Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2025:199
2025-02-12
Strafrecht
22-001688-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verjaring van rijden onder invloed in 2014. Nu in de tussentijd meer dan 6 jaren zijn verstreken zonder een daad van vervolging, is het recht tot strafvordering verjaard. Het hof verklaart het openbaar ministerie (ambtshalve) niet-ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.579 tekens)
Gerechtshof Den Haag
enkelvoudige kamer voor strafzaken
Rolnummer: 22-001688-24
Parketnummer: 96-167813-14
VERSTEK
Uitspraak van mr. B.P. de Boer van 12 februari 2025 in de zaak tegen de verdachte:
naam: [achternaam verdachte],
voornamen: [voornaam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [woonadres].
Ambtshalve beoordeling ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Op 2 augustus 2016 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde. Op 26 september 2016 en op 3 oktober 2017 is getracht de verdachte in kennis te stellen van de uitspraak. Niet kan worden vastgesteld dat de daarop betrekking hebbende mededeling de verdachte heeft bereikt. Vervolgens heeft geen daad van vervolging meer plaatsgevonden tot aan het moment dat de verdachte op 7 mei 2024 op de hoogte is gebracht van de uitspraak van de politierechter door middel van een daarop betrekking hebbende mededeling.
In artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat het recht tot strafvordering door verjaring vervalt in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.
Op het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie gesteld. Dit betekent dat de verjaringstermijn voor onderhavig feit zes jaren is, te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf (artikel 71 Sr), dan wel vanaf de datum dat de verjaring door een daad van vervolging is gestuit (artikel 72 Sr).
Nu tussen 3 oktober 2017 en 7 mei 2024 meer dan 6 jaren zijn verstreken zonder een daad van vervolging, is het hof van oordeel dat het recht tot strafvordering ten aanzien van het tenlastegelegde is verjaard, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
mr. B.P. de Boer
enkelvoudige kamer voor strafzaken
Rolnummer: 22-001688-24
Parketnummer: 96-167813-14
VERSTEK
Uitspraak van mr. B.P. de Boer van 12 februari 2025 in de zaak tegen de verdachte:
naam: [achternaam verdachte],
voornamen: [voornaam verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [woonadres].
Ambtshalve beoordeling ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Op 2 augustus 2016 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van het tenlastegelegde. Op 26 september 2016 en op 3 oktober 2017 is getracht de verdachte in kennis te stellen van de uitspraak. Niet kan worden vastgesteld dat de daarop betrekking hebbende mededeling de verdachte heeft bereikt. Vervolgens heeft geen daad van vervolging meer plaatsgevonden tot aan het moment dat de verdachte op 7 mei 2024 op de hoogte is gebracht van de uitspraak van de politierechter door middel van een daarop betrekking hebbende mededeling.
In artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat het recht tot strafvordering door verjaring vervalt in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.
Op het aan de verdachte ten laste gelegde misdrijf is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie gesteld. Dit betekent dat de verjaringstermijn voor onderhavig feit zes jaren is, te rekenen vanaf de dag na het begaan van het misdrijf (artikel 71 Sr), dan wel vanaf de datum dat de verjaring door een daad van vervolging is gestuit (artikel 72 Sr).
Nu tussen 3 oktober 2017 en 7 mei 2024 meer dan 6 jaren zijn verstreken zonder een daad van vervolging, is het hof van oordeel dat het recht tot strafvordering ten aanzien van het tenlastegelegde is verjaard, zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging.
mr. B.P. de Boer