Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:6262
2026-09-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
BK-ARN 25/1132
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Overgelegd betaalbewijs ziet op andere zone dan waar is geparkeerd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2026:570 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:HR:2018:2306 Hoge Raad 14-12-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.253 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1132
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer ARN 23/6074, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag (nummer 2301231735000172) in de parkeerbelastingen van de gemeente Arnhem opgelegd ten bedrage van € 76,30 (€ 3,40 aan parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten).
1.2.
Het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag is door de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij is verschenen en gehoord: F.R. Eggink als de gemachtigde van belanghebbende. De heffingsambtenaar is – zonder kennisgeving aan het Hof – niet verschenen. De heffingsambtenaar is bij aangetekend verzonden brief van de griffier van het Hof van 14 juli 2026 uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief is op 16 juli 2026 op het adres van de heffingsambtenaar bezorgd en voor de ontvangst ervan is een handtekening geplaatst, zodat de heffingsambtenaar overeenkomstig de wet is uitgenodigd voor de zitting van 18 augustus 2026.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op (maandag) 23 januari 2023 zijn auto (een Mercedes-Benz met [kenteken] ) geparkeerd op een parkeerplaats in de [straat1] te Arnhem. Die locatie is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Bij een controle met een scanauto op genoemde dag om 17.35 uur is volgens de heffingsambtenaar gebleken dat op dat tijdstip geen parkeerbelasting voor het parkeren van de auto in de [straat1] was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd. De [straat1] is gelegen in zone 26075 ‘ [gebied1] waarvoor een tarief geldt van € 3,40 per uur.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft (digitaal) een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. Daarin heeft hij verzocht om te worden gehoord. Op het bezwaarschrift is een telefoonnummer van de gemachtigde vermeld. Het e-mailadres van de gemachtigde is [e-mailadres] .
2.3.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij e-mail van 1 juni 2023, gericht aan het adres is [e-mailadres] , uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 15 juni 2023 om 11.00 uur. Hij heeft daarbij de gemachtigde verzocht om binnen één week te laten weten of hij nog een hoorzitting wenst en zo ja, of de datum en het tijdstip schikt en op welk telefoonnummer hij bereikbaar is. Daarop heeft de gemachtigde niet gereageerd.
2.4.
In het dossier bevindt zich een afdruk van een Outlook-item van de heffingsambtenaar van 17 juni 2023 om 14.38 uur, gericht aan het genoemde e-mailadres van de gemachtigde, waarin de gemachtigde wordt uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 29 juni 2023 om 11.00 uur. Ook in die e-mail wordt verzocht om binnen één week aan te geven of de gemachtigde nog een hoorzitting wenst en zo ja, of deze datum en dit tijdstip hem schikt en op welk telefoonnummer hij bereikbaar is. Op die e-mail heeft de gemachtigde evenmin gereageerd.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet gehoord in de bezwaarfase. Op 6 juli 2023 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld:
‘Bezwaar (…). Op 01-06-2023 en 17-06-2023 is een uitnodiging gestuurd voor een telefonische hoorzitting. U hebt geen gehoor gegeven aan deze uitnodigingen. (…)’
2.6.
De Rechtbank heeft belanghebbende eveneens in het ongelijk gesteld. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vervatte hoorplicht niet geschonden.
2.7.
Belanghebbende heeft – voor het eerst – in hoger beroep de volgende uitdraai uit een parkeer-app overgelegd:
3Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil (i) of de heffingsambtenaar de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden en (ii) of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.
4Beoordeling van het geschil
Hoorplicht
4.1.
Belanghebbende stelt (ook) in hoger beroep dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Hij wijst daarbij onder meer erop dat zijn gemachtigde de e-mail van 17 juni 2023 (zie 2.4) niet heeft ontvangen. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting van het Hof toegevoegd dat de heffingsambtenaar hem ten onrechte voor een telefonische in plaats van een fysieke hoorzitting heeft uitgenodigd.
4.2.
Gelet op de betwisting inzake de ontvangst van de e-mail van 17 juni 2023, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de desbetreffende e-mail van 17 juni 2023 naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde heeft verzonden (vgl. HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:570). Gelet op de tot het dossier behorende afdruk van de e-mail van 17 juni 2023 acht het Hof de heffingsambtenaar daarin geslaagd. Opmerking hierbij verdient dat het daarop vermelde e-mailadres nog steeds bij de gemachtigde in gebruik is.
4.3.
De aannemelijke verzending van de e-mail van 17 juni 2023 naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde van belanghebbende rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van die e-mail door de gemachtigde van belanghebbende. Met hetgeen de gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd – in wezen niet meer dan een ‘blote’ ontkenning – heeft de gemachtigde van belanghebbende dit vermoeden van ontvangst naar het oordeel van het Hof niet kunnen ontzenuwen, in die zin dat redelijkerwijs moet worden betwijfeld dat de gemachtigde het e-mailbericht van 17 juni 2023 heeft ontvangen.
4.4.
Dit betekent dat de heffingsambtenaar belanghebbende tot twee keer toe heeft uitgenodigd voor een hoorzitting. Dat de heffingsambtenaar belanghebbende - zonder verzoek daartoe - heeft uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting is in dit verband niet van belang. Telefonisch horen is immers toegestaan als het bestuursorgaan en de belanghebbende allebei vinden dat deze wijze van horen volstaat (HR 14 december 20218, ECLI:NL:HR:2018:2306). In dit geval lag het op de weg van de gemachtigde van belanghebbende om te reageren op de e-mails van de heffingsambtenaar en daarbij aan te geven of hij zich al dan niet kon vinden in het telefonisch horen en of – indien hij akkoord kon gaan met telefonisch horen - de voorgestelde datum hem schikte voor een telefonisch hoorgesprek en voorts op welk telefoonnummer hij bereikbaar zou zijn. Door dat niet te doen, kan de heffingsambtenaar niet worden tegengeworpen dat hij belanghebbende in bezwaar niet heeft gehoord. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden.
4.5.
De omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar niet expliciet in een conclusie is verwoord waarom belanghebbende niet in bezwaar is gehoord, doet niet af aan de conclusie dat de in artikel 7:2 Awb vervatte hoorplicht hier niet is geschonden. Dit motiveringsgebrek vormt ook geen reden om de uitspraak op bezwaar op die grond te vernietigen of een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Naheffing
4.6.
Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het in onderdeel 2.7 genoemde stuk dat hij op 23 januari 2023 heeft betaald voor het parkeren van 17.17 uur tot 17.37 uur zodat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.
4.7.
In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat het door belanghebbende overgelegde ‘betaalbewijs’ niet ziet op het parkeren in de in zone 26075 ‘ [gebied1] gelegen [straat1] maar betrekking heeft op parkeren op een parkeerplaats in zone 26071 ‘ [gebied2] ’.
4.8.
In deze reactie van de heffingsambtenaar ligt besloten dat hij betwist dat belanghebbende ter zake van het parkeren van de auto in de [straat1] op 23 januari 2023 om 17.35 uur de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval is geweest. Nog daargelaten dat het opmerkelijk is dat belanghebbende pas voor het eerst in hoger beroep het onderhavige betaalbewijs heeft overgelegd, wijst dit betaalbewijs niet erop dat de belasting is voldaan voor het parkeren van de auto in de [straat1] in Arnhem ( zone 26075), maar voor parkeren elders in de wijk [gebied2] in Arnhem ( zone 26071). Dat is echter een ander belastbaar feit dan het onderhavige, zodat de stelling van belanghebbende dat hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, moet worden verworpen.
4.10
De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Meijnders als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
De griffier, De raadsheer,
(S.A.M. Meijnders) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1132
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer ARN 23/6074, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag (nummer 2301231735000172) in de parkeerbelastingen van de gemeente Arnhem opgelegd ten bedrage van € 76,30 (€ 3,40 aan parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten).
1.2.
Het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag is door de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij is verschenen en gehoord: F.R. Eggink als de gemachtigde van belanghebbende. De heffingsambtenaar is – zonder kennisgeving aan het Hof – niet verschenen. De heffingsambtenaar is bij aangetekend verzonden brief van de griffier van het Hof van 14 juli 2026 uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief is op 16 juli 2026 op het adres van de heffingsambtenaar bezorgd en voor de ontvangst ervan is een handtekening geplaatst, zodat de heffingsambtenaar overeenkomstig de wet is uitgenodigd voor de zitting van 18 augustus 2026.
1.6.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op (maandag) 23 januari 2023 zijn auto (een Mercedes-Benz met [kenteken] ) geparkeerd op een parkeerplaats in de [straat1] te Arnhem. Die locatie is aangewezen als een plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Bij een controle met een scanauto op genoemde dag om 17.35 uur is volgens de heffingsambtenaar gebleken dat op dat tijdstip geen parkeerbelasting voor het parkeren van de auto in de [straat1] was voldaan. Daarom heeft de heffingsambtenaar de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd. De [straat1] is gelegen in zone 26075 ‘ [gebied1] waarvoor een tarief geldt van € 3,40 per uur.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft (digitaal) een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend. Daarin heeft hij verzocht om te worden gehoord. Op het bezwaarschrift is een telefoonnummer van de gemachtigde vermeld. Het e-mailadres van de gemachtigde is [e-mailadres] .
2.3.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij e-mail van 1 juni 2023, gericht aan het adres is [e-mailadres] , uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 15 juni 2023 om 11.00 uur. Hij heeft daarbij de gemachtigde verzocht om binnen één week te laten weten of hij nog een hoorzitting wenst en zo ja, of de datum en het tijdstip schikt en op welk telefoonnummer hij bereikbaar is. Daarop heeft de gemachtigde niet gereageerd.
2.4.
In het dossier bevindt zich een afdruk van een Outlook-item van de heffingsambtenaar van 17 juni 2023 om 14.38 uur, gericht aan het genoemde e-mailadres van de gemachtigde, waarin de gemachtigde wordt uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op 29 juni 2023 om 11.00 uur. Ook in die e-mail wordt verzocht om binnen één week aan te geven of de gemachtigde nog een hoorzitting wenst en zo ja, of deze datum en dit tijdstip hem schikt en op welk telefoonnummer hij bereikbaar is. Op die e-mail heeft de gemachtigde evenmin gereageerd.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende niet gehoord in de bezwaarfase. Op 6 juli 2023 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar gedaan waarbij het bezwaar van belanghebbende ongegrond is verklaard. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld:
‘Bezwaar (…). Op 01-06-2023 en 17-06-2023 is een uitnodiging gestuurd voor een telefonische hoorzitting. U hebt geen gehoor gegeven aan deze uitnodigingen. (…)’
2.6.
De Rechtbank heeft belanghebbende eveneens in het ongelijk gesteld. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vervatte hoorplicht niet geschonden.
2.7.
Belanghebbende heeft – voor het eerst – in hoger beroep de volgende uitdraai uit een parkeer-app overgelegd:
3Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil (i) of de heffingsambtenaar de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden en (ii) of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede ontkennend. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.
4Beoordeling van het geschil
Hoorplicht
4.1.
Belanghebbende stelt (ook) in hoger beroep dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. Hij wijst daarbij onder meer erop dat zijn gemachtigde de e-mail van 17 juni 2023 (zie 2.4) niet heeft ontvangen. Daaraan heeft belanghebbende ter zitting van het Hof toegevoegd dat de heffingsambtenaar hem ten onrechte voor een telefonische in plaats van een fysieke hoorzitting heeft uitgenodigd.
4.2.
Gelet op de betwisting inzake de ontvangst van de e-mail van 17 juni 2023, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de desbetreffende e-mail van 17 juni 2023 naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde heeft verzonden (vgl. HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:570). Gelet op de tot het dossier behorende afdruk van de e-mail van 17 juni 2023 acht het Hof de heffingsambtenaar daarin geslaagd. Opmerking hierbij verdient dat het daarop vermelde e-mailadres nog steeds bij de gemachtigde in gebruik is.
4.3.
De aannemelijke verzending van de e-mail van 17 juni 2023 naar het juiste e-mailadres van de gemachtigde van belanghebbende rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van die e-mail door de gemachtigde van belanghebbende. Met hetgeen de gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd – in wezen niet meer dan een ‘blote’ ontkenning – heeft de gemachtigde van belanghebbende dit vermoeden van ontvangst naar het oordeel van het Hof niet kunnen ontzenuwen, in die zin dat redelijkerwijs moet worden betwijfeld dat de gemachtigde het e-mailbericht van 17 juni 2023 heeft ontvangen.
4.4.
Dit betekent dat de heffingsambtenaar belanghebbende tot twee keer toe heeft uitgenodigd voor een hoorzitting. Dat de heffingsambtenaar belanghebbende - zonder verzoek daartoe - heeft uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting is in dit verband niet van belang. Telefonisch horen is immers toegestaan als het bestuursorgaan en de belanghebbende allebei vinden dat deze wijze van horen volstaat (HR 14 december 20218, ECLI:NL:HR:2018:2306). In dit geval lag het op de weg van de gemachtigde van belanghebbende om te reageren op de e-mails van de heffingsambtenaar en daarbij aan te geven of hij zich al dan niet kon vinden in het telefonisch horen en of – indien hij akkoord kon gaan met telefonisch horen - de voorgestelde datum hem schikte voor een telefonisch hoorgesprek en voorts op welk telefoonnummer hij bereikbaar zou zijn. Door dat niet te doen, kan de heffingsambtenaar niet worden tegengeworpen dat hij belanghebbende in bezwaar niet heeft gehoord. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden.
4.5.
De omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar niet expliciet in een conclusie is verwoord waarom belanghebbende niet in bezwaar is gehoord, doet niet af aan de conclusie dat de in artikel 7:2 Awb vervatte hoorplicht hier niet is geschonden. Dit motiveringsgebrek vormt ook geen reden om de uitspraak op bezwaar op die grond te vernietigen of een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Naheffing
4.6.
Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het in onderdeel 2.7 genoemde stuk dat hij op 23 januari 2023 heeft betaald voor het parkeren van 17.17 uur tot 17.37 uur zodat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd.
4.7.
In reactie hierop heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat het door belanghebbende overgelegde ‘betaalbewijs’ niet ziet op het parkeren in de in zone 26075 ‘ [gebied1] gelegen [straat1] maar betrekking heeft op parkeren op een parkeerplaats in zone 26071 ‘ [gebied2] ’.
4.8.
In deze reactie van de heffingsambtenaar ligt besloten dat hij betwist dat belanghebbende ter zake van het parkeren van de auto in de [straat1] op 23 januari 2023 om 17.35 uur de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan. Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval is geweest. Nog daargelaten dat het opmerkelijk is dat belanghebbende pas voor het eerst in hoger beroep het onderhavige betaalbewijs heeft overgelegd, wijst dit betaalbewijs niet erop dat de belasting is voldaan voor het parkeren van de auto in de [straat1] in Arnhem ( zone 26075), maar voor parkeren elders in de wijk [gebied2] in Arnhem ( zone 26071). Dat is echter een ander belastbaar feit dan het onderhavige, zodat de stelling van belanghebbende dat hij de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, moet worden verworpen.
4.10
De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Meijnders als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
De griffier, De raadsheer,
(S.A.M. Meijnders) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.