewerker tweedelijns somatische zorg, Directie Regulering, als leidster van het onderzoek. De NZa brengt in dit geval geen honorarium in rekening. Het hof is voornemens om deze benoeming te doen. Als [geïntimeerde] ter zake dienende bezwaren mocht hebben tegen de voorgestelde rol van [naam], dan kan hij dit in zijn na te melden akte kenbaar maken.



vraagstelling





2.6.
Beide partijen stemmen in met de door het hof voorgenomen vraagstelling, met dien verstande dat [geïntimeerde] verzoekt vraag 3 aan te vullen met het verzoek aan de deskundigen om de Nederlandse marktomstandigheden die zij bij hun vaststelling van de destijds geldende of passende tarieven betrekken, ook te benoemen. Naar het oordeel van het hof brengt de motiveringsplicht van de deskundige reeds mee dat de genoemde vraag – in de door het hof voorgestelde vorm – ook in die zin wordt beantwoord, zodat dit punt geen separate vermelding behoeft.



2.7.
Het hof stelt wel zelf nog, bij nadere overweging, een aanpassing voor. De in het arrest van 21 juni 2022 voorgestelde vraagstelling, en de motivering daarvan in het arrest, focust op vigerende dan wel geldende of passende tarieven naar Nederlandse marktomstandigheden, voor prestaties waarvoor prestatiebeschrijvingen in de zin van artikel 35 Wmg mochten zijn vastgesteld. Die vraagstelling zou aldus kunnen worden gelezen, dat deze impliceert dat slechts deze prestaties voor enigerlei vergoeding in aanmerking kunnen komen. Dit zou echter een onjuist perspectief zijn, omdat regels over tariefregulering van de Wmg geen afbreuk doen aan de rechten van de betrokken patiënt of verzekerde. Een zorgverzekeraar kan zijn verzekerde dus niet tegenwerpen dat vergoeding van het voor diens behandeling in rekening gebrachte tarief in strijd zou komen met artikel 35 lid 3 Wmg (vlg. rov. 3.2.4 van het arrest van de Hoge Raad). Het hof stelt daarom voor om de vraagstelling als volgt aan te passen (aanpassingen onderstreept resp. doorgehaald):



Waren ten tijde van de behandeling van [geïntimeerde] in maart en/of april 2018 dbc-zorg- en/of overige producten en/of anderszins prestatiebeschrijvingen in de zin van artikel 35 Wmg vastgesteld die passen bij de zorg die [geïntimeerde] blijkens de nota’s die als productie 14 bij de inleidende dagvaarding in het geding zijn gebracht, heeft genoten? Indien u deze vraag op basis van de nota’s en de specificaties daarbij, in het bijzonder ook de rapportage die als onderdeel van productie 18 bij de inleidende dagvaarding in het geding is gebracht, niet kunt beantwoorden, wilt u zich dan met partijen verstaan over hoe de ontbrekende informatie alsnog kan worden achterhaald?


Voor zover sprake was van vaste of maximumtarieven in Nederland: welke?


Voor zover sprake was van vrije tarieven in Nederland, dan wel geen sprake was van een door de NZa vastgestelde prestatiebeschrijving of tarief (dbc-zorg- of overig product): wat waren naar uw oordeel naar Nederlandse marktomstandigheden geldende of passende tarieven, rekening houdend met de hiervoorin 6.4.18-19 van het arrest van 21 juni 2022 genoemde onderwerpen?


Heeft u verder nog opmerkingen die naar uw oordeel voor de beoordeling van deze zaak van belang zouden kunnen zijn?





2.8.
Partijen kunnen desgewenst bij akte op deze voorgestelde aanpassing reageren.



verder procesverloop





2.9.
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor aktes aan beide zijden over de hiervoor in 2.7 voorgestelde aanpassing, waarbij [geïntimeerde] desgewenst ook nog kan reageren n.a.v. de voorgestelde onderzoeksleidster [naam] (hiervoor, 2.5). De zaak zal vervolgens naar de rol worden verwezen voor (fourneren voor) arrest.





3Beslissing


Het hof:



verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2025 voor gelijktijdige aktes van beide partijen, voor het hiervoor in 2.9 vermelde doel; partijen krijgen in beginsel geen gelegenheid voor antwoordaktes;


de zaak zal vervolgens naar de rol van één week later worden verwezen voor fourneren;


houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, P.M. Verbeek en B.R. ter Haar, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.