Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:6104

2026-09-22 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.359.918/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.359.918/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 7:900 BW; het hof oordeelt dat afspraken in het echtscheidingsconvenant met betrekking tot de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden een vaststellingsovereenkomst zijn. Het hof komt niet toe aan beoordeling van beroep op artikel 3:196 lid 1 BW. Voor zover een beroep is gedaan op artikel 6:228 BW, is dat onvoldoende onderbouwd. Artikel 611 Rv; het hof wijst aanvullende vordering tot oplegging van een dwangsom af.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.879 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.359.918/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 326390




arrest van 22 september 2026




in de zaak van





[naam1] ( [verzoekster] )

die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. F. Zoer



en





[naam2] ( [verweerder] )

die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. J. Voorberg










1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de rechtbank), op 23 juli 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep;


de memorie van grieven;


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;


de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;


productie 3 van [verzoekster] , ontvangen op 10 juli 2026;


een journaalbericht namens [verweerder] van 13 juli 2026 met bijlage(n);


het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 22 juli 2026 is gehouden en het aanvullende proces-verbaal.





1.2.
Na de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat mr. Zoer op 21 juli 2026 via Digitale Toegang nog een leesbaarder exemplaar van de huwelijkse voorwaarden van partijen aan het procesdossier had toegevoegd. Van diezelfde huwelijkse voorwaarden had zowel [verzoekster] als [verweerder] in de procedure bij de rechtbank een minder goed leesbaar exemplaar overgelegd. De nadien van partijen ontvangen stukken omtrent aanpassing van het proces-verbaal van de zitting zijn aan het dossier toegevoegd.





2De kern van de zaak


2.1.

[verweerder] en [verzoekster] zijn in 2000 gehuwd. Voorafgaand aan hun huwelijk hebben zij huwelijkse voorwaarden gesloten. In deze huwelijkse voorwaarden hebben partijen iedere gemeenschap van goederen uitgesloten (behalve een gemeenschap van woning) en zijn zij een periodiek verrekenbeding overeengekomen. Bij aanvang van het huwelijk had [verweerder] een akkerbouwbedrijf in de vorm van een eenmanszaak, waarvoor hij cultuurgronden in eigendom had. In 2013 zijn [verweerder] en [verzoekster] een vennootschap onder firma (vof) aangegaan. Het huwelijk is op 7 januari 2022 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ter gelegenheid van de scheiding hebben partijen afspraken gemaakt die zijn opgenomen in een door hen op 22 december 2021 ondertekend convenant. [verzoekster] wil in hoger beroep vernietiging van de in het convenant gemaakte afspraken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en zij wil dat de verrekening en verdeling opnieuw wordt vastgesteld. [verweerder] wil een andere berekening van het ondernemingsvermogen van de vof. Daarnaast wil hij dat [verzoekster] wordt veroordeeld tot medewerking aan de levering van de voormalige echtelijke woning aan hem op straffe van verbeurte van een dwangsom.



2.2.
Het hof zal beslissen dat de verzoeken in hoger beroep van zowel [verzoekster] als van [verweerder] worden afgewezen en licht dat hierna onder 4 toe. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in stand laten.





3De procedure bij de rechtbank en bij het hof in hoger beroep


3.1.

[verzoekster] heeft bij de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, vernietiging gevorderd van de artikelen in het echtscheidingsconvenant die betrekking hebben op de verrekening en verdeling en gevorderd dat de verrekening en verdeling opnieuw wordt vastgesteld. [verweerder] heeft de vorderingen van [verzoekster] betwist en op zijn beurt bij de rechtbank medewerking van [verzoekster] geëist aan de overdracht van de voormalige echtelijke woning aan hem op straffe van een dwangsom.



3.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [verzoekster] afgewezen en de vordering van [verweerder] in die zin toegewezen dat zij [verzoekster] heeft veroordeeld om binnen twee maanden na dagtekening van het vonnis mee te werken aan de notariële overdracht van het onroerend goed, kadastraal bekend gemeente [gemeente1] , sectie B, nummer 4211, met de bepaling dat als [verzoekster] niet binnen die termijn medewerking verleent aan de levering, het vonnis in de plaats treedt van haar medewerking aan het transport van de akte van levering. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.



3.3.


[verzoekster] heeft met negen grieven hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Zij vordert:
I. vernietiging van de artikelen 5.1 tot en met 5.3, 5.9 tot en met 5.15 en artikel 7 van het echtscheidingsconvenant;
II. de verrekening en verdeling in rechte opnieuw vast te stellen van alle bestanddelen, met uitzondering van de woning aan [adres1] te [woonplaats2] , die al is verdeeld en waarvoor een waarde is bepaald in het kader van de verdeling;
III. te bepalen dat de waarde in het economisch verkeer van de bestanddelen genoemd in de jaarrekening van de vof per 30 april 2021 het uitgangspunt zal zijn voor de verrekening van ieders vennootschapsvermogen;
IV. te bepalen dat er onafhankelijke taxateurs worden benoemd om de waarde van alle bestanddelen van de vof, roerend en onroerend, naar de waarde in het economische verkeer te bepalen per 30 april 2021;
V. te bepalen dat na taxatie van alle bestanddelen van de vof de accountant van de vof, Vivan Accountants en Adviseurs, of een andere door partijen of het hof aan te wijzen accountant, opdracht wordt gegeven het eigen vermogen van iedere vennoot per 30 april 2021 te berekenen met de getaxeerde waardes in het economisch verkeer van alle bestanddelen, alsmede de latente fiscale claim vanwege de herwaardering naar deze waarde te berekenen, op kosten van [verweerder] alleen;
VI. te bepalen dat de gezamenlijke woning van partijen aan de [adres1] te [woonplaats2] per peildatum wordt meegenomen in de totale verrekening en verdeling voor een waarde van € 300.000 conform artikel 5.8 van het convenant;
VII. te bepalen dat aan [verzoekster] toe zal komen de helft van het totale te verrekenen en te verdelen vermogen naar de waarde in het economisch verkeer, waaronder zowel het eigen vermogen van [verzoekster] als dat van [verweerder] in de gezamenlijke vennootschap per 30 april 2021, alsmede de helft van de waarde van de gezamenlijke woning en overige gemeenschappelijke goederen zoals genoemd in het convenant, minus hetgeen in het bedrag van € 610.000 dat aangemerkt kan worden als zijnde reeds te zijn ontvangen in het kader van verdelen en verrekenen, zijnde € 286.600 volgens [verzoekster] vanuit haar bezien destijds, geen € 330.000 zoals de rechtbank aangeeft in het vonnis;
VIII. de (aanvullende) vordering van [verzoekster] op [verweerder] in het kader van de vaststelling van de verdeling en verrekening in een door het hof te wijzen arrest te verhogen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2022 tot de dag van algehele voldoening en tevens met de bepaling dat wat [verweerder] nog verschuldigd is aan [verzoekster] per datum arrest in hoger beroep ineens moet worden voldaan binnen twee maanden na de dag van het in deze te wijzen arrest, dan wel zo’n betalingswijze te bepalen als het hof juist acht;
IX. kosten rechtens.




[verzoekster] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep haar bovenvermelde vordering onder IX in die zin vermeerderd dat zij vordert [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedures bij de rechtbank en in hoger beroep, daaronder begrepen haar werkelijke proces- en advocaatkosten, of tot veroordeling in de proceskosten van de rechtbank en het hoger beroep volgens het liquidatietarief.




3.4.


[verweerder] voert verweer en heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij vordert in het principaal hoger beroep afwijzing van de vorderingen van [verzoekster] en in het incidenteel hoger beroep:
I. medewerking aan de notariële overdracht binnen één maand na dagtekening van het arrest van het hof, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor elke dag dat [verzoekster] haar medewerking weigert, en ook veroordeling van [verzoekster] in de betaling van de notariskosten;
II. vernietiging van de berekening in rechtsoverweging 7.16 van het bestreden vonnis voor zover deze onjuist is, waarbij als uitgangspunt voor het ondernemingsvermogen het eigen vermogen van de vof op 30 april 2021 moet worden genomen, waarbij zijn berekening onder randnummer 86 van het incidenteel hoger beroepschrift in de plaats treedt van de berekening die onder rechtsoverweging 7.16 is opgenomen;
III. veroordeling van [verzoekster] in de betaling van de integrale proceskosten van [verweerder] , althans op basis van het geldende liquidatietarief, zowel voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep als die in eerste aanleg.





4De toelichting op de beslissing van het hof



De feiten




4.1.
Partijen zijn op 12 mei 2000 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:



“GEMEENSCHAP VAN EIGEN WONING

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van eigen woning; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten.


Artikel 2

1. Onder eigen woning wordt verstaan de woning aan de [adres1] te [postcode] [woonplaats2] , gemeente

[gemeente1] , uitmakende een door kennelijke tekenen op het terrein aangeduid gedeelte ter grootte van

ongeveer vijftien are van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente1] , sectie B, nummer 3044,

alsmede elke andere daarvoor in de plaats komende eigen woning. Tweede woningen vallen niet in deze

gemeenschap.



2. Tot de huwelijksgemeenschap behoort mitsdien de eigen (eerste) woning, onverschillig door wie, wanneer of

op welke wijze verkregen.



[…]


INKOMEN EN BELASTINGEN

Artikel 8

1. Inkomen

a. Onder inkomen in deze huwelijkse voorwaarden wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen en premieheffing volksverzekeringen, waarbij het inkomen dat fiscaal wordt toegerekend aan één echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degene tot wiens inkomen en zou zijn gerekend indien partijen niet waren gehuwd.



b. Ingeval een echtgenoot inkomen heeft in de vorm van winst uit onderneming als bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 1964, dienen de echtgenoten, naar normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, vast te stellen welk gedeelte van de winst voor onttrekking aan de onderneming in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld. […]


c. Niet als inkomen worden aangemerkt:

- winst die is behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming, en

- voordelen die worden behaald bij de vervreemding van een tot een aanmerkelijk belang

behorende aandelen.


d. Voorts worden niet als inkomen aangemerkt de zuivere inkomsten uit vermogen.


e. Pensioenpremies komen niet in mindering op het inkomen.


2. Belastingen


[…]


3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.



[…]


JAARLIJKSE VERREKENING VAN INKOMSTEN


Artikel 11


De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen onder aftrek van hetgeen daaraan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, maar met bijtelling van verschuldigde premies en koopsommen als bedoeld in artikel 8, voor zover deze premies en koopsommen het inkomen verminderen, overblijft, onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het van diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering.


Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het inkomen of van het vermogen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verrekend.

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;



b. over het kalenderjaar dat het inkomen van een echtgenoot, onder aftrek van de kosten van de huishouding, ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is;

c. […]


d. voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

[…]



SLOTVERKLARINGEN


De comparanten verklaren voorts:

- De door hen ten huwelijk aangebrachte rechten aan toonder en roerende zaken, die geen registergoederen zijn, staan (naast eventuele overige goederen) vermeld op de aan deze akte te hechten door comparanten en mij, notaris, ondertekende staat van aanbrengsten.

[…]”





4.2.
Gedurende het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan de jaarlijkse verrekening uit artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden.



4.3.
Partijen zijn met ingang van 1 mei 2013 een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam “ [bedrijfsnaam1] ”. In de op 5 november 2013 ondertekende vennootschapsovereenkomst is vermeld welke vennoot wat heeft ingebracht. In artikel 11 van de vennootschapsovereenkomst is opgenomen dat de vennootschap eindigt door onder andere opzegging of het aanhangig maken van een (gerechtelijke) procedure tot scheiding van tafel en bed of tot echtscheiding van partijen. Verder is opgenomen dat bij beëindiging van de vennootschap door echtscheiding [verweerder] het recht heeft de onderneming van de vennootschap voort te zetten en zijn bepalingen opgenomen over de waardebepaling, vaststelling van de overnamesom en de vereffening en de verdeling.



4.4.

[verweerder] heeft op 31 augustus 2020 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland.



4.5.
Met ingang van 1 mei 2021 is de vennootschap onder firma ontbonden. [verweerder] heeft per die datum de onderneming voortgezet onder de naam “ [bedrijfsnaam1] ”.



4.6.
Het huwelijk is ontbonden op 7 januari 2022 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 september 2021 in de registers van de burgerlijke stand.



4.7.
Partijen hebben onder begeleiding van [naam5], MfN mediator, afspraken gemaakt over onder andere de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding. Deze afspraken zijn opgenomen in artikel 5 van het door hen op 22 december 2021 ondertekende echtscheidingsconvenant. In het convenant is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:



“D. Als schriftelijke bescheiden zijn ingebracht:

a. De akte huwelijkse voorwaarden van 1 mei 2000 bij notaris [naam3] te [vestigingsplaats1] .

b. Jaarstukken van de ondernemingen.

c. Gegevens omtrent inkomen en vermogen.





Ieder van partijen is in de gelegenheid geweest van deze bescheiden kennis te nemen, en daarop te reageren.





E. Zij zijn voldoende in de gelegenheid gesteld hun visie op de gerezen kwestie naar voren te brengen,

informatie te verkrijgen en te kunnen reageren op wat er verder naar voren is gebracht, hebben zich

kunnen laten bijstaan door deskundigen en zijn vóór ondertekening van deze overeenkomst in de

gelegenheid gesteld van het schriftelijk concept daarvan kennis te nemen en hebben dit concept ter

advisering kunnen voorleggen aan een deskundige.

[…]


G. De man en de vrouw wensen de gevolgen van de echtscheiding voor hen bindend te regelen en komen

dienaangaande als volgt overeen.


[…]


Artikel 5 – DE AFREKENING VAN DE HUWELIJKSE VOORWAARDEN





Finaal verrekenbeding





Afrekening conform huwelijkse voorwaarden





5.1


Door de echtscheiding zullen de man en de vrouw in principe met elkaar dienen af te rekenen

overeenkomstig hetgeen dienaangaande is bepaald in de akte huwelijkse voorwaarden. Partijen hebben

echter jaarlijks niet verrekend, zij wijken dan ook af van wat er in de huwelijkse voorwaarden is beschreven.

[…]


Finaal afrekening




5.2

De man en de vrouw hebben jaarlijks niet verrekend conform de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft

alle jaarrekeningen van de onderneming en het taxatierapport van de woning ingezien. Partijen zijn op grond

van deze cijfers tot de volgende overeenkomst gekomen.




De vrouw ontvangt tegen finale kwijting voor de overwaarde van de echtelijke woning, het spaargeld, haar

aandeel in de onderneming, de erfenis van haar ouders, welke in de onderneming gestort is en de inboedel

een bedrag van € 610.000 (zegge: zeshonderd en tien duizend euro) dit is een fiscaal netto bedrag. De

resterende inboedel hebben partijen reeds onderling verdeeld.



De saldi van de privébankrekeningen welke een persoonlijke tenaamstelling hebben worden


geacht te zijn van de persoon op wiens naam deze staan. Bankrekeningen vrouw:


[bankrekeningnummer1] , [bankrekeningnummer2] , [bankrekeningnummer3] en


[bankrekeningnummer4] . Bankrekeningen man: [bankrekeningnummer5] .





5.3

Tussen de man en de vrouw dient in gevolge het finaal verrekenbeding en met inachtneming van het

bepaalde in artikel 5.2 te worden verrekend overeenkomstig het navolgende.




Peildata





5.4


De man en de vrouw spreken af dat als peildatum voor de vaststelling van de omvang van de tussen hen te

verrekenen goederen zal gelden 01 mei 2021.

[…]


Overbedeling




5.9

Bij effectuering van de hierboven omschreven verrekening is de man aan de vrouw wegens overbedeling

verschuldigd de geldsom van € 610.000 (zegge zeshonderd en tien duizend euro).

De man verplicht zich een bedrag van € 250.000 uit te betalen op 2 januari 2022, het restant zal betaald

worden in 180 maandelijkse termijnen van € 2.000, waarvan de eerste termijn vervalt op 1 januari 2022 en

de laatste termijn op 1 december 2036. Als de echtscheiding nog niet ingeschreven is in de registers van de

burgerlijke stand, zullen deze termijnen opgeschort worden tot datum inschrijving.

[…]

Artikel 7 – VRIJWARING EN FINALE KWIJTING

[…]

7.2 De man en de vrouw verklaren behoudens de uitvoering van dit convenant niets meer van elkaar te

vorderen te hebben uit welke hoofde dan ook en elkaar algeheel en finale kwijting te verlenen voor alle

aanspraken die zij jegens elkaar geldend zouden kunnen maken.



7.3


De man en de vrouw verbinden zich geen ontbinding, nietigverklaring, vernietiging enz. van deze

overeenkomst te zullen vorderen op welke grondslag dan ook, tenzij het naar maatstaven van redelijkheid

en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om wie het van de man of de vrouw aangaat te houden aan

nakoming van dit convenant.


[…]”






Beoordeling van de geschilpunten





4.8.
Partijen zijn het erover eens dat als peildatum voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden 1 mei 2021 heeft te gelden. Verder is niet is geschil dat de (beperkte) gemeenschap met betrekking tot de voormalige echtelijke woning aan de [adres1] te [woonplaats2] tegen een waarde van € 300.000 moet worden toegedeeld aan [verweerder] , en dat hij hiervoor € 150.000 is verschuldigd aan [verzoekster] .



4.9.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindiging van het huwelijk correct heeft plaatsgevonden. [verzoekster] vindt dat niet overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden is afgewikkeld en voert aan dat enkel uitvoering is gegeven aan de vennootschapsovereenkomst. Zij stelt dat het ondernemingsvermogen van [verweerder] in de verrekening had moeten worden betrokken. In elk geval dienen de in het echtscheidingsconvenant opgenomen artikelen met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te worden vernietigd, omdat [verzoekster] is benadeeld voor meer dan een kwart, aldus [verzoekster] .



4.10.

[verweerder] betwist de stellingen van [verzoekster] en voert aan dat de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden was dat het voorhuwelijkse (ondernemings)vermogen buiten iedere verrekening bleef. Daarnaast stelt [verweerder] zich op het standpunt dat [verzoekster] gebonden is aan de in het convenant opgenomen afspraken. Volgens hem is het convenant een vaststellingsovereenkomst die niet voor vernietiging vatbaar is. Daarnaast vindt hij dat er geen sprake is van benadeling van [verzoekster] voor meer dan een kwart. Als er al sprake zou zijn van benadeling, dan heeft [verzoekster] die aanvaard in de zin van artikel 3:196 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW).



4.11.
Het hof dient als eerste de vraag te beantwoorden of [verzoekster] gehouden moet worden aan de in het echtscheidingsconvenant opgenomen afspraken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dan wel of die afspraken voor vernietiging vatbaar zijn.



Is het echtscheidingsconvenant een overeenkomst die voor vernietiging vatbaar is?





4.12.
Bij de beantwoording van de vraag of [verzoekster] gehouden is aan de in het convenant opgenomen afspraken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dan wel of die afspraken voor vernietiging vatbaar zijn, dient het hof eerst te beoordelen wat de aard is van de in het convenant opgenomen afspraken.



4.13.
Ingevolge artikel 7:900 BW is een vaststellingsovereenkomst een overeenkomst die is gericht op beëindiging of voorkoming van een onzekerheid of een geschil. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand. Niet vereist is dat partijen kunnen overzien waarvan zij afzien (ofwel: waarop de onzekerheid of het potentiële geschil precies betrekking heeft).



4.14.
De vraag of sprake is van een vaststellingsovereenkomst, is afhankelijk van uitleg van de desbetreffende overeenkomst. Bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, LJN: AG4158; Haviltex). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol en kan mede betekenis worden toegekend aan gedragingen en uitlatingen van partijen na het sluiten van de schriftelijke overeenkomst.



4.15.
In geschil is de in het echtscheidingsconvenant onder artikel 5 opgenomen verrekening, waarbij [verzoekster] tegen finale kwijting voor de overwaarde van de echtelijke woning, het spaargeld, haar aandeel in de onderneming, de erfenis van haar ouders en de inboedel een bedrag van € 610.000 als een fiscaal netto bedrag ontvangt van [verweerder] .



4.16.
Het hof is van oordeel dat de in het convenant opgenomen afspraken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het karakter hebben van een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Het hof komt tot dat oordeel op grond van de passages in het convenant waarin wordt verwezen naar de huwelijkse voorwaarden (considerans onder D.) en waarin is opgenomen dat het periodiek verrekenbeding niet is uitgevoerd (artikel 5.1 en artikel 5.2). Daarnaast neemt het hof in dit oordeel mee dat in het convenant is opgenomen dat partijen de gevolgen van de echtscheiding bindend willen regelen (considerans onder G.), dat ingevolge het finaal verrekenbeding en met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2 dient te worden verrekend overeenkomstig het navolgende (artikel 5.3), en dat zij behoudens de uitvoering van het convenant niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar algehele en finale kwijting verlenen en ontbinding, nietigverklaring en vernietiging uitsluiten (artikel 7.2 en artikel 7.3).



4.17.
Het hof leidt hieruit af dat partijen zich bij het sluiten van het convenant bewust waren van hun huwelijkse voorwaarden waarin een periodiek verrekenbeding was opgenomen dat niet was uitgevoerd. Uit het convenant blijkt verder dat partijen het eens waren over de toedeling van de woning aan [verweerder] en over de waarde van de woning (artikel 5.8). Ook zijn de privé-bankrekeningen ter sprake gekomen (artikel 5.2). Dat geldt ook voor het spaargeld en de erfenis van de ouders van [verzoekster] (artikel 5.2). Uit het voorgaande volgt dat niet uitsluitend is gesproken over de verrekening van het vennootschappelijk vermogen van [verzoekster] , zoals namens [verzoekster] is gesteld.



4.18.
Dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst maakt het hof ook op uit wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verteld over de gang van zaken bij de mediation. Daarbij kwam naar voren dat de e-mail van 20 september 2021 van de heer A. Slagter, de accountant van [verweerder] (bijlage 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg) in de mediation ter sprake is gekomen. In die e-mail wordt vermeld: “Het is uw beider mediator die u heeft verzocht een berekening op te stellen waarmee een waarde kan worden berekend voor het uittreden uit de vof en deling van het privé vermogen.” Op de zitting is door [verweerder] verklaard en door [verzoekster] niet weersproken dat volgens de mediator het te verrekenen bedrag in elk geval veel hoger zou moeten zijn dan het bedrag dat de accountant noemde in die e-mail (€ 350.000). Daarop is volgens de verklaring van [verweerder] een lumpsum van € 560.000 genoemd, waarmee [verzoekster] niet kon instemmen. Vast staat dat partijen uiteindelijk na onderhandeling zijn uitgekomen op een totaalbedrag van € 610.000 tegen finale kwijting. Dit bedrag is opgenomen in het convenant. Daarmee zijn volgens het convenant de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld en is de gemeenschap van woning verdeeld.



4.19.
Namens [verzoekster] is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat niet alle te verrekenen posten in het convenant zijn opgesomd en daarom niet (kenbaar) zijn betrokken in de verrekening. Het hof gaat hieraan voorbij, omdat het feit dat niet alle te verrekenen posten zijn genoemd in het convenant, niet betekent dat die in de mediation niet aan de orde zijn geweest en niet in de verrekening zijn betrokken. In dit kader verwijst het hof nogmaals naar de hiervoor geciteerde zin uit de e-mail van de heer Slagter van 20 september 2021. Het hof leidt uit deze zin af dat de door de accountant opgestelde berekening, die het startpunt vormde van de onderhandelingen tussen partijen die uiteindelijk uitmondden in de afspraak over het totaalbedrag van € 610.000, niet alleen betrekking had op het uittreden van [verzoekster] uit de vennootschap onder firma, maar ook op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (deling van het privé vermogen).



4.20.
Op de zitting hebben de advocaten van partijen bevestigd dat er geen saldi van bankrekeningen zijn overgelegd en dat over de verrekening van de saldi van de privé-bankrekeningen geen geschil was. Dat de bankrekeningen wel en de banksaldi niet zijn vermeld in het convenant, wijst er ook op dat het bedrag van € 610.000,- een lumpsum is als resultaat van onderhandelingen ter beëindiging of voorkoming van onzekerheden en geschillen.



4.21.
Het hof weegt verder mee dat de mediation heeft bestaan uit minimaal drie gezamenlijke gesprekken, waarbij er in elk geval ook nog één afzonderlijk gesprek is geweest tussen [verzoekster] en de mediator. Daaruit blijkt dat [verzoekster] de ruimte en tijd heeft gehad om de (concept)afspraken te bespreken, daarover duidelijkheid te krijgen en de voor- en nadelen daarvan af te wegen. Daarnaast bood de mediation de mogelijkheid om inlichtingen bij derden in te winnen. [verzoekster] heeft verklaard dat ze eraf wilde zijn, ze rust en duidelijkheid wilde en een huis wilde kunnen kopen. Onder die omstandigheden is het naar het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk dat [verzoekster] ter voorkoming of beëindiging van eventuele geschillen instemde met het bedrag van € 610.000.


4.22.
Het hof leidt uit hetgeen [verzoekster] in haar inleidende dagvaarding van 17 december 2024 heet gesteld (onder 8 t/m 14) dat zij pas is gaan twijfelen aan de gemaakte afspraken toen haar in 2024 werd gevraagd een document te ondertekenen voor de levering van onroerend goed. Daarvoor waren die twijfels er kennelijk niet. Het convenant is ook uitgevoerd: [verzoekster] heeft begin 2022 de afgesproken betaling van € 250.000 ontvangen en ontvangt ook de maandelijkse afbetaling van € 2.000. Enkel de levering van het aandeel van [verzoekster] in de woning moest nog plaatsvinden. Toen dat bijna drie jaar later na de ondertekening van het convenant aan de orde was, uitte [verzoekster] haar bedenkingen bij de in het convenant gemaakte afspraken over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Eerder niet.


4.23.
In het licht van al het voorgaande legt het hof de door partijen in hun echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden conform de Haviltex-maatstaf dan ook uit als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW.



Dwaling/benadeling van meer dan een kwart





4.24.
Voor zover [verzoekster] zich beroept op dwaling of op benadeling van meer dan een kwart overweegt het hof als volgt.



4.25.
Slechts onder bepaalde omstandigheden kan een vaststellingsovereenkomst worden vernietigd wegens dwaling (zowel dwaling op grond van artikel 6:228 BW als wegens benadeling voor meer dan een kwart als bedoeld in artikel 3:196 BW). Het moet dan gaan om dwaling ten aanzien van andere feiten en omstandigheden dan die ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of waarover onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400) of om een dwaling die het gevolg is van inlichtingen (of een gebrek daaraan) van de wederpartij als genoemd in artikel 6:228 lid 1, onder a of b BW (HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR2013:BY3129).



4.26.

Naar het oordeel van het hof heeft [verzoekster] onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een dwaling ten aanzien van andere feiten en omstandigheden dan waarover werd getwist of waarover nog onduidelijkheid bestond. Evenmin heeft zij aangetoond dat een eventuele dwaling van [verzoekster] is te wijten aan [verweerder] .
Hieruit en uit wat hiervoor onder 4.13 tot en met 4.25 is overwogen, volgt dat de grieven van [verzoekster] die betrekking hebben op dwaling en op benadeling van meer dan een kwart niet slagen en daarom ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden.




4.27.
Uit het voorgaande volgt dat het hof niet toekomt aan de bespreking van grief II van [verweerder] in het incidenteel hoger beroep. Deze grief ziet immers op de door de rechtbank in het bestreden vonnis opgenomen overweging betreffende het beroep van [verzoekster] op artikel 3:196 BW.



Dwangsom





4.28.

[verweerder] vordert in zijn incidenteel hoger beroep medewerking van [verzoekster] aan de notariële overdracht aan hem van het aandeel van [verzoekster] in de voormalige echtelijke woning op straffe van een dwangsom. Het hof zal dit onderdeel van de vordering van [verweerder] afwijzen bij gebrek aan voldoende belang. Het bestreden vonnis, dat door het hof in stand wordt gelaten, veroordeelt [verzoekster] al tot medewerking en geeft [verweerder] al de mogelijkheid tot reële executie indien [verzoekster] haar medewerking zou weigeren. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om aan de veroordeling van [verzoekster] ook nog een dwangsom te verbinden. Daarbij komt dat [verweerder] zo nodig al op grond van artikel 5.8 onder d van het convenant bij [verzoekster] een boete kan opeisen.



Conclusie





4.29.
Grief I in het principaal hoger beroep faalt en de overige grieven in het principaal hoger beroep bouwen daarop voort en delen daarom dat lot. Het principaal hoger beroep slaagt niet.



4.30.
Grief I in het incidenteel hoger beroep faalt en grief II in het incidenteel hoger beroep behoeft geen verdere bespreking. Grief III in het incidenteel hoger beroep faalt ook, zoals hierna volgt uit 4.31. Het incidenteel hoger beroep slaagt ook niet.



4.31.
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege het feit dat [verzoekster] en [verweerder] gewezen echtgenoten zijn, de procedure bij de rechtbank en die in hoger beroep daaruit voortvloeit en deze betrekking heeft op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Niet is gebleken dat een van de partijen misbruik van procesrecht heeft gemaakt of nodeloos kosten heeft veroorzaakt. Daarom zal het hof ook de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de proceskosten bekrachtigen en beslissen als volgt.





5De beslissing


Het hof:



5.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 juli 2025;



5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het hoger beroep;



5.3.
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. K.H.P. Selcraig, J.G. Knot en L. van Dijk en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.