Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2018:4040

2018-06-26 Civiel recht 200.234.781
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2018-06-26
Publicatiedatum
2023-03-21
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.234.781
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

second opinion-procedure; vordering dat dwangbevel buiten werking wordt gesteld, althans de Gemeente wordt verboden invorderingsmaatregelen te treffen

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.937 tekens)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.234.781/01



Zaaknummer rechtbank : 6076397 \ CV EXPL 17-21432




arrest van 26 juni 2018


inzake





[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M. El Idrissi te Rotterdam,



tegen





[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. G.T. Poot te Rotterdam.





Het geding


1. Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 1 mei 2018 verwijst het hof naar dat arrest. De comparitie van partijen die bij dat arrest is gelast, is gehouden op 29 mei 2018. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Op de rol van 12 juni 2018 hebben beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure (hierna: SO-procedure) verzocht. Daartoe hebben de advocaten van partijen ieder een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (hierna: SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald.




Beoordeling van het hoger beroep

2. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht een conclusie van eis en een conclusie van antwoord als bedoeld in artikel 347, lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3. en 3.4 SOR). De enige grief luidt dat de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in het vonnis van 22 december 2017 de vorderingen van [geïntimeerde] heeft toegewezen.

3. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis van de kantonrechter werd gevraagd (artikel 2.7 SOR en de “Verklaring” in de SO-formulieren) en dus aan de hand van uitsluitend de stukken in eerste aanleg en de daarin betrokken stellingen, van welke stukken en stellingen het hof heeft kennisgenomen.

4. Het hof neemt de overwegingen van de kantonrechter over en maakt deze tot de zijne. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.



Beslissing


Het hof:


- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam, van 22 december 2017;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 318 aan verschotten en € 759 (1 punt x tarief I) aan salaris advocaat.


Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, J.J. van der Helm en P. Glazener, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.