Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:6021

2026-09-15 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/2057
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2057
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Proceskostenvergoeding.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.325 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/2057
uitspraakdatum: 15 september 2026



Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank) van 17 juli 2025, nummer ZWO 24/1292, in het geding tussen belanghebbende en




de heffingsambtenaar van de regionale belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte (hierna: de heffingsambtenaar)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het jaar 2023 vastgesteld op € 389.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: ozb) opgelegd.



1.1.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag ozb gehandhaafd.



1.2.
De Rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de waarde van de woning verminderd tot € 375.000 en de aanslag ozb dienovereenkomstig verminderd. Daarbij heeft de Rechtbank aan belanghebbende een vergoeding van griffierecht (€ 51) en proceskosten (€ 1.230,50) toegekend.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.



1.4.
Het Hof heeft partijen gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn van twee weken niet te kennen gegeven van dat recht gebruik te willen maken. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het gaat om een bovenwoning van 122 m2 (bouwjaar 1993), met berging/schuur en twee dakterrassen.



2.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning voor het jaar 2023 (waardepeildatum 1 januari 2022) bij beschikking vastgesteld op € 389.000.



2.3.
Belanghebbende heeft tegen die beschikking bezwaar gemaakt onder aanvoering van verschillende bezwaargronden waarom die waarde te hoog is. Het bezwaarschrift bevat tevens het verzoek een afschrift te verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde (als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ; hierna: de toezendplicht). Ten slotte verzoekt belanghebbende te worden gehoord, alvorens uitspraak op bezwaar wordt gedaan.



2.4.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking - evenals de aanslag ozb - gehandhaafd. In het kader van de toezendplicht heeft de heffingsambtenaar verwezen naar een zogenoemd verantwoordingsdocument als ook het taxatieverslag dat belanghebbende via een toegezonden link heeft kunnen raadplegen. Naar aanleiding van het verzoek om te worden gehoord heeft de heffingsambtenaar opgemerkt dat het horen op verzoek van belanghebbende schriftelijk (per mail) heeft plaatsgevonden. De in dat kader schriftelijk naar voren gebrachte grieven heeft de heffingsambtenaar betrokken in de herbeoordeling van de waarde.



2.5.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. In het beroepschrift heeft belanghebbende met betrekking tot de waardevaststelling van de woning meerdere beroepsgronden aangevoerd, onder meer over scheurvorming in de binnen- en buitenmuren van de woning en de invloed daarvan op de waarde. Het beroepschrift bevat verder de klacht dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden door in de uitspraak op bezwaar niet (voldoende) in te gaan op (alle) aangevoerde bezwaargronden.



2.6.
Op 27 maart 2024 heeft belanghebbende in aanvulling op het beroepschrift geklaagd over schending van de toezendplicht, omdat de heffingsambtenaar niet alle gevraagde gegevens zou hebben verstrekt.



2.7.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een nieuwe taxatiematrix ter onderbouwing van de waarde. Hierin is een nieuw vergelijkingspand opgenomen ter vervanging van het vergelijkingspand [adres2] , welk pand volgens belanghebbende niet (goed) vergelijkbaar was. De KOUDV-factoren van de woning van belanghebbende zijn als gemiddeld beoordeeld (“3”). Verder heeft de heffingsambtenaar gewezen op de gerealiseerde verkoopprijs van de woning op 3 juni 2024 van € 440.000, ter indicatie dat de vastgestelde waarde niet te hoog is.



2.8.
Bij nader stuk van 2 juli 2025 (met als onderwerp ‘aanvulling beroepschrift’) heeft belanghebbende inhoudelijk op de taxatiematrix gereageerd. Volgens belanghebbende is de correctie wegens afnemend grensnut niet goed toegepast en is onvoldoende rekening gehouden met de invloed van de scheurvorming in de binnen- en buitenmuren op de waarde van de woning. Daarvoor heeft belanghebbende verwezen naar het bij de eerdere aanvulling (zie 2.6) overgelegde fotoblad.



2.9.
Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende – na een toelichting van de heffingsambtenaar – zijn stelling over de toepassing van de correctie wegens afnemend grensnut laten varen. Op de zitting is het verder gegaan over de scheurvorming en de betekenis van de verkoop van de woning medio 2024.



2.10.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, omdat bij de KOUDV-factoren geen rekening is gehouden met de waardeverminderende invloed van de scheurvorming in de muren van de woning. Dat de woning is gelegen in het centrum en bijna 2,5 jaar later voor € 440.000 is verkocht, zegt volgens de Rechtbank niets over de waardering van die factoren per de waardepeildatum. Aangezien beide partijen hebben nagelaten rekenkundig inzichtelijk te maken hoe een mindere score ( “2” in plaats van “3”) op kwaliteit (“K”) of onderhoud (“O”) doorwerkt in de waarde van de woning, heeft de Rechtbank de waarde in goede justitie bepaald op € 375.000.



2.11.
In de gegrondverklaring van het beroep heeft de Rechtbank aanleiding gezien te gelasten dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoed. Verder heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar en beroep ten bedrage van (in totaal) € 1.230,50. De Rechtbank is daarbij uitgegaan van de proceshandelingen ‘bezwaarschrift’, ‘beroepschrift’ en ‘verschijnen zitting’ (elk 1 punt) tegen een waarde per punt van € 647 voor bezwaar en € 907 voor beroep. De proceskostenvergoeding voor die proceshandelingen bedraagt daarmee € 2.461. De Rechtbank heeft echter aanleiding gezien om die vergoeding te matigen met een factor 0,5 gelet op het uiterst lichte karakter van deze zaak; er is sprake van scheurvorming waardoor één KOUDV-factor van “3” naar “2” gaat. De toegekende proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 1.230,50.






3Geschil


In geschil is of (i) de Rechtbank de proceskostenvergoeding terecht heeft gematigd en (ii) een extra punt moet worden toegekend voor het horen in bezwaar. De waarde van de woning is in hoger beroep niet meer in geschil.






4Beoordeling van het geschil


(i) Matiging proceskosten


4.1.
Het Hof stelt voorop dat voor de toepassing van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) het gewicht van de zaak in zijn geheel in aanmerking moet worden genomen, inclusief de geschilpunten waarop de belanghebbende niet in het gelijk is gesteld. In bezwaar en beroep speelden meer geschilpunten dan alleen een discussie over (één van de) KOUDV-correcties vanwege de scheurvorming in de muren van de woning (zie hiervoor 2.3 tot en met 2.9). Dat het geschilpunt met betrekking tot de waarde van de woning ter zitting van de Rechtbank in de kern daartoe beperkt is gebleven, doet daaraan niet af. Voor zover de Rechtbank is uitgegaan van een minder dan gemiddeld ‘gewicht van de zaak’, en daarom factor 0,5 heeft toegepast (als bedoeld in post C1 van de Bijlage bij het Bpb), is dat daarom niet terecht. In bezwaar en beroep was de zaak van gemiddeld gewicht, zodat uitgegaan moet worden van factor 1.



4.2.
Voor zover de Rechtbank daarvan is uitgegaan, maar de matiging heeft gebaseerd op haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, lid 2, van het Bpb, stelt het Hof voorop dat – anders dan belanghebbende betoogt – niet bepalend is of het gaat om een geval waarin de belanghebbende in het gelijk is gesteld op een punt van ondergeschikt belang. Ook in gevallen waarin de geschilpunten waarop de belanghebbende gelijk krijgt niet van ondergeschikt belang zijn, bestaat de mogelijkheid dat het gewicht van deze punten lichter is dan het gewicht van de zaak in zijn geheel. Naar het oordeel van het Hof is dat hier niet het geval. Belanghebbende betoogde in beroep dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Het beroep is gegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar er niet in is geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Op dat punt is belanghebbende dus in het gelijk gesteld. Dat geschilpunt is niet lichter dan de zaak als geheel. Voor een matiging van de proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 2, van het Bpb bestaat daarom geen aanleiding, nog daargelaten dat de Rechtbank ten onrechte niet per fase heeft beoordeeld of dat artikellid voor toepassing in aanmerking komt.



4.3.
Evenmin ziet het Hof aanleiding om de proceskostenvergoeding met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Bpb te matigen, zoals de heffingsambtenaar voorstaat.


(ii) Extra punt voor horen in bezwaar?



4.4.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een extra punt moet worden toegekend voor het horen in bezwaar. Op grond van post A5 van de Bijlage bij het Bpb wordt een punt toegekend voor ‘verschijnen hoorzitting (artikel 7:2; 7:16)’. Uit de uitspraak op bezwaar volgt dat belanghebbende op haar verzoek schriftelijk is ‘gehoord’. De schriftelijk naar voren gebrachte ‘hoorgrieven’ zijn meegenomen in de herbeoordeling van de waarde, aldus de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft een en ander niet bestreden. Van een hoorzitting waarbij belanghebbende is verschenen, is dus geen sprake geweest. De Rechtbank heeft voor het horen in bezwaar daarom terecht geen punt toegekend. Dat partijen in het kader van het schriftelijk ‘horen’ van post A5 van de Bijlage bij het Bpb afwijkende afspraken hebben gemaakt op grond waarvan toch een punt in aanmerking moet worden genomen voor het horen, is gesteld noch gebleken.



Slotsom




4.5.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de vergoeding van kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep met inachtneming van het voorgaande hierna opnieuw berekenen, dus met toepassing van factor 1 voor het ‘gewicht van de zaak’ en zonder matiging op grond van het bepaalde in artikel 2, lid 2 of lid 3, van het Bpb.






5Griffierecht en proceskosten


5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.



5.2.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Bpb vast op € 666 voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 666), € 1.868 voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934), en € 46,70 voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt (hogerberoepschrift)  wegingsfactor 0,5  € 934  0,1), ofwel in totaal € 2.580,70.



5.3.
De proceskostenvergoeding voor de behandeling van het hoger beroep is berekend met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien door belanghebbende geen feiten zijn gesteld die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat.






6Beslissing


Het Hof:


– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend voor zover het de beslissing over de proceskosten betreft,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.580,70,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.






Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. van Ophoven als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.





De griffier, De raadsheer,







(K.M. van Ophoven) (V.F.R. Woeltjes)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, r.o. 4.2.4.


HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, r.o. 4.2.5.


HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283, r.o. 4.2.3.