Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5949
2026-09-15
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.363.893
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.244 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.893
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596247)
beschikking van 15 september 2026
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J. van Andel,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.P. van Stralen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 januari 2026;
het verweerschrift met een productie;
een journaalbericht van mr. J. van Andel van 15 juni 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de man, bijgestaan door zijn advocaat,
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
3De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2021. [de minderjarige1] woont bij de vrouw.
3.2
De man heeft twee kinderen uit een eerdere relatie:
[de minderjarige2] , geboren [in] 2010, en
[de minderjarige3] , geboren [in] 2011.
3.3
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man met ingang van
1 juni 2025 € 318,- per maand aan haar dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] (hierna: kinderalimentatie) dan wel een bijdrage vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige1] . De beslissing op dat verzoek is door de rechtbank aangehouden.
3.4
De man is in eerste aanleg niet verschenen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] vastgesteld op € 318,- per maand met ingang van
1 juni 2025, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in eerste aanleg dan wel dit verzoek af te wijzen dan wel te bepalen dat de man niet in staat is de vastgestelde kinderalimentatie te betalen.
4.3
De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt de rechtbank het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Ingangsdatum
5.1.
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de kinderalimentatie bepaald op 1 juni 2025. De man is het hier niet mee eens. Hij vindt dat als ingangsdatum de datum van de beschikking van de rechtbank moet gelden, te weten 21 oktober 2025. De vrouw voert verweer.
5.2.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De gewijzigde verplichting kan ingaan op de datum dat de omstandigheden zij gewijzigd, de onderhoudsgerechtigde op de hoogte raakte van de wijziging van omstandigheden, het oorspronkelijke verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend of de bestreden beschikking is gegeven. Het wijzigen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht is mogelijk, maar de rechter dient volgens vaste jurisprudentie daarbij terughoudendheid te betrachten, vanwege eventuele ingrijpende gevolgen van een dergelijke wijziging, met name doordat mogelijk een terugbetalingsverplichting voor de onderhoudsgerechtigde ontstaat.
5.3.
In wat de man heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om uit te gaan van een andere ingangsdatum dan 1 juni 2025. Door de man is gesteld dat hij, uitgaande van die ingangsdatum, met terugwerkende kracht in grote financiële problemen komt. De man heeft dit standpunt echter niet nader onderbouwd. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat als ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de man 1 juni 2025 moet worden gehanteerd. De man heeft vanaf die datum rekening kunnen en moeten houden met zijn alimentatieverplichting.
Behoefte [de minderjarige1]
5.4.
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [de minderjarige1] is niet in geschil en staat daarmee vast. De behoefte van [de minderjarige1] bedroeg in 2025 € 477,- per maand. Na de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [de minderjarige1] in 2026 € 499,- per maand.
Draagkracht
5.5.
De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [de minderjarige1] . De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden en de kinderalimentatie die hij al betaalt voor zijn andere kinderen. De eenmanszaak van de man zou zijn opgeheven. Er moet volgens de man dan ook alleen gerekend worden met zijn inkomen uit loondienst. Door de vrouw wordt dit gemotiveerd betwist.
5.6.
Het hof stelt voorop dat op de man de wettelijke plicht rust bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Indien de man, zoals hij stelt, niet over voldoende draagkracht beschikt om aan die verplichting te voldoen, dan is het aan hem om bij bestrijding van die stelling, met een overtuigende onderbouwing te komen. Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de argumenten van de vrouw, onvoldoende overtuigend onderbouwd dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de vrouw verzochte bijdrage aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te voldoen. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
Inkomen man
5.7.
De man heeft in de eerste plaats geen volledige openheid van zaken gegeven over zijn inkomen. De man heeft, tien dagen voor de mondelinge behandeling bij het hof, een jaaropgave 2025 ingediend. Hieruit blijkt een inkomen uit arbeid van € 37.200,- per jaar. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties uit 2026, van dezelfde werkgever, blijkt echter een jaarloon van € 47.050,24. Desgevraagd heeft de man geen duidelijkheid over dit aanzienlijke verschil kunnen geven. De man heeft op de mondelinge behandeling bij het hof wel toegelicht dat zijn eenmanszaak nog niet is opgeheven. Volgens de man heeft hij nog geen tijd gehad om zijn onderneming op te heffen en uit te schrijven uit de daartoe bestemde registers. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de man wel een bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) heeft betaald. Deze bijdrage is men alleen verschuldigd als er inkomsten uit een onderneming zijn genoten. Wanneer men immers alleen in loondienst is, houdt de werkgever de bijdrage Zorgverzekeringswet direct in op het loon. Voor het hof is dan ook niet vast te stellen welk inkomen de man in 2025 respectievelijk 2026 heeft genoten.
Alimentatieverplichtingen
5.8.
Door de man is gesteld dat hij ook alimentatie betaald voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Door de man is enkel een laatste pagina van een beschikking van het hof van 20 september 2012 overgelegd waaruit blijkt dat “iemand” € 219,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Voor het hof is nergens uit te herleiden dat de man hiermee wordt bedoeld. De man heeft zijn standpunt dan ook onvoldoende onderbouwd.
Schulden
5.9.
De man stelt dat hij schulden heeft. Hij zou een studieschuld van € 2.2450,- bij DUO hebben, waarop hij € 150,- per maand aflost. Hij stelt ook dat er sprake is van een openstaande schuld aan Zilveren Kruis van € 877,43. Ten slotte stelt de man dat er sprake is van een achterstand in zijn alimentatieverplichting voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De man heeft in respectievelijk maart, april en mei 2026 maandelijks € 1.500,- overgemaakt naar de moeder van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , mevrouw [naam] . Door de vrouw worden de schulden van de man en de aflossing daarop gemotiveerd betwist.
5.10.
Het hof is van oordeel dat geen rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde extra lasten. Voorop staat dat de wetgever aan de verplichting van ouders om in de kosten van de kinderen te voorzien een hoge prioriteit heeft toegekend: uitgangspunt is dat minderjarige kinderen behoeftig zijn en de ouders hierin zoveel mogelijk dienen te voorzien. Dat brengt met zich dat de noodzaak en de hoogte van eventuele extra lasten die de draagkracht zouden verlagen deugdelijk dienen te worden onderbouwd. De man heeft dit nagelaten. Voor het hof is geenszins te herleiden welke schulden daadwerkelijk op naam van de man staan, wat de hoogte van de schulden is, welke aflossingen de man hierop doet en wat de grondslag daarvan is. Het hof zal dan ook geen rekening houden met de door de man opgevoerde schulden.
5.11.
Ten overvloede merkt het hof op dat uit de door de man overgelegde afschriften blijkt dat hij vanaf april 2025 maandelijks grote bedragen aan de moeder van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , met wie hij volgens de Basisregistratie Personen (GBA) samenwoont, betaalt. Dit is in weerwil met de alimentatieverplichting die hij heeft ten aanzien van [de minderjarige1] . Dat de man, zoals hij stelt, heeft nagelaten de opgelegde kinderalimentatie voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te voldoen, mag niet ten koste gaan van [de minderjarige1] .
Conclusie
5.12.
Aangezien de man zijn stelling dat hij de draagkracht mist om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] niet overtuigend met (bewijs)stukken heeft onderbouwd, gaat het hof er van uit dat de man vanaf 1 juni 2025 de draagkracht heeft voor het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie. Het hof zal de bestreden beschikking bevestigen (bekrachtigen).
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
21 oktober 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, S. Kuijpers en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op
15 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.893
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 596247)
beschikking van 15 september 2026
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J. van Andel,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.P. van Stralen.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 oktober 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna te noemen: de bestreden beschikking.
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 januari 2026;
het verweerschrift met een productie;
een journaalbericht van mr. J. van Andel van 15 juni 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 25 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
de man, bijgestaan door zijn advocaat,
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
3De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] , geboren [in] 2021. [de minderjarige1] woont bij de vrouw.
3.2
De man heeft twee kinderen uit een eerdere relatie:
[de minderjarige2] , geboren [in] 2010, en
[de minderjarige3] , geboren [in] 2011.
3.3
De vrouw heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de man met ingang van
1 juni 2025 € 318,- per maand aan haar dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] (hierna: kinderalimentatie) dan wel een bijdrage vast te stellen als de rechtbank juist oordeelt. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om haar alleen te belasten met het gezag over [de minderjarige1] . De beslissing op dat verzoek is door de rechtbank aangehouden.
3.4
De man is in eerste aanleg niet verschenen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [de minderjarige1] vastgesteld op € 318,- per maand met ingang van
1 juni 2025, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in eerste aanleg dan wel dit verzoek af te wijzen dan wel te bepalen dat de man niet in staat is de vastgestelde kinderalimentatie te betalen.
4.3
De vrouw voert verweer. De vrouw vraagt de rechtbank het verzoek in hoger beroep van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5De motivering van de beslissing
Ingangsdatum
5.1.
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de kinderalimentatie bepaald op 1 juni 2025. De man is het hier niet mee eens. Hij vindt dat als ingangsdatum de datum van de beschikking van de rechtbank moet gelden, te weten 21 oktober 2025. De vrouw voert verweer.
5.2.
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De gewijzigde verplichting kan ingaan op de datum dat de omstandigheden zij gewijzigd, de onderhoudsgerechtigde op de hoogte raakte van de wijziging van omstandigheden, het oorspronkelijke verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend of de bestreden beschikking is gegeven. Het wijzigen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht is mogelijk, maar de rechter dient volgens vaste jurisprudentie daarbij terughoudendheid te betrachten, vanwege eventuele ingrijpende gevolgen van een dergelijke wijziging, met name doordat mogelijk een terugbetalingsverplichting voor de onderhoudsgerechtigde ontstaat.
5.3.
In wat de man heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om uit te gaan van een andere ingangsdatum dan 1 juni 2025. Door de man is gesteld dat hij, uitgaande van die ingangsdatum, met terugwerkende kracht in grote financiële problemen komt. De man heeft dit standpunt echter niet nader onderbouwd. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat als ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de man 1 juni 2025 moet worden gehanteerd. De man heeft vanaf die datum rekening kunnen en moeten houden met zijn alimentatieverplichting.
Behoefte [de minderjarige1]
5.4.
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [de minderjarige1] is niet in geschil en staat daarmee vast. De behoefte van [de minderjarige1] bedroeg in 2025 € 477,- per maand. Na de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [de minderjarige1] in 2026 € 499,- per maand.
Draagkracht
5.5.
De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [de minderjarige1] . De man stelt dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden en de kinderalimentatie die hij al betaalt voor zijn andere kinderen. De eenmanszaak van de man zou zijn opgeheven. Er moet volgens de man dan ook alleen gerekend worden met zijn inkomen uit loondienst. Door de vrouw wordt dit gemotiveerd betwist.
5.6.
Het hof stelt voorop dat op de man de wettelijke plicht rust bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Indien de man, zoals hij stelt, niet over voldoende draagkracht beschikt om aan die verplichting te voldoen, dan is het aan hem om bij bestrijding van die stelling, met een overtuigende onderbouwing te komen. Naar het oordeel van het hof heeft de man, tegenover de argumenten van de vrouw, onvoldoende overtuigend onderbouwd dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de vrouw verzochte bijdrage aan kinderalimentatie voor [de minderjarige1] te voldoen. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
Inkomen man
5.7.
De man heeft in de eerste plaats geen volledige openheid van zaken gegeven over zijn inkomen. De man heeft, tien dagen voor de mondelinge behandeling bij het hof, een jaaropgave 2025 ingediend. Hieruit blijkt een inkomen uit arbeid van € 37.200,- per jaar. Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties uit 2026, van dezelfde werkgever, blijkt echter een jaarloon van € 47.050,24. Desgevraagd heeft de man geen duidelijkheid over dit aanzienlijke verschil kunnen geven. De man heeft op de mondelinge behandeling bij het hof wel toegelicht dat zijn eenmanszaak nog niet is opgeheven. Volgens de man heeft hij nog geen tijd gehad om zijn onderneming op te heffen en uit te schrijven uit de daartoe bestemde registers. De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de man wel een bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) heeft betaald. Deze bijdrage is men alleen verschuldigd als er inkomsten uit een onderneming zijn genoten. Wanneer men immers alleen in loondienst is, houdt de werkgever de bijdrage Zorgverzekeringswet direct in op het loon. Voor het hof is dan ook niet vast te stellen welk inkomen de man in 2025 respectievelijk 2026 heeft genoten.
Alimentatieverplichtingen
5.8.
Door de man is gesteld dat hij ook alimentatie betaald voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Door de man is enkel een laatste pagina van een beschikking van het hof van 20 september 2012 overgelegd waaruit blijkt dat “iemand” € 219,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen. Voor het hof is nergens uit te herleiden dat de man hiermee wordt bedoeld. De man heeft zijn standpunt dan ook onvoldoende onderbouwd.
Schulden
5.9.
De man stelt dat hij schulden heeft. Hij zou een studieschuld van € 2.2450,- bij DUO hebben, waarop hij € 150,- per maand aflost. Hij stelt ook dat er sprake is van een openstaande schuld aan Zilveren Kruis van € 877,43. Ten slotte stelt de man dat er sprake is van een achterstand in zijn alimentatieverplichting voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De man heeft in respectievelijk maart, april en mei 2026 maandelijks € 1.500,- overgemaakt naar de moeder van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , mevrouw [naam] . Door de vrouw worden de schulden van de man en de aflossing daarop gemotiveerd betwist.
5.10.
Het hof is van oordeel dat geen rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde extra lasten. Voorop staat dat de wetgever aan de verplichting van ouders om in de kosten van de kinderen te voorzien een hoge prioriteit heeft toegekend: uitgangspunt is dat minderjarige kinderen behoeftig zijn en de ouders hierin zoveel mogelijk dienen te voorzien. Dat brengt met zich dat de noodzaak en de hoogte van eventuele extra lasten die de draagkracht zouden verlagen deugdelijk dienen te worden onderbouwd. De man heeft dit nagelaten. Voor het hof is geenszins te herleiden welke schulden daadwerkelijk op naam van de man staan, wat de hoogte van de schulden is, welke aflossingen de man hierop doet en wat de grondslag daarvan is. Het hof zal dan ook geen rekening houden met de door de man opgevoerde schulden.
5.11.
Ten overvloede merkt het hof op dat uit de door de man overgelegde afschriften blijkt dat hij vanaf april 2025 maandelijks grote bedragen aan de moeder van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , met wie hij volgens de Basisregistratie Personen (GBA) samenwoont, betaalt. Dit is in weerwil met de alimentatieverplichting die hij heeft ten aanzien van [de minderjarige1] . Dat de man, zoals hij stelt, heeft nagelaten de opgelegde kinderalimentatie voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te voldoen, mag niet ten koste gaan van [de minderjarige1] .
Conclusie
5.12.
Aangezien de man zijn stelling dat hij de draagkracht mist om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] niet overtuigend met (bewijs)stukken heeft onderbouwd, gaat het hof er van uit dat de man vanaf 1 juni 2025 de draagkracht heeft voor het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie. Het hof zal de bestreden beschikking bevestigen (bekrachtigen).
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
21 oktober 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, S. Kuijpers en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op
15 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.