Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5939

2026-09-15 Civiel recht 200.354.504
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.354.504
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenarrest: bewijsopdracht met betrekking tot de vraag wie de contractspartij is.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.244 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.354.504
zaaknummer rechtbank Gelderland 11204842





arrest van 15 september 2026




in de zaak van






[appellant] ( [appellant])
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. S.W. van Dijk



en





[geïntimeerde] B.V. ([geïntimeerde])
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. A. Neophitou






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn , (hierna: de kantonrechter) op 5 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep met daarin opgenomen de grieven


een akte overlegging producties van [appellant]


de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep


de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep tevens akte uitlating producties en akte overlegging producties


het tussenarrest van 24 februari 2026





1.2.
Naar aanleiding van het tussenarrest van 24 februari 2026 heeft op 19 mei 2026 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.









2De kern van de zaak


2.1.
Het gaat hier om de vraag of [appellant] de contractspartij van [geïntimeerde] is (geworden) en zo ja, of de auto die [geïntimeerde] heeft geleverd aan de koopovereenkomst beantwoordt.



2.2.

[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van de koopsom van € 27.445,- , de diagnosekosten van € 3.199,40 , de wettelijke rente over deze bedragen en de proceskosten. Volgens [appellant] voldoet de auto niet aan de koopovereenkomst en heeft hij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [geïntimeerde] moet de koopsom terugbetalen en de door [appellant] als gevolg van de non-conformiteit geleden schade vergoeden, aldus [appellant] . [geïntimeerde] heeft betwist dat de auto niet aan de koopovereenkomst beantwoordt en bestreden dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Met een voorwaardelijke tegenvordering heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 950,00 per maand, dan wel een kilometervergoeding van 0,25 cent per gereden kilometer.



2.3.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en is niet toegekomen aan de voorwaardelijke vorderingen van [geïntimeerde]



2.4.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. [appellant] heeft daarnaast in hoger beroep aanvullend gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van aanvullende kosten die hij heeft gemaakt tot een bedrag van € 376,40 met rente.



2.5.
In het incidentele hoger beroep herhaalt [geïntimeerde] haar verweer dat niet [appellant] maar zijn vader als haar contractuele wederpartij heeft te gelden.



Beslissing van het hof





2.6.
Het hof komt tot een tussenbeslissing. Er dient eerst te worden vastgesteld of [appellant] de contractspartij van [geïntimeerde] is. Het hof zal [appellant] toelaten tot het leveren van bewijs. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.





3De feiten


3.1.
In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.



3.2.

[geïntimeerde] heeft op 4 februari 2023 een Volkswagen Touareg uit 2013 met een hybride aandrijving (hierna: de auto) verkocht voor een bedrag van € 27.445,00. De auto had op dat moment 197.808 km gereden. De op die datum opgemaakte koopovereenkomst vermeldt als “gegevens relatie” het bedrijf “ [naam1] ” en de naam [naam2] (de vader van [appellant] , hierna: [naam2] ). [naam2] heeft deze koopovereenkomst ondertekend.



3.3.
De op 6 februari 2023 gedateerde factuur 3073149 is gericht aan [naam1] , t.a.v. [naam2] .



3.4.
Als gedeeltelijke betaling van de koopprijs is een BMW 3 serie Touring uit 2015 ingeruild tegen een bedrag van € 9.445,-. Het kenteken van die auto stond op naam van [appellant] . Voor de verdere betaling van de koopprijs is een bedrag van respectievelijk 11.000,- en 2.000,- overgemaakt vanaf een bankrekening op naam van [naam2] . Het restantbedrag van € 5.000,- is contant betaald door [appellant] .



3.5.
De auto is op 11 februari 2023 geleverd.



3.6.
Op 10 oktober 2023 heeft [appellant] een foutmelding op het dashboard van de auto waargenomen: “Storing: hybridesysteem. Wagen op een veilige plek stoppen”



3.7.

[appellant] heeft de auto daarop ter diagnose naar een Volkswagendealer [naam3] gebracht. De dealer heeft de herstelkosten op € 19.607,75 begroot. De factuur voor de diagnose bedraagt € 3.199,40. De kilometerstand bedroeg op het moment van de diagnose 215.198 km.



3.8.

[appellant] heeft bij brief van 11 december 2023 aan [geïntimeerde] geschreven dat de auto niet de eigenschappen vertoont die hij op grond van de overeenkomst bij normaal gebruik mag verwachten en haar gesommeerd om de gebreken aan de auto binnen veertien dagen kosteloos te herstellen.



3.9.

[geïntimeerde] heeft niet aan deze sommatie voldaan, heeft verwezen naar de verstreken garantietermijn en heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen.



3.10.
Namens [appellant] is vervolgens de koopovereenkomst bij brief van 16 januari 2024 ontbonden.



3.11.
Namens [geïntimeerde] is per e-mail van 29 januari 2024 gereageerd dat de ontbinding van de koopovereenkomst niet gerechtvaardigd is.





4De toelichting op de beslissing van het hof



Wie is contractspartij?




4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering van [appellant] is dat er geen koopovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand is gekomen. [geïntimeerde] heeft in haar incidenteel hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij de auto niet aan [appellant] , maar aan zijn vader, [naam2] , heeft verkocht. [appellant] heeft primair aangevoerd dat hij wel degelijk de auto zelf heeft gekocht en dat ook aan hem het bezit van de auto is verschaft. Subsidiair heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij door middel van (on)middellijke vertegenwoordiging door [naam2] contractspartij is geworden van [geïntimeerde]



4.2.
De beantwoording van de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst als contractspartij heeft opgetreden (of een andere partij) hangt mede af van hetgeen de betrokken partijen daarover jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. Overeenkomstig de hoofdregels van de artikelen 149 en 150 Rv dient [appellant] feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit


volgt dat hij de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] is, al dan niet via vertegenwoordiging door [naam2]




4.3.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [naam2] bij [geïntimeerde] is langsgegaan en de auto heeft bekeken. [naam2] heeft ook een proefrit met de auto gemaakt. [appellant] stelt weliswaar dat hij ook een proefrit heeft gemaakt, maar tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat [naam2] met de auto naar het huis van [appellant] is gereden en dat [appellant] toen een proefrit heeft gemaakt. [appellant] is op dat moment niet bij [geïntimeerde] langs geweest. Evenmin is in geschil dat [naam2] op 4 februari 2023 de koopovereenkomst heeft ondertekend en dat zowel op de koopovereenkomst als op de factuur de eenmanszaak van [naam2] “ [naam1] ” staat vermeld.



4.4.


[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat hij professioneel duiker is en veelvuldig voor zijn werk in het buitenland verblijft en dat [naam2] op die momenten zijn zaken in Nederland voor hem waarneemt. Volgens [appellant] heeft [naam2] weliswaar geholpen met de zoektocht naar een geschikte auto, het contact met [geïntimeerde] voor en namens hem gehad en geholpen met een stukje van de financiering, maar was desondanks voor [geïntimeerde] duidelijk dat hij de koper van de auto was. [appellant] verwijst naar een gezamenlijke schriftelijke verklaring van [appellant] en [naam2] waarin [naam2] aangeeft dat hij aan de verkoper van [geïntimeerde] (hierna verkoper) heeft uitgelegd dat hij een auto zocht voor zijn zoon en dat de rolstoel van diens vriendin in de kofferbak zou moeten passen. [naam2] had naar zijn zeggen de rolstoel bij zich. Volgens [naam2] heeft hij zijn visitekaartje aan [geïntimeerde] gegeven toen hem gevraagd werd zijn gegevens achter te laten en is de factuur waarschijnlijk daardoor per ongeluk op naam van zijn bedrijf gezet.
Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat hij zijn eigen auto heeft ingeruild, hetgeen ook op de factuur staat als onderdeel van de aankoopsom. Bovendien is het rijbewijs van [appellant] overgelegd als legitimatie voor de koop. Ook heeft hij de auto op 11 februari 2023 zelf opgehaald en is de auto op zijn naam gezet, aldus [appellant] . [appellant] heeft op dat moment ook de laatste betaling gedaan. [naam2] heeft na de aankoop weliswaar nog namens [appellant] contact gehad met [geïntimeerde] over bepaalde gebreken, maar [appellant] heeft zelf de auto laten onderzoeken bij [naam4] B.V. en bij [naam3] . Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat hij de ingebrekestelling op 11 november 2023 heeft verstuurd en dat [geïntimeerde] ook altijd in haar eigen correspondentie naar hem toe heeft gereageerd alsof hij de contractspartij was.




4.5.

[geïntimeerde] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [geïntimeerde] heeft [naam2] het verkoopgesprek met haar verkoper gevoerd en heeft hij nadrukkelijk verzocht om de koopovereenkomst op naam van zijn eenmanszaak “ [naam1] ” te zetten. In dat kader heeft [naam2] zijn visitekaartje aan de verkoper overhandigd. [naam2] heeft daarbij nadrukkelijk gecommuniceerd dat het een zakelijke transactie betrof en daarvoor heeft hij ook getekend. [naam2] heeft ook de betaling verricht. Dat er een auto van [appellant] zou zijn ingeruild, is aan [geïntimeerde] niet gebleken, want het was [naam2] die het voertuig inruilde en over het kentekenbewijs en de codes beschikte, aldus [geïntimeerde] [naam2] heeft wel verzocht de auto op naam van zijn zoon te zetten en beschikte daartoe ook over het identiteitsbewijs van zijn zoon, maar er is nooit gezegd dat [appellant] de koper van de auto was. De levering heeft volgens [geïntimeerde] ook aan [naam2] plaatsgevonden en niet aan [appellant] . Ook na de aankoop van de auto heeft [naam2] de contacten gevoerd, niet alleen met [geïntimeerde] , maar ook met [naam3] , aldus [geïntimeerde]



4.6.
Gelet op de door [naam2] ondertekende koopovereenkomst en de factuur die op naam staat van zijn onderneming en gegeven de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , is het hof van oordeel dat de stelling van [appellant] dat hij – al dan niet via vertegenwoordiging – als contractspartij van [geïntimeerde] is aan te merken op dit moment niet als vaststaand kan worden aangenomen. Het hof is van oordeel dat [appellant] wel voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om te worden toegelaten tot bewijslevering. Het hof zal [appellant] dan ook toelaten tot het leveren van bewijs waaruit volgt dat [geïntimeerde] wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat [appellant] als contractspartij had te gelden.



Consumentenkoop





4.7.
Het hof is van oordeel dat indien bewezen wordt dat [appellant] als contractspartij van [geïntimeerde] heeft te gelden, er hier sprake is van een consumentenkoop. Dat wordt door [geïntimeerde] ook niet met zoveel woorden betwist.



Het juridisch kader bij non-conformitieit





4.8.
Als [appellant] slaagt in het bewijs, dan mocht hij als koper op grond van artikel 7:17 lid 2 BW verwachten dat de door hem gekochte auto de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet hoefde te betwijfelen.



4.9.
Het conformiteitsvereiste is voor een consumentenkoop nader uitgewerkt in de artikelen 7:18 en 7:18a BW.



4.10.
Volgens vaste rechtspraak wordt bij de koop van een tweedehands auto die bestemd is om aan het verkeer deel te nemen, aangenomen dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt als het gebruik van de auto een gevaar voor de verkeersveiligheid oplevert door een gebrek dat niet eenvoudig door de koper kan worden ontdekt en hersteld. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Onder omstandigheden kunnen ook andere afwijkingen van de verwachtingen non-conformiteit opleveren. Beoordeeld moet worden wat de koper/consument, op grond van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper, van de auto mocht verwachten. De stelplicht en de bewijslast van de non-conformiteit van de auto rusten in beginsel op [appellant] als koper.



4.11.
Bij een consumentenkoop geldt verder het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Indien de afwijking van wat is overeengekomen zich binnen één jaar na aflevering openbaart, wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Het Europese Hof van Justitie heeft overwogen dat het aan de verkoper is om ‘rechtens genoegzaam’ te bewijzen dat het ‘gebrek aan overeenstemming’ het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een omstandigheid die zich na de aflevering van het goed heeft voorgedaan. Dit alles brengt mee dat, als komt vast te staan dat de verkochte auto binnen één jaar na aflevering een gebrek heeft waardoor die niet aan de overeenkomst beantwoordt, het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde en dat dit gebrek aan overeenstemming het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een omstandigheid die zich na de aflevering van de auto heeft voorgedaan.



Is er sprake van non-conformiteit?





4.12.
In hoger beroep heeft [appellant] alleen nog als gebrek aangevoerd dat de elektromotor het heeft begeven. Het hof begrijpt dat [appellant] zich in dat kader op het standpunt heeft gesteld dat de auto non-conform is, omdat hij ondanks de leeftijd van de auto en de kilometerstand bij aankoop niet binnen acht maanden na de aankoop een dergelijk gebrek (defecte elektromotor) – en daarmee dergelijke reparatiekosten – hoefde te verwachten. [geïntimeerde] heeft betwist dat de elektromotor defect is en heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat [appellant] gelet op de leeftijd van de auto en het aantal gereden kilometers rekening moest houden met dergelijke defecten en dat zaken als gevolg van slijtage moeten worden vervangen. De aard van de tweedehands zaak brengt volgens [geïntimeerde] mee dat een elektromotor aan slijtage onderhevig is en op deze leeftijd en bij deze kilometerstand defect kan gaan, zodat er geen sprake is van een afwijking van hetgeen is overeengekomen.



4.13.
Het hof is van oordeel dat als in het onderhavige geval komt vast te staan dat de elektromotor defect is, de auto niet in overeenstemming is met de overeenkomst. De cataloguswaarde van de auto bedroeg € 123.322,- en daarmee is de auto er één uit het duurdere segment. Op het moment van de aankoop was de auto 10 jaar oud en was er 197.808 kilometer mee gereden. Het hof is van oordeel dat dit voor een auto uit het duurdere segment niet een leeftijd en kilometerstand is waarbij je als consument hoeft te verwachten dat de elektromotor bij aanschaf al (vrijwel) volledig is versleten en binnen acht maanden aan vervanging toe is. [geïntimeerde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] de afwezigheid van een dergelijke slijtage kon en mocht verwachten bij het aangaan van de koopovereenkomst. [appellant] heeft in dat kader ook terecht opgemerkt dat indien dit wel het geval was geweest, het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om [appellant] hier reeds bij aankoop van de auto op te wijzen. Zeker gelet op het feit dat [appellant] nog het aanzienlijke bedrag van € 27.445,- voor de auto heeft betaald (inclusief inruil).



Is er sprake van een defecte elektromotor?





4.14.
Met het voorgaande staat echter nog niet vast dát sprake is van een defect aan de elektromotor. [appellant] heeft op de zitting bij het hof verklaard dat aan hem door [naam3] telefonisch is meegedeeld dat er sprake is van een defecte elektromotor. [appellant] heeft zich verder beroepen op een VCDS-rapportage van 1 maart 2023 van [naam4] , een prijsopgave van [naam3] , gedateerd 7 december 2023 en een analyse gemaakt door de Duitse AI tool ‘Libra AI’ . Volgens [appellant] volgt uit de VCDS-rapportage, beoordeeld door de hiervoor genoemde AI tool, dat reeds in maart 2023 defecten aanwezig waren in de auto die het hybridesysteem negatief beïnvloedden. In februari 2023 hebben zich reeds talloze storingen in de diverse systemen van de auto voorgedaan. Dit waren niet alleen storingen in het 12 Volt systeem, maar ook in de systemen die een hogere spanning nodig hebben, aldus [appellant] .



4.15.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [appellant] overgelegde stukken volgt dat er sprake is van een defecte elektromotor. [geïntimeerde] verwijst ter onderbouwing naar een door dhr. [naam5] opgesteld rapportageonderzoek van 23 oktober 2025, die de door [appellant] overgelegde stukken heeft bestudeerd. [naam5] heeft geconcludeerd dat de auto niet defect was ten tijde van de levering van de auto. Volgens hem heeft de auto te maken gehad met een te lage 12 Volt voedingsspanning. Dit kan tot uitleesbare opgeslagen foutcodes leiden. Dit betekent echter niet dat in elke module waarin een opgeslagen foutcode wordt uitgelezen sprake is van een werkelijk defect. Voor het oplossen van de fouten is voldoende om te zorgen voor voldoende spanning en het wissen van de codes. Hij concludeert dat de uitgelezen storingen op 1 maart 2023 door te lagen accuspanningen zijn veroorzaakt en geen werkelijke defecten betroffen. Volgens [naam5] had de auto anders nooit meer dan 17.000 kilometer kunnen rijden. De lage spanning kan al ontstaan als men met uitgeschakelde benzinemotor een half uur in de auto met het contact aan naar de radio luistert. Hij heeft verder de hoogte van de prijsopgave van [naam3] in twijfel getrokken. [geïntimeerde] verwijt [appellant] verder dat hij de auto niet aan haar heeft aangeboden om te onderzoeken en geen deskundigenbericht heeft laten opstellen, al dan niet in onderlinge afspraak met haar.



4.16.
Het hof is van oordeel dat gelet op de voorgaande standpunten van [appellant] en de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] nog onvoldoende vast staat dat sprake is van een defecte elektromotor en dat daarom de auto niet in overeenstemming is met de overeenkomst. Het hof overweegt in dit kader om een deskundigenbericht te gelasten. De deskundige moet de auto, die volgens [appellant] nog altijd is gestald bij [naam4] , onderzoeken om te kunnen vaststellen of sprake is van een defecte elektromotor.



De slotsom





4.17.
De slotsom is dat alvorens het hof verder beslist eerst moet komen vast te staan dat [appellant] de contractspartij van [geïntimeerde] is. Het hof zal [appellant] dan ook toelaten tot het leveren van bewijs. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.



Minnelijke regeling





4.18.
Het hof geeft partijen (nogmaals) in overweging om aan de hand van de in dit tussenarrest gegeven beslissingen en hun eigen inschatting over de bewijslevering (getuigenbewijs en deskundigenbericht) en de kosten daarvan dit geschil (alsnog) met een minnelijke regeling te beëindigen.





5De beslissing


Het hof:



5.1.
Het hof laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [geïntimeerde] wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat [appellant] als contractspartij had te gelden.



5.2.
Als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. G.J. Meijer de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.



5.3.

[appellant] moet op dinsdag 13 oktober 2026 laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.



5.4.

[appellant] moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste 10 dagen voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.



5.5.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet ervoor zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de zitting een kopie van die stukken hebben ontvangen.



5.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.





Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, L. Janse en G.J. Meijer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.







































HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9284, ro. 3.3.1


HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, ro. ro. 3.2


HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338 en HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3097, ro. 3.3.2


HvJ EU 4 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:357, C-497/13 (Faber/Autobedrijf Hazet), punt 75


HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666, ro. 3.2