Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:6019

2026-09-15 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/1674
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1674
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026100207

Inhoudsindicatie

Kansspelbelasting. Nederlandse kansspelbelasting over in Duitsland gewonnen geldprijs. Geen belemmering vrijedienstenverkeer.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.957 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/1674
uitspraakdatum: 15 september 2026




Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 1 augustus 2024, nummer LEE 23/3289, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/Kansspelbelasting (hierna: de Inspecteur)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Belanghebbende heeft een bedrag van € 38.947 aan kansspelbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.



1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft beroep bij de Rechtbank ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend en beide partijen hebben voor de zitting een pleitnota ingediend.



1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn partner [naam1] , alsmede namens de Inspecteur [naam2] en [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.



1.7.
Op 28 augustus 2026 heeft het Hof van belanghebbende een bericht met dagtekening 26 augustus 2026 ontvangen. Het Hof zal aan de inhoud van dit stuk voorbijgaan omdat het onderzoek ter zitting op 25 augustus 2026 reeds was gesloten en het Hof in de inhoud van dit stuk geen aanleiding vindt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht te heropenen. Zoals reeds aan belanghebbende is meegedeeld heeft de griffier aantekening gehouden van het verhandelde ter zitting en is van de zitting een proces-verbaal opgemaakt. Het Hof zal dit nadere stuk van belanghebbende derhalve niet meenemen bij de beoordeling. Voor de volledigheid en vanuit het oogpunt van transparantie is het stuk wel aan het dossier toegevoegd en zal het tegelijk met de uitspraak op digitale wijze aan de Inspecteur worden vrijgegeven.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende heeft de Duitse nationaliteit en is sinds [jaartal] woonachtig in Nederland.



2.2.
Belanghebbende heeft in Duitsland een lot gekocht voor een bedrag van € 2 voor de deelname aan de ‘Eurojackpotloterij’ (hierna: de loterij). Op 10 mei 2022 heeft belanghebbende met dit lot in de loterij een geldprijs van € 134.300 gewonnen, welk bedrag belanghebbende heeft ontvangen.



2.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 13 mei 2022, door de Inspecteur ontvangen op 19 mei 2022, aangifte kansspelbelasting gedaan met betrekking tot de gewonnen geldprijs naar een bedrag van € 38.947 (29% van de gewonnen geldprijs van € 134.300) en dit bedrag op 30 mei 2022 voldaan. Belanghebbende heeft tegen deze voldoening bezwaar gemaakt.



2.4.
De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 23 mei 2023 ongegrond verklaard.



2.5.
Op 1 augustus 2024 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van belanghebbende. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij dat oordeel heeft de Rechtbank overwogen dat het heffen van kansspelbelasting in dit geval niet tot een schending van artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) leidt, omdat Nederland een binnen- en buitenlandse loterij juist gelijk belast. Ook heeft de Rechtbank overwogen dat de heffingssystematiek in Wet op de kansspelbelasting, namelijk het belasten van de opbrengst en niet de deelname, niet tot gevolg heeft dat er sprake is van een ongelijke behandeling of dat artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de kansspelbelasting buiten toepassing gelaten moet worden. Tot slot heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) te stellen.






3Geschil


3.1.
In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht een bedrag van € 38.947 aan kansspelbelasting heeft voldaan. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de heffing van kansspelbelasting in het onderhavige geval strijd oplevert met het vrije verkeer van diensten als bedoeld in artikel 56 van het VWEU. Daartoe voert hij – onder meer – het volgende aan:

- er is sprake van een verboden belemmering omdat de (door belanghebbende zo genoemde) afroming door de Nederlandse fiscus (heffing van Nederlandse kansspelbelasting) het minder aantrekkelijk maakt om aan de Duitse loterij deel te nemen, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Belanghebbende verwijst daarvoor naar de punten 18, 19 en 20 van het arrest Lindman (HvJ EG 13 november 2003, zaak C-42/02, ECLI:EU:C:2003:613);
- door de toepassing van artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de kansspelbelasting is de vrijstelling die onder de op 29 december 2010 ingetrokken Leidraad Loterijbelasting (Leidraad bij de Wet op de loterijbelasting, Beschikking van 15 december 1961, nr. B1/22403) gold voor prijzen die waren gewonnen in een Duitse loterij feitelijk weer teruggenomen. Belanghebbende stelt expliciet niet dat deze Leidraad niet had mogen worden ingetrokken, want, zo heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard, de in de Leidraad Loterijbelasting opgenomen vrijstelling was door de werking van de vrijheden niet (meer) nodig. Volgens belanghebbende werkt artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de kansspelbelasting daardoor alleen ter zake van loterijen van buiten de EU. Door de heffing van kansspelbelasting ter zake van prijzen in de Duitse loterij wordt deelname aan deze loterij bewust minder aantrekkelijk gemaakt;
- er is sprake van indirecte discriminatie nu hij als inwoner van Nederland anders wordt behandeld dan deelnemers die in Duitsland wonen; de miljoenen Duitse deelnemers aan de loterij worden in Duitsland bij het winnen van een prijs niet belast met kansspelbelasting. De Duitse dienstverlening wordt door de Nederlandse heffing ernstig verstoord;
- er is sprake van een ongelijke behandeling omdat in de Wet op de kansspelbelasting een onderscheid wordt gemaakt tussen binnenlandse loterijen (artikel 1, aanhef en onderdeel g) en buitenlandse loterijen (artikel 1, aanhef en onderdeel h), op grond waarvan ter zake van eerstgenoemde loterijen van alle gerechtigden tot een prijs kansspelbelasting wordt geheven en ter zake van buitenlandse loterijen alleen van de inwoners van Nederland. Voor Nederlandse loterijen geldt dus een gelijke behandeling voor alle deelnemers, welke gelijke behandeling belanghebbende ook wenst te ervaren met de in Duitsland wonende deelnemers aan de (Duitse) loterij. Dit betekent volgens belanghebbende dat voor hem ook de in Duitsland geldende vrijstelling van kansspelbelasting van toepassing moet zijn, omdat anders sprake is van een voorkeursbehandeling in de (regeling voor de) Nederlandse loterij (waarin iedereen gelijk behandeld wordt), die deelname aan een Duitse loterij onaantrekkelijk maakt;
- er is sprake van indirecte discriminatie omdat de prijswinnaar in een Nederlandse loterij enkel inkomstenbelasting – zo beschouwt belanghebbende de kansspelbelasting die wordt geheven over de gewonnen geldprijs – betaalt terwijl ter zake van de Duitse loterij daarnaast in Duitsland bij de organisator van de loterij 20% belasting wordt geheven over het bedrag van de inleg. Dit maakt deelname van inwoners van Nederland aan de Duitse loterij onaantrekkelijk.


Belanghebbende verzoekt het Hof, indien het Hof hem geen gelijk geeft, prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de toepassing van artikel 56 van het VWEU. Daartoe heeft belanghebbende een in het Duits opgesteld stuk overgelegd.




3.3.
De Inspecteur heeft alle door belanghebbende aangevoerde stellingen gemotiveerd betwist en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil


4.1.
Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de kansspelbelasting (tekst 2022) wordt onder de naam kansspelbelasting een belasting geheven van – voor zover van belang – de in Nederland wonende of gevestigde gerechtigden tot de prijzen van buitenlandse kansspelen, niet zijnde kansspelen op afstand. In het geval voormeld artikelonderdeel van toepassing is, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de kansspelbelasting de belasting geheven naar de prijzen. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet op de kansspelbelasting bedraagt de belasting 29 percent.



4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval – afgezien van het hierna te beoordelen beroep op schending van artikel 56 van het VWEU – artikel 1, aanhef en onder h, van de Wet op de kansspelbelasting van toepassing is en dat de op basis daarvan door belanghebbende voldane belasting juist is berekend. Het Hof ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.



Schending van artikel 56 van het VWEU?




4.3.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat alle door hem aangevoerde stellingen en argumenten dienen ter onderbouwing van zijn betoog dat de heffing van kansspelbelasting in het onderhavige geval strijd oplevert met het vrije verkeer van diensten als bedoeld in artikel 56 van het VWEU. Tussen partijen is niet in geschil dat het vrije verkeer van diensten binnen de Unie in dit geval van toepassing is. Gelet op de ingenomen stellingen en aangevoerde argumenten, ziet het Hof zich voor de vraag geplaatst of sprake is van schending van het discriminatieverbod dan wel van belemmering van het vrije verkeer door toepassing van het Nederlandse regime voor buitenlandse kansspelen in de Wet op de kansspelbelasting.



4.4.
Volgens vaste rechtspraak verbiedt artikel 56 van het VWEU niet alleen elke discriminatie van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter op grond van diens nationaliteit, maar tevens elke beperking en elke belemmering van het vrij verrichten van diensten, ook indien deze zonder onderscheid gelden voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere lidstaten (vgl. HvJ EG 13 februari 2003, zaak Commissie/Italië, C-131/01, ECLI:EU:C:2003:96, punt 26, en voormeld arrest Lindman, punt 20).



4.5.
Het Hof stelt voorop dat op het niveau van de Europese Unie geen verplichting bestaat om op het gebied van de kansspelbelasting te komen tot harmonisatie laat staan uniformering en dat elke lidstaat bevoegd is zijn eigen wetgeving toe te passen, mits het Unierecht wordt gerespecteerd. Geen van beide lidstaten behoeft op voorhand terug te treden en er bestaat geen verplichting om wetgeving en beleid af te stemmen. Het Hof zal daarom uitsluitend beoordelen of Nederland het discriminatieverbod schendt of het vrijedienstenverkeer belemmert.



4.6.
Belanghebbende betoogt niet dat sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit, maar van indirecte discriminatie, omdat volgens hem onderscheid wordt gemaakt naar woonplaats. Naar het oordeel van het Hof is daarvan geen sprake. In Nederland wonende gerechtigden tot prijzen in Nederlandse en buitenlandse loterijen worden op gelijke wijze in de heffing van Nederlandse kansspelbelasting betrokken. Belanghebbende heeft dit ter zitting van het Hof desgevraagd beaamd. Dat deelnemers in de Duitse loterij die in Duitsland wonen op grond van de Duitse belastingwetgeving aldaar geen kansspelbelasting verschuldigd zijn over de geldprijs, doet daar niet aan af. Deze omstandigheid vloeit louter voort uit een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels, welke dispariteit niet wordt verboden door het Unierecht. De stelling van belanghebbende dat voor hem ook de in Duitsland geldende vrijstelling van kansspelbelasting van toepassing moet zijn, stuit hierop af. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende gestelde cumulatie met de bij de organisator van de loterij in Duitsland geheven 20% belasting over het bedrag van de inleg van – in dit geval – € 2. Naar het oordeel van het Hof, kan niet worden gezegd dat de Nederlandse kansspelbelasting in strijd is met het Unierecht, nu heffing van die kansspelbelasting op grond van de Nederlandse eenzijdige regeling ter voorkoming van dubbele belasting (artikel 52, eerste lid, Besluit voorkoming dubbele belasting 2001) achterwege blijft indien de prijs in een andere lidstaat is onderworpen aan een soortgelijke belasting (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:900). Gesteld noch gebleken is dat over belanghebbendes geldprijs in Duitsland belasting is geheven. In dit verband merkt het Hof nog op dat de geheven kansspelbelasting, anders dan belanghebbende stelt, geen inkomstenbelasting behelst.



4.7.
Naar het oordeel van het Hof levert de heffing van Nederlandse kansspelbelasting, in het verlengde hiervan, geen belemmering van het vrijedienstenverkeer op. De relevante bepalingen in de Wet op de kansspelbelasting maken geen verschil in behandeling van binnen- en buitenlandse loterijen en werken niet belemmerend op deelname aan buitenlandse loterijen of maken deze niet minder aantrekkelijk. De omstandigheid dat (volgens belanghebbende) sprake is van de hiervoor genoemde cumulatie van heffingen, wat daar overigens van zij, leidt niet tot een andere conclusie. Dat deelname aan de Duitse loterij voor inwoners van Nederland sinds de heffing van kansspelbelasting mogelijk minder aantrekkelijk is dan ten tijde van het gelden van de vrijstelling onder de Leidraad Loterijbelasting, betekent niet dat de Nederlandse fiscale bepalingen voor buitenlandse loterijen minder aantrekkelijk zijn dan die voor binnenlandse loterijen. Ook in het licht van het feit dat een potentiële deelnemer die in Nederland woont verder moet rijden voor het kopen van een lot in een Duitse loterij, zoals belanghebbende nog heeft aangevoerd, leidt het voorgaande niet tot de conclusie dat sprake is van een belemmering van het vrijedienstenverkeer. Belanghebbendes verwijzing naar het arrest Lindman gaat – tot slot – mank, nu daarin een situatie aan de orde was waarin binnen- en buitenlandse loterijen juist wel anders werden behandeld en belanghebbende uit de door hem aangestipte punten van dit arrest (zie 4.4) wat betreft de beoordeling van zijn zaak onjuiste conclusies trekt.



4.8.
Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.



4.9.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU (zie HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2).



4.10.
Het voorgaande brengt met zich dat toepassing van artikel 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de kansspelbelasting in het onderhavige geval geen schending van artikel 56 van het VWEU oplevert.



Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.




De beslissing is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken.





De griffier, De voorzitter,








(E.D. Postema) (G.B.A. Brummer)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.



Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.