Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5956
2026-09-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.371.279/01 en 200.371.279/02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling, aan de wettelijke vereisten voor verlenging wordt voldaan. Artikel 1:255 lid onder a en b en 1:260 lid 1 Burgerlijk Wetboek en artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.339 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.279-01 en 02
zaaknummer rechtbank Gelderland 463499
beschikking van 15 september 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[vader] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.R. van Laar
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd te Nijmegen
en
[moeder] (de moeder)
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. G.M. Koert
1Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] verlengd tot 4 april 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
2.1.
De ouders hebben twee kinderen:
[minderjarige1] , geboren [in] 2020, en
[minderjarige2] , geboren [in] 2024.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] .
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderen staan sinds 4 april 2025 onder toezicht van de GI.
3De procedure bij de kinderrechter
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] verlengd tot 4 april 2027.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 26 maart 2026.
4De procedure bij het hof
4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarom in hoger beroep. De vader wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de GI alsnog afwijst of anders de behandeling van het verzoek aanhoudt en een onderzoek door een onafhankelijke deskundige gelast. De vader wil ook dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling voor de duur van deze procedure geschorst wordt.
4.2.
De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. De GI wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De moeder wil dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift van de vader ontvangen op 25 juni 2026
het verweerschrift van de moeder
de stukken van de vader ingediend op 31 juli 2026
het verweerschrift van de GI
de brief van de raad van 16 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.5.
De zitting bij het hof was op 11 augustus 2026. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat
een vertegenwoordiger van de GI
de moeder
5Het oordeel van het hof
Zaaknummer 200.371.279-02
5.1.
De vader heeft verzocht de uitvoering van de ondertoezichtstelling te schorsen voor de duur van deze procedure. Omdat het hof nu een eindbeschikking zal geven, heeft de vader niet langer belang bij schorsing. Daarom hoeft wat de vader hierover naar voren heeft gebracht niet te worden besproken. Het hof zal het verzoek tot schorsing afwijzen.
Zaaknummer 200.371.279-01
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.3.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
5.4.
In zaken die gaan over een ondertoezichtstelling, kan de rechter een deskundige benoemen. Het verzoek waarin om een deskundigenonderzoek wordt gevraagd, moet voldoende concreet en relevant zijn.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd. Hierna wordt toegelicht op grond waarvan het hof tot deze conclusie komt.
5.6.
Het hof neemt net als de rechtbank in aanmerking dat er in de tijd voor de ondertoezichtstelling sprake was van zeer gespannen verhoudingen tussen de ouders. De vader heeft zich in het verleden dwingend en grensoverschrijdend opgesteld en ten gevolge daarvan is er een lange periode geen contact geweest tussen de kinderen en de vader. Nadat de kinderen onder toezicht zijn gesteld is begeleiding bij het contact tussen de kinderen en de vader van de grond gekomen. Eind 2025 is het contact hersteld en het wordt nu verder uitgebouwd. De kinderen verblijven inmiddels een middag per week vanaf 15.30 uur met begeleiding bij de vader. De vader brengt de kinderen om 18.30 uur met de begeleider terug naar de moeder. De GI is positief over deze situatie en meldt dat de overdrachtsmomenten van de ene naar de andere ouder ook rustig verlopen. De vader heeft dat ook bevestigd.
De GI geeft aan dat er nog niet voldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de vader. Het gaat daarbij niet alleen over de vraag of de vader omgangsmomenten goed kan invullen maar ook over de vraag hoe groot zijn opvoedersrol in de toekomst voor de kinderen kan zijn. Het perspectief van de vader kan pas goed worden ingeschat wanneer de kinderen langer bij hem kunnen verblijven. Daarvoor is volgens de GI nodig dat de vader meer openheid geeft over zijn persoonlijke situatie. Ook zal nog moeten gewerkt aan verdere verbetering van de verstandhouding tussen de ouders.
Het hof kan zich voorstellen dat de vader vindt dat de uitbreiding van het contact erg langzaam gaat. Uit de stukken blijkt dat de begeleide omgang bij de vader thuis goed verloopt en dat de kinderen ook heel blij zijn met het contact met hun vader. Maar dit maakt het feit dat er nog niet voldoende zicht is op zijn opvoedvaardigheden en perspectief niet anders, ook al kan de vader er niets aan doen dat er onvoldoende beschikbare omgangsbegeleiding was na de beslissing van de rechtbank op 11 juni 2025.
Verder neemt het hof net als de rechtbank in aanmerking dat de ouders niet in staat zijn om constructief met elkaar te overleggen over de kinderen. De GI heeft de ouders geadviseerd om een traject Parallel-Solo-Ouderschap te gaan volgen, maar de vader wijst deze mogelijkheid om de situatie beter hanteerbaar te maken van de hand. De vader heeft dit bij de mondelinge behandeling ook weer bevestigd. Hij zou dit alsnog in overweging kunnen nemen, omdat dit ook van belang is om de mogelijkheden tot uitbreiding van het contact met zijn kinderen te vergroten.
De moeder vindt in tegenstelling tot de vader dat de ondertoezichtstelling juist helpt vanwege de kaders die worden geboden. Zij heeft de negatieve uitingen van de vader in het verleden als verbaal geweld ervaren en voelt zich niet veilig bij hem. De vader lijkt nog niet goed in staat om hier rekening mee te houden. Het hof heeft ter zitting waargenomen dat de vader veel verwijten maakt naar de moeder. De GI heeft nader onderbouwd gesteld dat meerdere professionals hebben ervaren dat het voor de vader moeilijk is om aanwijzingen en adviezen te aanvaarden en op te volgen. Hoewel de vader deze stelling betwist, lijkt er toch verbetering mogelijk op dit punt. De vader vindt dat de GI te veel rekening houdt met de belangen van de moeder, maar de GI is een professionele instantie die de belangen van de kinderen vooropstelt en het hof ziet geen aanknopingspunten voor de gedachte dat de GI ‘op de hand van de moeder’ is.
5.7.
Het hof is op basis van alle stukken en alles wat iedereen op de zitting heeft verklaard van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI de regie behoudt en dat aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Voorkomen moet worden dat er nieuwe conflicten tussen de ouders ontstaan en het contact tussen de vader en de kinderen weer in gevaar komt.
5.8.
De vader heeft het hof gevraagd om een onafhankelijk onderzoek door een deskundige te laten doen. Het hof is van oordeel dat de vader dit verzoek onvoldoende concreet heeft omschreven. Voor het hof is niet duidelijk wat volgens de vader dan precies moet worden onderzocht en door wie dat onderzoek moet worden uitgevoerd. Dat de verslagen van het contact tussen de vader en de kinderen ten tijde van het onderzoek door de raad nog niet beschikbaar waren, is in dat kader onvoldoende.
5.9.
De gehele situatie in ogenschouw nemend is het hof van oordeel dat de beslissing van de kinderrechter in stand moet blijven (moet worden bekrachtigd).
5.10.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling en er geen aanleiding is om een van de ouders of de GI in de proceskosten te veroordelen.
6De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 26 maart 2026;
6.2.
compenseert de proceskosten;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os-ten Have en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW
artikel 1:260 lid 1 BW
artikel 810a lid 2 Rv
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.279-01 en 02
zaaknummer rechtbank Gelderland 463499
beschikking van 15 september 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[vader] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.R. van Laar
en
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd te Nijmegen
en
[moeder] (de moeder)
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. G.M. Koert
1Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] verlengd tot 4 april 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
2.1.
De ouders hebben twee kinderen:
[minderjarige1] , geboren [in] 2020, en
[minderjarige2] , geboren [in] 2024.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] .
2.3.
De kinderen wonen bij de moeder.
2.4.
De kinderen staan sinds 4 april 2025 onder toezicht van de GI.
3De procedure bij de kinderrechter
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] te verlengen met een jaar.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] verlengd tot 4 april 2027.
3.3.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
3.4.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 26 maart 2026.
4De procedure bij het hof
4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarom in hoger beroep. De vader wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de GI alsnog afwijst of anders de behandeling van het verzoek aanhoudt en een onderzoek door een onafhankelijke deskundige gelast. De vader wil ook dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling voor de duur van deze procedure geschorst wordt.
4.2.
De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. De GI wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De moeder wil dat de beslissing in stand blijft.
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift van de vader ontvangen op 25 juni 2026
het verweerschrift van de moeder
de stukken van de vader ingediend op 31 juli 2026
het verweerschrift van de GI
de brief van de raad van 16 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
4.5.
De zitting bij het hof was op 11 augustus 2026. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat
een vertegenwoordiger van de GI
de moeder
5Het oordeel van het hof
Zaaknummer 200.371.279-02
5.1.
De vader heeft verzocht de uitvoering van de ondertoezichtstelling te schorsen voor de duur van deze procedure. Omdat het hof nu een eindbeschikking zal geven, heeft de vader niet langer belang bij schorsing. Daarom hoeft wat de vader hierover naar voren heeft gebracht niet te worden besproken. Het hof zal het verzoek tot schorsing afwijzen.
Zaaknummer 200.371.279-01
Wat staat in de wet?
5.2.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
5.3.
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
5.4.
In zaken die gaan over een ondertoezichtstelling, kan de rechter een deskundige benoemen. Het verzoek waarin om een deskundigenonderzoek wordt gevraagd, moet voldoende concreet en relevant zijn.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd. Hierna wordt toegelicht op grond waarvan het hof tot deze conclusie komt.
5.6.
Het hof neemt net als de rechtbank in aanmerking dat er in de tijd voor de ondertoezichtstelling sprake was van zeer gespannen verhoudingen tussen de ouders. De vader heeft zich in het verleden dwingend en grensoverschrijdend opgesteld en ten gevolge daarvan is er een lange periode geen contact geweest tussen de kinderen en de vader. Nadat de kinderen onder toezicht zijn gesteld is begeleiding bij het contact tussen de kinderen en de vader van de grond gekomen. Eind 2025 is het contact hersteld en het wordt nu verder uitgebouwd. De kinderen verblijven inmiddels een middag per week vanaf 15.30 uur met begeleiding bij de vader. De vader brengt de kinderen om 18.30 uur met de begeleider terug naar de moeder. De GI is positief over deze situatie en meldt dat de overdrachtsmomenten van de ene naar de andere ouder ook rustig verlopen. De vader heeft dat ook bevestigd.
De GI geeft aan dat er nog niet voldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de vader. Het gaat daarbij niet alleen over de vraag of de vader omgangsmomenten goed kan invullen maar ook over de vraag hoe groot zijn opvoedersrol in de toekomst voor de kinderen kan zijn. Het perspectief van de vader kan pas goed worden ingeschat wanneer de kinderen langer bij hem kunnen verblijven. Daarvoor is volgens de GI nodig dat de vader meer openheid geeft over zijn persoonlijke situatie. Ook zal nog moeten gewerkt aan verdere verbetering van de verstandhouding tussen de ouders.
Het hof kan zich voorstellen dat de vader vindt dat de uitbreiding van het contact erg langzaam gaat. Uit de stukken blijkt dat de begeleide omgang bij de vader thuis goed verloopt en dat de kinderen ook heel blij zijn met het contact met hun vader. Maar dit maakt het feit dat er nog niet voldoende zicht is op zijn opvoedvaardigheden en perspectief niet anders, ook al kan de vader er niets aan doen dat er onvoldoende beschikbare omgangsbegeleiding was na de beslissing van de rechtbank op 11 juni 2025.
Verder neemt het hof net als de rechtbank in aanmerking dat de ouders niet in staat zijn om constructief met elkaar te overleggen over de kinderen. De GI heeft de ouders geadviseerd om een traject Parallel-Solo-Ouderschap te gaan volgen, maar de vader wijst deze mogelijkheid om de situatie beter hanteerbaar te maken van de hand. De vader heeft dit bij de mondelinge behandeling ook weer bevestigd. Hij zou dit alsnog in overweging kunnen nemen, omdat dit ook van belang is om de mogelijkheden tot uitbreiding van het contact met zijn kinderen te vergroten.
De moeder vindt in tegenstelling tot de vader dat de ondertoezichtstelling juist helpt vanwege de kaders die worden geboden. Zij heeft de negatieve uitingen van de vader in het verleden als verbaal geweld ervaren en voelt zich niet veilig bij hem. De vader lijkt nog niet goed in staat om hier rekening mee te houden. Het hof heeft ter zitting waargenomen dat de vader veel verwijten maakt naar de moeder. De GI heeft nader onderbouwd gesteld dat meerdere professionals hebben ervaren dat het voor de vader moeilijk is om aanwijzingen en adviezen te aanvaarden en op te volgen. Hoewel de vader deze stelling betwist, lijkt er toch verbetering mogelijk op dit punt. De vader vindt dat de GI te veel rekening houdt met de belangen van de moeder, maar de GI is een professionele instantie die de belangen van de kinderen vooropstelt en het hof ziet geen aanknopingspunten voor de gedachte dat de GI ‘op de hand van de moeder’ is.
5.7.
Het hof is op basis van alle stukken en alles wat iedereen op de zitting heeft verklaard van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI de regie behoudt en dat aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt voldaan. Voorkomen moet worden dat er nieuwe conflicten tussen de ouders ontstaan en het contact tussen de vader en de kinderen weer in gevaar komt.
5.8.
De vader heeft het hof gevraagd om een onafhankelijk onderzoek door een deskundige te laten doen. Het hof is van oordeel dat de vader dit verzoek onvoldoende concreet heeft omschreven. Voor het hof is niet duidelijk wat volgens de vader dan precies moet worden onderzocht en door wie dat onderzoek moet worden uitgevoerd. Dat de verslagen van het contact tussen de vader en de kinderen ten tijde van het onderzoek door de raad nog niet beschikbaar waren, is in dat kader onvoldoende.
5.9.
De gehele situatie in ogenschouw nemend is het hof van oordeel dat de beslissing van de kinderrechter in stand moet blijven (moet worden bekrachtigd).
5.10.
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling en er geen aanleiding is om een van de ouders of de GI in de proceskosten te veroordelen.
6De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 26 maart 2026;
6.2.
compenseert de proceskosten;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os-ten Have en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.
artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW
artikel 1:260 lid 1 BW
artikel 810a lid 2 Rv