Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:6090

2026-09-22 Civiel recht 200.356.550
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-22
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.356.550
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tegenbewijs tegen voorshands bewezen geachte stelling en Tegenbewijs tegen bewijsvermoeden van art 3:34 lid 1 BW

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.852 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof: 200.356.550
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 572447)




arrest van 22 september 2026




in de zaak van





1 [appellante1]
die woont in [woonplaats1]
2 [appellante2]
die woont in [woonplaats2]
3 [appellant3]

die woont in [woonplaats3]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de erfgenamen
advocaat: mr. H. Scheper



tegen





[geïntimeerde]
, zowel in zijn hoedanigheid van erfgenaam (privé) als in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster]
die woont in [woonplaats4]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: de executeur
advocaat: mr. M.J. Meijer







1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.
De erfgenamen hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 2 april 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep


het tussenarrest van 12 augustus 2025


het journaalbericht van mr. Scheper van 9 oktober 2025 met 6 producties


het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025


de memorie van grieven


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep


de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep








2De kern van de zaak


2.1.
Partijen zijn alle vier neven en nichten van mevrouw [erflaatster] (erflaatster), die [in] 2021 is overleden. Bij testament van 4 november 2019 heeft erflaatster partijen voor gelijke delen tot haar enig erfgenamen benoemd en de executeur tot executeur. De zaak gaat over het verschil van inzicht over de wijze waarop de nalatenschap van erflaatster door de executeur is afgewikkeld.



2.2.
De erfgenamen hebben, samengevat, bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat de executeur onrechtmatig heeft gehandeld en in verband daarmee een bedrag gevorderd van € 97.402,53 met de buitenrechtelijke kosten en de proceskosten.



2.3.
De rechtbank heeft de verklaring voor recht afgewezen maar heeft de executeur wel veroordeeld om aan de erfgenamen € 7.780,80 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2023 en € 41.599,23 te betalen. De proceskosten zijn gecompenseerd. De bedoeling van het hoger beroep van de erfgenamen is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. De bedoeling van het incidentele hoger beroep van de executeur is dat toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.



2.4.
Het hof zal beslissen dat de executeur bewijs mag leveren dat het voorshands vermoeden dat erflaatster hem een bedrag van € 45.000 heeft toegezegd voor bewezen diensten en dit bedrag ook zelf heeft overgemaakt niet juist is, en, als dat komt vast te staan, dat het vermoeden dat die rechtshandeling onder invloed van een stoornis is gedaan, ook niet juist is. Het hof houdt de verdere beslissing aan.






3De toelichting op de beslissing van het hof



Principaal hoger beroep




3.1.
Onderdeel van het geschil tussen partijen vormt een bedrag van € 45.000 dat tussen [datums] 2021, kort voor haar overlijden [in] 2021, in delen van diverse rekeningen van erflaatster naar een rekening van de executeur is overgeboekt. De erfgenamen stellen dat de executeur deze bedragen zelf zonder instemming van erflaatster naar zijn eigen rekening heeft overgemaakt. De executeur voert aan dat deze bedragen door erflaatster zelf aan hem zijn overgemaakt uit dankbaarheid voor de jarenlange en intensieve goede zorgen van de executeur en diens echtgenote.



3.2.
In het dossier zitten bankafschriften van rekeningen van erflaatster bij de ABN-AMRO Bank. Daaruit blijkt dat op verschillende momenten diverse bedragen van een tweetal rekeningen van erflaatster worden overgeschreven naar een rekening van de executeur bij de ING eindigend op [cijfers] . Het gaat om de volgende betalingen:










Rekening


Datum


Bedrag


Omschrijving





[nummer]




[datum] 2021


€ 6.500



overboeking in opdracht van [erflaatster]






[nummer]




[datum] 2021


€ 3.500



overboeking naar privé in opdracht van [erflaatster]






[nummer]




[datum] 2021


€ 10.000



overboeking naar privé in opdracht van [erflaatster]






[nummer]




[datum] 2021


€ 5.000



overboeking in opdracht van [erflaatster]






[nummer]




[datum] 2021


€ 20.000



overboeking









3.3.
De erfgenamen baseren hun vordering volgens grief 1 primair op onrechtmatige handelen door de executeur (art 6:162 BW). In de grief 2 en 3 stellen de erfgenamen subsidiair dat de executeur misbruik van omstandigheden heeft gemaakt (artikel 3:44 BW) dan wel dat, zo de erflaatster al € 45.000 aan de executeur heeft toegezegd en betaald, haar wil daarop heeft ontbroken omdat haar geestesvermogens tenminste tijdelijk waren gestoord (artikel 3:34 BW).



3.4
Het staat wel vast dat de executeur al geruime tijd voor de opname in het hospice op [datum] 2021 zorg en aandacht besteed heeft aan erflaatster en dat de relatie tussen erflaatster en de andere drie erfgenamen de laatste jaren veel minder intensief was. Ook is niet in geschil dat erflaatster voor haar opname in het hospice nooit gesproken heeft over een vergoeding voor de door de executeur en zijn echtgenote verleende diensten. De executeur verklaarde daarover: “Toen tante in het hospice lag, zei ze dat ze met mij wilde afrekenen. Dat gold niet alleen voor mij, maar ook voor mijn echtgenote. Zij heeft een zelfde rol gespeeld als ik als mantelzorger. In de periode dat wij heel intensief contact hadden is er nooit een euro over de tafel gegaan. Ze vond dat ze wat terug moest doen”. Ook het levenstestament en het testament van erflaatster, beide van 4 november 2019, geven geen aanknopingspunt voor de wens van erflaatster om de executeur een - aanzienlijk - bedrag te betalen voor zijn diensten, anders dan het gebruikelijke loon voor zijn werkzaamheden als executeur na de dood van erflaatster. Zo mocht de executeur volgens artikel IX lid 1 van het levenstestament als gevolmachtigde geen loon in rekening brengen.



3.5

Volgens het journaal van het hospice waar erflaatster van [datum] 2021 tot haar overlijden [in] 2021 verbleef, was erflaatster op sommige momenten helder maar op andere momenten verward. Dat laatste is door medewerkers van het hospice geconstateerd op [datum] “tegen 5u werd mevr. wakker, verward, misselijk”; op [datum] : “ging per ongeluk op de postoel zitten ipv. op het toilet (iets verward)”; op [datum] “hoe verward kan een mens zijn”; op [datum] : “...geeft aan dat mevrouw bij vlagen warrig was” en op [datum] : “Mevrouw riep van alles en trok het kastje naar zich toe om het vervolgens richting [erflaatster] te duwen/gooien”. En uit het journaal van de huisartsenpraktijk waar erflaatster patiënte was blijkt dit beeld in de laatste dagen van haar leven ook. Op [datum] wordt genoteerd: “breedsprakig in antwoorden; raakt raad kwijt”. Maar ook: “helder bewustzijn; orientatie goed”. En op [datum] : “visuele hallucinaties; hyperacusis; …; kan niet aangeven wat ze wil”.
De executeur schrijft op [datum] aan de medewerkers van het hospice: “…mijn tante onder de gegeven omstandigheden niet de makkelijkste patiënt is, erg verward is geworden en soms onhebbelijk reageert “.




3.6.
Gelet op de stellingen van partijen moet het hof beoordelen of erflaatster aan de executeur een beloning heeft toegezegd en betaald maar ook, als dat komt vast te staan, of die toezegging en betaling overeenstemmen met de wil van erflaatster. In dat geval moet ook beoordeeld worden of de executeur het tot stand komen van de toezegging en de betaling heeft bevorderd terwijl hij wist of had moeten begrijpen dat erflaatster door bijzondere omstandigheden, zoals afhankelijkheid of een abnormale geestestoestand werd bewogen.



3.7.
De executeur heeft gesteld dat erflaatster niet alleen een bedrag van € 45.000 heeft toegezegd voor bewezen diensten of uit hoofde van een natuurlijke verbintenis maar dat zij dit bedrag ook zelf heeft overgemaakt naar de rekening van de executeur. Het hof acht die stelling voorshands niet waarschijnlijk. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid dat tot de opname van erflaatster in het hospice in de terminale laatste fase van haar leven nooit sprake is geweest van enige vergoeding voor de diensten van de executeur en zijn echtgenote (zie rov 3.4.). Ook slaat het hof acht op de geestelijke en lichamelijke gesteldheid van erflaatster zoals die blijkt uit het dossier (zie rov 3.5.). Het algemene beeld wat daaruit oprijst verhoudt zich niet met een vrouw die welbewust een paar dagen voor haar overlijden nog zelf € 45.000 overmaakt, laat staan op de wijze waarop dat is gedaan. Op dat moment had de executeur al meegedeeld dat de situatie was ingetreden waarop de volmacht zag. Het bedrag van € 45.000 bevreemdt het hof ook. Nergens blijkt uit het dossier een relatie tussen dit bedrag en de verleende goede diensten. En het komt het hof onwaarschijnlijk voor dat iemand die bij haar volle verstand een ander een aanzienlijke vergoeding wil geven dit in de geschetste situatie uitvoert door overschrijving van dit bedrag van meerdere rekeningen en op meerdere dagen en die overschrijving(en) voorziet van de (enkele) omschrijving “overboeking in opdracht van [erflaatster] ”. Dat is namelijk de (afgekorte) voornaam van erflaatster zelf en dat is erg vreemd als de overboekingen door haarzelf zijn gedaan, zoals de executeur (ook) stelt. Het hof vermoedt daarom voorshands dat de executeur deze bedragen zonder toestemming van de erflaatster zelf heeft overgeboekt naar zijn rekening, hetgeen onrechtmatig is. De executeur mag dit vermoeden ontkrachten door het leveren van tegenbewijs.



3.8
Als de executeur in het leveren van tegenbewijs slaagt en dus vast komt te staan dat erflaatster een bedrag van € 45.000 heeft toegezegd en zelf betaald heeft zal beoordeeld moeten worden of die toezegging en betaling overeenstemmen met de wil van erflaatster. De constateringen van de destijds direct betrokkenen in de omgeving van erflaatster, inclusief de executeur zelf, laten naar het oordeel van het hof geen andere mogelijkheid open dat geestvermogens van erflaatster in de periode dat zij in het hospice verbleef tenminste tijdelijk gestoord waren (zie rov 3.5.). Dat betekent ook dat haar verklaring om aan executeur € 45.000 te willen betalen, zoals door de executeur gesteld, wordt vermoed onder invloed van een stoornis te zijn gedaan. Niet ter discussie staat dat die rechtshandeling voor erflaatster en haar rechtsopvolgers onder algemene titel – waaronder de erfgenamen - nadelig was en dat dit nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze was te voorzien. En dus is het op grond van het bepaalde in de laatste volzin van artikel 3:34 lid 1 BW ook aan de executeur om dat vermoeden te ontzenuwen.



3.9
Om proceseconomische redenen zal het hof de executeur in staat stellen om het tegenbewijs tegen beide vermoedens tegelijkertijd te leveren en zal het de behandeling van de overige grieven in het principaal hoger beroep aanhouden tot na de bewijslevering.






4De beslissing


Het hof, beslissende in principaal en incidenteel hoger beroep:



4.1.
Het hof laat de executeur toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat erflaatster hem niet een bedrag van € 45.000 heeft toegezegd voor bewezen diensten en dat erflaatster dit bedrag ook niet zelf heeft overgemaakt, en, als de executeur dit tegenbewijs levert, ook tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat die rechtshandelingen onder invloed van een stoornis is gedaan.



4.2.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. J.U.M. van der Werff de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.



4.3.
De executeur moet op dinsdag 20 oktober 2026 (roldatum) laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.



4.4.
De executeur moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste 10 dagen voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.



4.5.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet ervoor zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de zitting een kopie van die stukken hebben ontvangen.



4.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Prakke-Nieuwenhuizen en P.B. Kamminga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.