Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5938
2026-09-15
Civiel recht
200.351.607
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk (verbouwing woning particulier) De aannemer was niet bevoegd om het werk op te schorten omdat de opdrachtgever betaling van de factuur mocht opschorten met het oog op herstel van gebreken en vervolgens de overeenkomst mocht ontbinden na de weigering van de aannemer om zonder bijkomende kosten tot herstel over te gaan. Bespreking van de schadeberekening. In mindering op de schade komt het deel van de aanneemsom dat de opdrachtgever als gevolg van de ontbinding niet meer hoeft te betalen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2012:BW8307 Hoge Raad 05-10-2012
- ECLI:NL:HR:2007:BA9610 Hoge Raad 21-09-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (40.708 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.351.607
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 11124285
arrest van 15 september 2026
in de zaak van
[de aannemer] Aannemersbedrijf B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna [de aannemer] wordt genoemd
advocaat: mr. V.W.J.H. Kobossen
en
1 [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats]
hierna samen [de opdrachtgever] worden genoemd (in enkelvoud)
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 18 december 2024. Uit het arrest dat het hof op 24 juni 2025 in een incident heeft uitgesproken blijkt welk verloop van de procedure bij het hof heeft gehad tot en met die uitspraak. Het verdere verloop van die procedure blijkt uit:
de memorie van grieven van [de opdrachtgever] in incidenteel appel, met vermindering van eis, tevens memorie van antwoord in principaal appel
de memorie van antwoord van [de aannemer] in het incidenteel appel
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling op 29 april 2026.
2De kern van de zaak
2.1.
Deze zaak gaat over de afrekening tussen partijen van een overeenkomst van aanneming, waarbij [de aannemer] als aannemer zich heeft verplicht om de woning van [de opdrachtgever] te verbouwen. De verbouwing is niet door [de aannemer] voltooid. Na onenigheid over de vraag of het gedeeltelijk uitgevoerde werk aan de eisen voldeed die [de opdrachtgever] mocht stellen, heeft [de aannemer] de bouw gestopt en heeft hij de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen omdat [de opdrachtgever] een deel (ongeveer de helft) van een door [de aannemer] gefactureerde termijnbetaling niet op tijd had betaald.
2.2.
Net als de kantonrechter oordeelt het hof hieronder dat [de aannemer] niet bevoegd was zijn werk op te schorten omdat [de opdrachtgever] zijn betalingsverplichting eerder heeft opgeschort, met het oog op herstel van bepaalde gebreken. [de aannemer] zal schade aan [de opdrachtgever] moeten vergoeden. Omdat de kantonrechter tot een andere afrekening van de overeenkomst kwam en de schadevorderingen van [de opdrachtgever] deels heeft afgewezen, vernietigt het hof haar vonnis gedeeltelijk en geeft het daarvoor in de plaats nieuwe beslissingen. Het hof veroordeelt [de aannemer] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Hieronder legt het hof uit hoe het tot deze beslissingen is gekomen.
de vaststaande feiten
2.3.
Bij overeenkomst van 12 oktober 2023 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat [de aannemer] in opdracht van [de opdrachtgever] een verbouwing zal uitvoeren aan de woning van [de opdrachtgever] tegen een aanneemsom van € 72.800 incl. btw. Volgens de overeenkomst moest [de opdrachtgever] 40% van de aanneemsom vóór aanvang van het werk betalen, 20% als 20% van het werk gereed zou zijn, 30% bij 60% gereed werk en 10% bij (100%) gereed werk.
2.4.
[de opdrachtgever] heeft van de aanneemsom € 54.035,30 incl. btw betaald. De factuur van 12 december 2023 met een bedrag van € 21.840,01 incl. btw (de derde termijn) is door [de opdrachtgever] gedeeltelijk onbetaald gelaten: op 27 december 2023 heeft [de opdrachtgever] op die factuur € 10.355,30 incl. btw betaald. Deze factuur heeft een vervaldatum van 20 december 2023.
2.5.
Bij brief van 1 januari 2024 heeft [de opdrachtgever] [de aannemer] in gebreke gesteld als het de verbouwing niet uiterlijk per 12 januari (2024) zou voltooien, met herstel van een in die brief opgenomen lijst van gebreken. Eén van die gebreken is dat het tegelwerk niet conform het ontwerp is.
2.6.
Op 9 januari 2024 heeft [de aannemer] op de ingebrekestelling geantwoord dat er geen opleverdatum is overeengekomen, dat het bereid is om tegen een meerwerkvergoeding van € 2.000 het verband waarin de tegels op de wanden van een badkamer en twee toiletten zijn aangebracht aan te passen en dat het zal kijken naar een passende oplossing als de trap of de vloer schade heeft opgelopen. [de aannemer] schrijft verder dat uiterlijk op 11 januari 2024 derde termijn moet zijn voldaan en dat het bij gebreke daarvan maatregelen zal nemen, waaronder een tijdelijke stillegging van de bouw.
2.7.
Op 15 januari 2024 heeft [de aannemer] aan [de opdrachtgever] gemaild dat het het werk neerlegt omdat [de opdrachtgever] de derde termijn nog niet had betaald.
2.8.
[de opdrachtgever] heeft het bureau Socotec opdracht gegeven om te rapporteren over het door [de aannemer] uitgevoerde werk, wat resulteerde in een rapport van 20 maart 2024 - hierna: “het Socotec-rapport”. In dit rapport staat wat de medewerker van Socotec van het werk vindt na een inspectie van de woning op 8 februari 2024. De inspectie vond plaats in bijzijn van (vertegenwoordigers van) de partijen.
2.9.
Bij brief van 25 april 2024 heeft [de opdrachtgever] aan [de aannemer] medegedeeld dat hij de overeenkomst partieel ontbindt voor zover nog niet alle werkzaamheden zijn verricht.
de procedure bij de kantonrechter
2.10.
[de aannemer] heeft [de opdrachtgever] voor de kantonrechter gedaagd en wilde daarmee onder meer bereiken dat [de opdrachtgever] zou worden veroordeeld om aan hem € 21.135,37 te betalen, verhoogd met rente en kosten. Deze vordering is door de kantonrechter afgewezen omdat [de opdrachtgever] bevoegd was zijn betalingsverplichtingen op te schorten, dit omdat [de aannemer] het tegelwerk in de badkamer en het toilet in een onjuist verband heeft aangebracht en daardoor tekort is geschoten. De kantonrechter heeft bepaald dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen (compensatie van kosten).
2.11.
[de opdrachtgever] heeft tegenvorderingen ingediend (de vorderingen in reconventie). Hij wilde daarmee onder meer bereiken dat vastgesteld werd dat de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk was ontbonden en dat [de aannemer] zou worden veroordeeld om hem te betalen:- € 19.587,12 als vergoeding van extra kosten voor het afmaak- en herstelwerk aan de woning - € 22.344,16 als vergoeding van extra kosten door het later beschikbaar komen van de woning en - € 2.807,20 als vergoeding voor de kosten van Socotec. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de aannemingsovereenkomst op 25 april 2024 partieel is ontbonden en heeft van de geldvorderingen uitsluitend het bedrag van € 2.807,20 volledig toegekend en van de gevorderde vergoeding van de afmaak- en herstelkosten een gedeelte, te weten € 6.142,56. De kosten in conventie en in reconventie heeft zij over de partijen verdeeld (gecompenseerd).
hoger beroep
2.12.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.
2.13.
[de aannemer] wil daarmee bereiken dat het hof de vorderingen die de kantonrechter heeft afgewezen alsnog toewijst. [de opdrachtgever] wil met zijn hoger beroep bereiken dat het hof [de aannemer] veroordeelt tot betaling van € 17.180,28 en van € 22.344,16 als vergoedingen van schade door wanprestatie en van de kosten van de procedures bij de kantonrechter en bij het hof. [de aannemer] meent dat [de opdrachtgever] met zijn memorie van grieven in hoger beroep niet mocht vorderen dat het arrest uitvoerbaarheid bij voorraad wordt verklaard omdat hij daarmee in strijd handelt met de tweeconclusie-regel of in elk geval in strijd met een goede procesorde, maar het verzet tegen deze eisvermeerdering is ongegrond omdat [de opdrachtgever] in zijn hoger beroep niet eerder al grieven heeft aangevoerd. Dat hij een incidentele vordering heeft ingesteld staat niet in de weg aan het daarna wijzigen van de vordering in de hoofdzaak.
het verband waarin [de aannemer] de wandtegels moest aanbrengen
2.14.
Volgens [de aannemer] had de kantonrechter niet tot het oordeel mogen komen dat het tekort is geschoten door tegels op de wanden van toiletten en badkamers in ‘normaal verband’ aan te brengen. Volgens [de aannemer] zijn partijen dit normaal verband met elkaar overeengekomen. Dit verweer is naar het oordeel van het hof ongegrond omdat gebleken is dat partijen bij de begroting de omschrijving van het tegelwerk uitdrukkelijk afhankelijk hebben gesteld van ‘wat er wordt besloten bij’ de tegelleverancier (zie punt 41 ‘tegelwerk’). In de toelichting wordt in dit verband over een ‘aanname’ geschreven. Hieruit leidt het hof af dat het verband waarin [de aannemer] de wandtegels zou moeten plaatsen volgens de begroting nog moest worden bepaald, kennelijk in overleg tussen [de opdrachtgever] en de tegelleverancier.
2.15.
Indien [de aannemer] niet op tijd door de tegelleverancier op de hoogte is gesteld van de uitkomst van het overleg dat [de opdrachtgever] volgens de begroting van 12 oktober 2023 met de tegelleverancier moest voeren, dan betekent dit dat [de aannemer] zijn tegelzetter aan het werk heeft gezet terwijl het niet wist waar [de opdrachtgever] voor had gekozen. Hetzelfde geldt voor de eventuele onvolledigheid van de stukken die de tegelleverancier heeft opgesteld: voor zover daaruit niet duidelijk is hoe het tegelwerk in de badkamer en de toiletten moest worden uitgevoerd, ontbrak het [de aannemer] aan de nodige informatie. Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van het hof op de weg van [de aannemer] gelegen - als redelijk bekwaam en redelijk handelend aannemer - om navraag te doen bij zijn opdrachtgever en/of de tegelleverancier voordat het zijn tegelzetter aan het werk zette. [de aannemer] heeft nagelaten om aan deze verplichting te voldoen en kan de gevolgen van deze tekortkoming niet met een beroep op artikel 15 van de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk voor Consumenten 2023 voor rekening van [de opdrachtgever] laten komen. Overigens maakt het Socotec-rapport niet alleen melding van een gebrek door het verkeerd gekozen verband van de wandtegels, maar ook van verschillende andere gebreken die hieronder in rechtsoverweging 2.24 worden besproken. Het door [de aannemer] geleverde tegelwerk blijkt gebrekkig.
klachtplicht
2.16.
[de opdrachtgever] had volgens [de aannemer] eerder aan [de aannemer] moeten doorgeven dat het verband waarin de tegelzetter de tegels plaatste niet juist was. [de opdrachtgever] heeft echter, anders dan [de aannemer] heeft aangevoerd, ook al vóór 18 december 2023 met betrekking tot de wandtegels geklaagd. Op 12 december 2023 heeft hij het niet alleen gehad over de kleur van de wandtegels, maar ook over een afwijking van de afspraken. Dat hij niet binnen bekwame tijd nadat hij de afwijking heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken specifieker bij [de aannemer] heeft geprotesteerd tegen het verband waarin de tegels werden geplaatst, heeft [de aannemer] onvoldoende toegelicht. Zonder die toelichting valt ook niet in te zien dat [de opdrachtgever] eerder aan de bel had moeten trekken, ook omdat het tegelwerk in meer opzichten achterbleef bij de eisen en omdat er geen oplevering heeft plaatsgehad. [de opdrachtgever] heeft weliswaar in een mailbericht aan [de aannemer] geschreven dat de tegelzetter netjes werkte, maar dat neemt niet weg dat hij daarna voldoende duidelijk over tekortkomingen aan het tegelwerk heeft geklaagd.
opschorting
2.17.
[de aannemer] ontkent dat [de opdrachtgever] zijn betalingsverplichting heeft opgeschort, maar gelet op de klachten van [de opdrachtgever] over (onder meer) fouten van de tegelzetter en het uitblijven van volledige betaling van de derde termijn had [de aannemer] redelijkerwijze moeten begrijpen dat [de opdrachtgever] de betalingsverplichting opschortte met het oog op een oplossing voor zijn klachten. Uit de brief van 9 januari 2024 van [de aannemer] blijkt namelijk dat het de in een verkeerd verband aangebrachte tegels alleen tegen meerkosten zou herstellen. [de opdrachtgever] heeft daarmee een gegronde reden gekregen om te vrezen dat [de aannemer] het overeengekomen werk niet deugdelijk zou opleveren en mocht betaling van een gedeelte van de derde termijn uitstellen. [de opdrachtgever] verkeerde weliswaar in verzuim ter zake van de betaling van de derde factuur, maar dat betekent niet dat hij deze betalingsverplichting niet alsnog mocht opschorten nadat [de aannemer] had geweigerd om de fouten van de tegelzetter zonder bijkomende kosten te herstellen. [de opdrachtgever] schoot dus niet langer tekort door na te laten het onbetaalde gedeelte te betalen.
2.18.
In het licht van het voorgaande had [de aannemer] het werk aan de woning op 15 januari 2024 niet mogen opschorten. Door dat wel te doen, is [de aannemer] terstond zonder ingebrekestelling in verzuim komen te verkeren en mocht [de opdrachtgever] de overeenkomst op 25 april 2024 ontbinden.
tussenconclusie
2.19.
De bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de opdrachtgever] de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden zijn ongegrond. Voor zover [de aannemer] de overeengekomen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en [de opdrachtgever] de daarvoor verschuldigde aanneemsom niet heeft betaald, zijn partijen over en weer van de overeengekomen verplichtingen bevrijd. Voor zover [de opdrachtgever] schade heeft geleden omdat hij een andere aannemer moest inschakelen om de verbouwing af te maken, moet [de aannemer] die schade vergoeden omdat die schade een gevolg is van zijn tekortkoming. Voor het vaststellen van die schade moet het bedrag dat [de opdrachtgever] aan de andere aannemer is verschuldigd voor het afmaken van het overeengekomen werk (inclusief het herstel van gebrekkig werk) worden verminderd met het gedeelte van de aanneemsom dat [de opdrachtgever] niet aan [de aannemer] hoeft te betalen. In het vonnis is berekend dat [de aannemer] per saldo nog € 6.142,56 aan [de opdrachtgever] moest betalen. De kantonrechter heeft daarbij de schadebegroting in het Socotec-rapport tot uitgangspunt genomen. Daarin worden de kosten van het voltooien van de verbouwing en van het herstel van gebreken ‘vooralsnog’ begroot op € 27.277,93 inclusief btw (los van een PM-post wegens schade aan de vloeren). Beide partijen maken tegen de schadeberekening in het vonnis bezwaren. De bezwaren van [de opdrachtgever] gaan het verst, zodat die het eerst besproken worden.
grief I van [de opdrachtgever] : kostenverhoging door verandering van aannemer
2.20.
De kantonrechter heeft wel gezien dat het inschakelen van een andere aannemer volgens het Socotec-rapport kostenverhogend werkt, maar heeft verworpen dat de offertes van de nieuwe aannemer hiervoor maatgevend waren omdat de offertes een veel hogere prijs vermelden dan het bedrag van het Socotec-rapport en omdat met de offertes ook werk (met name buitenschilderwerk) werd aangeboden dat buiten de opdracht van [de aannemer] viel. In hoger beroep heeft [de opdrachtgever] de facturen van de nieuwe aannemer overgelegd en beroept hij zich erop dat die facturen nauw aansluiten bij de offertes en dat daarmee zijn schade definitief is vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de opdrachtgever] hieraan toegevoegd dat de nieuwe aannemer meer gebreken heeft ontdekt dan Socotec en dat die gebreken bij de inspectie niet zijn vastgesteld omdat ze pas tijdens (en door) het uitvoeren van het werk door de nieuwe aannemer zichtbaar werden.
2.21.
[de aannemer] heeft op de zitting van het hof tegengesproken dat er meer gebreken waren en [de opdrachtgever] heeft niet duidelijk gemaakt om welke gebreken het ging. Dat kan hij ook niet meer, omdat de verbouwing inmiddels is voltooid. Dat de facturen van de nieuwe aannemer aansluiten op de offertes acht het hof ook al niet beslissend. In hoeverre de opdracht aan de nieuwe aannemer betrekking heeft op hetzelfde werk als het werk dat [de aannemer] zou hebben uitgevoerd als het zijn opdracht had uitgevoerd, blijft onduidelijk. Het hof ziet wel in dat een zekere prijsverhoging valt toe te rekenen aan het wisselen van aannemer. Uit § 1 en § 7 van het Socotec-rapport en de opmerking onder de begroting op pagina 14 maakt het hof op dat het Socotec vooral te doen was om het stuc- en schilderwerk in de slaapkamers en de woonkamer en om stucwerk op een wanddeel in of bij een slaapkamer, maar niet om het in § 2 van dat rapport bedoelde werk in het toilet en de badkamer dat volgens Socotec ook door [de aannemer] zou zijn vervangen om de verbouwing te kunnen opleveren. Nu de omvang van de kostenverhoging niet precies valt vast te stellen zal het hof die omvang schatten (artikel 6:97 BW). Het hof schat die verhoging op € 5.000 inclusief btw. In zoverre slaagt grief 1 van [de opdrachtgever] . Dit is niet de enige schadepost die moet worden beoordeeld. De andere mogelijke schadeposten worden hieronder besproken.
de schadebegroting
2.22.
[de aannemer] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter een aantal posten van de Socotec-begroting buiten beschouwing had moeten laten. Zijn bezwaren worden hieronder besproken. Het hof gebruikt daarbij de nummering van de begroting van Socotec met een korte beschrijving van het (blijkens de inhoud van het Socotec-rapport) daarmee bedoelde werk.
1. Butsen, krassen, uitstulpingen in het stuc van verschillende wanden en plafonds
3. De elektrapunten moeten gebruiksklaar worden gemaakt
8. Een deurkozijn in keuken staat niet waterpas
9. De aftimmerlat tussen de badkamer en de slaapkamer moet worden vervangen
2.23.
Volgens [de aannemer] gaat het hier om opleverpunten waarvan de kosten daarom niet in de begroting mochten worden opgenomen. Het hof oordeelt dat dit bezwaar ongegrond is. Met zijn tegenwerping miskent [de aannemer] dat door de ontbinding van de overeenkomst het niet meer aan [de aannemer] is om die opleverpunten op te lossen zodat de kosten daarvan terecht in de Socotec-begroting zijn opgenomen. [de aannemer] heeft niet feitelijk onderbouwd dat het deze door Socotec gesignaleerde punten niet had hoeven uitvoeren.
2. Slordig uitgevoerd en onjuist tegelwerk in twee toiletruimten en een badkamer
2.24.
Socotec meldt niet alleen het gekozen verband van de wandtegels, maar ook vlakheidsafwijkingen, ongelijke en scheve voegen, verschillende tinten voegwerk, onnodig grote naden bij de inwendige hoeken, onlogisch gekozen tegelformaat, slordig afgezaagde tegels, mortel op de tegels en teveel tegellijm in de voegen. Waarom deze constateringen bij de schadeberekening niet relevant zouden zijn, heeft [de aannemer] niet duidelijk gemaakt: bij oplevering had het deze gebreken moeten herstellen en nu moet [de opdrachtgever] dat door een ander laten doen. Met het aanbrengen van tegels op tegels in de toiletruimte boven is [de opdrachtgever] kennelijk akkoord gegaan, maar dat neemt niet weg dat het nieuwe tegelwerk volgens het Socotec-rapport verkeerd en slordig is uitgevoerd en dat dit een reden is om het volledig te vervangen. Op één plaats is geen sparing voor de wastafelafvoer in het tegelwerk gemaakt, maar het ligt voor de hand dat hiervoor in de begroting van Socotec (pagina 14 van het Socotec-rapport) geen kosten zijn meegenomen: bij het opnieuw tegelen kan alsnog een sparing worden aangebracht. [de aannemer] heeft niet tegengesproken dat de deskundige de voegen in bijzijn van partijen heeft opgemeten en evenmin dat de voegen breder waren dan van het werk van een redelijk bekwaam en vakkundig aannemer mag worden verwacht.
4. Krassen en verontreiniging in/op de treden van de houten trap
10. Verontreiniging vloeren en12. Beschadiging van de afdekplaat van het kruipluik
2.25.
[de aannemer] stelt dat [de opdrachtgever] voor het afdekken van de trap en de vloeren had moeten zorgen en verwijst daarvoor naar de met [de opdrachtgever] overeengekomen begroting voor de uit te voeren werkzaamheden. In die begroting staat als eerste post een bedrag voor het beschermen van ‘diverse zaken’. Op pagina 5 van de begroting staat voorts een post voor ‘afdekken vloer: stucloper aanbrengen’. De enkele verwijzing naar de begroting is daarom in dit verband onbegrijpelijk. [de aannemer] beroept zich er verder op dat [de opdrachtgever] zich niet aan zijn advies heeft gehouden om de vloer pas later, namelijk na afloop van zijn werkzaamheden te laten leggen. Hiertegen heeft [de opdrachtgever] ingebracht dat [de aannemer] een dergelijk advies niet heeft gegeven, dat het de bedoeling was om de vloer pas na afronding van het werk van [de aannemer] te laten leggen, maar dat de werkzaamheden van [de aannemer] langer duurden dan voorzien waardoor de vloer tijdens die werkzaamheden moest worden gelegd. Op deze onderbouwing is [de aannemer] niet ingegaan, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat de beschadiging van de nieuwe vloer door werkzaamheden van [de aannemer] onder deze omstandigheden voor rekening van [de opdrachtgever] behoort te komen, heeft [de aannemer] niet uitgelegd. [de aannemer] beweert dat het de stucloper goed heeft gelegd, maar nu de vloeren desondanks zijn beschadigd en niet is gebleken dat de oorzaak daarvan aan [de opdrachtgever] valt toe te rekenen, gaat het hof ook daaraan voorbij.
5. Het multiplex timmerwerk bij het voorgevelkozijn
2.26.
In het Socotec-rapport staat dat bij het voorgevelkozijn materiaal is gebruikt dat watervast had moeten zijn. [de aannemer] heeft hiertegen ingebracht dat het Okoumé heeft gebruikt, dat voor buitentoepassingen geschikt is. Het heeft dit met productie 17 bij conclusie van antwoord in reconventie onderbouwd. [de opdrachtgever] is in zijn processtukken niet nader op deze kwestie ingegaan. Daarom gaat het hof ervan uit dat het plaatmateriaal bij het voorgevelkozijn niet hoefde te worden vervangen. De kostenpost van € 320 exclusief btw die hiervoor in de begroting is opgenomen blijft buiten beschouwing. Omdat de deskundige met btw-tarieven van 9% en van 21% heeft gerekend en [de opdrachtgever] niet duidelijk heeft gemaakt welk btw-tarief over het bedrag van € 320 is berekend, houdt het hof rekening met 9% en trekt het een afgerond bedrag van € 350 inclusief btw van het totaalbedrag van de begroting af.
6. Er zit verf van het plafond op de stalen koof van de afzuigkap
2.27.
Als er al een verfspat op de koof zit, dan kan die volgens [de aannemer] met schoonmaakmiddel worden verwijderd. Dit heeft [de opdrachtgever] niet ontkend. [de opdrachtgever] heeft overigens bij conclusie van antwoord (§ 47) afgezien van het vorderen van een bedrag ter zake van de verfspat. Dit betekent dat de grief van [de aannemer] op dit onderdeel eveneens slaagt. De kostenpost voor het verwijderen van de verf is op € 50 exclusief btw gesteld. Het hof houdt opnieuw bij gebrek aan nadere informatie rekening met 9% btw en rond het bedrag af op € 55 inclusief btw.
7. Het wanddeel tussen de badkamerdoorgang en de deur van de slaapkamer
2.28.
Dit dient volgens de deskundige uitgevlakt te worden met stuc, waarna de wand geheel opnieuw dient te worden geschilderd. [de aannemer] voert aan dat dit niet is overeengekomen, maar [de opdrachtgever] wijst op het feit dat in de begroting een post is opgenomen voor het stuken en schilderen van alle wanden en plafonds en dat heeft [de aannemer] onvoldoende weersproken. Ook dat stucwerk is daarom terecht in de Socotec begroting opgenomen als nog uit te voeren werk.
11. Binnendeuren van de woonkamer en slaapkamers ontbreken
2.29.
In het rapport valt te lezen dat een in de offerte genoemde schuifdeur zou worden vervangen door een reguliere scharnierdeur, dat vier scharnierdeuren inclusief het beslag nog ontbraken, dat de aanwezige binnendeuren van een derde scharnier moesten worden voorzien en dat [de aannemer] hierover bij de opname heeft verklaard dat die extra scharnieren nog moesten worden aangebracht.
Volgens [de aannemer] heeft de deskundige drie deuren en twee kozijnen meegerekend die meerwerk zijn. [de opdrachtgever] heeft echter tegengeworpen dat de opdracht alle binnendeuren omvat. Het hof ziet op pagina 4 van de door [de aannemer] opgestelde begroting bij zijn offerte in totaal acht binnendeuren (4 + 2 + 1 + de taatsdeur) staan. Dat de deskundige met meer heeft gerekend dan acht deuren, waarvan er nog vier moesten worden geleverd, heeft [de aannemer] niet aangevoerd en valt uit het Socotec-rapport ook al niet te herleiden. [de opdrachtgever] maakt in het kader van zijn verdediging tegen grief 2 van [de aannemer] melding van een vergissing in § 11 (pagina 13) van het Socotec-rapport, waar staat dat er alsnog een taatsdeur zou worden geleverd. Vast staat dat partijen de taatsdeur in de offerte hebben geschrapt en voor € 7.051,80 exclusief btw aan minderwerk hebben verrekend. Socotec rekent voor het leveren en monteren van de vier ontbrekende deuren € 7.851,80 exclusief btw (post 11 op pagina 14) zodat ervan uitgegaan moet worden dat de - dure - taatsdeur daar geen deel van uitmaakt. Ook hier volgt het hof de begroting van de deskundige.
2.30.
Met zijn grief 2 en productie 6 bij de memorie van grieven klaagt [de aannemer] er verder over dat de kantonrechter bij de berekening had moeten betrekken dat het ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst 98,2% (te weten voor een waarde van € 61.012,56 exclusief btw) van de overeenkomst had uitgevoerd en gefactureerd. [de opdrachtgever] spreekt niet tegen dat hij het resterende gedeelte van de aanneemsom had moeten betalen als [de aannemer] het werk had voltooid. Dit betekent dat het schadebedrag dat [de aannemer] moet vergoeden met 1,8% van de aanneemsom van € 72.800 inclusief btw verminderd moet worden. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de bezwaren van [de aannemer] tegen de berekening van het schadebedrag dat hij moet vergoeden, uitgezonderd wat betreft de vervanging van multiplex door Trespa, de verwijdering van verf van de afzuigkap en de 1,8% die [de opdrachtgever] heeft bespaard op de aanneemsom. De schade van [de opdrachtgever] zal € 1.715,40 (€ 350 + € 55 + € 1.310,40) lager worden vastgesteld dan de kantonrechter heeft gedaan.
de vergoeding van deskundigenkosten
2.31.
Met grief III komt [de aannemer] op tegen het toekennen van een vergoeding voor de rapportagekosten van Socotec. De grief bevat een primaire toelichting waarbij [de aannemer] uitgaat van standpunten die hierboven zijn verworpen. In dat kader wordt ook aan [de opdrachtgever] verweten dat hij de deskundige onvoldoende heeft ingelicht, maar die beschuldiging is naar het oordeel van het hof niet concreet genoeg en stuit bovendien af op de omstandigheid dat [de aannemer] zelf de deskundige had kunnen voorzien van informatie.
2.32.
Subsidiair beroept [de aannemer] zich op zijn eigen begroting (productie 8 bij memorie van grieven in zijn hoger beroep) die hij hier werkomschrijving noemt. Daarin staat dat de kosten van externe deskundigen voor rekening van [de opdrachtgever] komen. Het hof verwerpt ook deze subsidiaire grondslag omdat [de aannemer] niet heeft onderbouwd dat partijen met deze bepaling ook het oog hadden op de in artikel 6:96 BW bedoelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid wegens gebrekkig uitgevoerd werk. De grief III van [de aannemer] faalt.
andere schadeposten – dubbele woonlasten e.d.
2.33.
In rechtsoverweging 4.15 heeft de kantonrechter overwogen dat partijen geen opleverdatum zijn overeengekomen, dat het werk wel vertraging heeft opgelopen, maar niet duidelijk is hoe veel langer het heeft geduurd en dat [de opdrachtgever] dit nader had moeten onderbouwen. De kantonrechter ziet ook onvoldoende aanknopingspunten om tot een schatting van de schade te komen en heeft de vordering daarom afgewezen. Volgens grief 2 van [de opdrachtgever] had de kantonrechter moeten oordelen dat partijen zijn overeengekomen dat de verbouwing vóór kerst 2023 zou worden afgerond en, toen dat niet bleek te lukken, oplevering op 29 januari 2024 zou plaatsvinden, waarna [de opdrachtgever] de woning weer zou kunnen gebruiken. Pas eind juni 2024 kon [de opdrachtgever] weer in de woning intrekken, nadat de nieuwe aannemer de verbouwing had afgerond.
geen fatale opleverdatum
2.34.
Op de zitting van het hof heeft het hof bij het onderzoek naar de mogelijkheden van een vergelijk tussen partijen de verwachting uitgesproken dat de vordering van [de opdrachtgever] tot vergoeding van extra uitgaven vanwege de vertraging van de oplevering niet zal worden toegewezen omdat niet is gebleken dat een fatale datum van oplevering is afgesproken. Bij nadere beschouwing ziet het hof dat de vordering van [de opdrachtgever] niet is gebaseerd op een fatale datum, maar op het tekortschieten van [de aannemer] door het staken van werkzaamheden op 15 januari 2024, In grief 2 van [de opdrachtgever] ligt besloten dat de verbouwing op 29 januari 2024 zou zijn voltooid als [de aannemer] niet op 15 januari 2024 zou zijn gestopt met werken en dat [de opdrachtgever] de woning vanaf februari 2024 weer had kunnen gebruiken als [de aannemer] had doorgewerkt.
2.35.
[de aannemer] heeft hiertegen in eerste aanleg aangevoerd dat het niet tekort is geschoten, maar hierboven is al vastgesteld dat [de aannemer] wel tekort is geschoten door de werkzaamheden te staken. Subsidiair heeft [de aannemer] aangevoerd dat de gestelde schade niet het gevolg is van zijn tekortschieten. [de opdrachtgever] had in het huis kunnen verblijven tijdens de verbouwing. Deze bewering had echter een nadere toelichting moeten krijgen, omdat het blijkens de begroting van [de aannemer] ging om een omvangrijke verbouwing: in het late najaar werden er muren gesloopt en werden de deuren verwijderd.
schade door langer verblijf elders
2.36.
[de aannemer] heeft afzonderlijk verweer gevoerd tegen een aantal van de schadeposten, maar dat verweer is grotendeels onvoldoende gemotiveerd. De stelling dat de dochter van [de opdrachtgever] vanuit de tijdelijke woning met de auto naar school moest worden gebracht terwijl die school vanuit de woning zonder auto kon worden bereikt is naar het oordeel van het hof namelijk voldoende duidelijk, ook nu niet is gespecificeerd om welke school het gaat. Hetzelfde geldt voor reiskosten (waaronder de veerboot van de veerdienst [plaats] ), voor de kosten van opslag van inboedel en voor de pensionkosten voor de katten. Dat er dichterbij ook een geschikt tijdelijk verblijf voor het gezin beschikbaar was waar ook nog eens katten mochten worden gehouden, een eigen wasmachine stond en/of [de opdrachtgever] ‘thuis’ kon werken, heeft [de aannemer] niet feitelijk uitgelegd. Welk verblijf het hiermee op het oog heeft, is niet duidelijk. Dat [de opdrachtgever] voldoende eigen opslagruimte had voor de inboedel, heeft [de aannemer] evenmin onderbouwd. Dat [de opdrachtgever] al op 21 juli 2023 een plaats op de camping heeft gereserveerd en dit heeft gedaan voor de periode tot en met april 2024, staat aan de toekenning van de schadevergoeding ook al niet in de weg. Hetzelfde geldt voor de tegenwerpingen van [de aannemer] dat [de opdrachtgever] een chalet voor 7 personen heeft gereserveerd en dat er goedkoper onderdak beschikbaar was. [de aannemer] maakt - nogmaals - niet duidelijk dat er goedkopere ruimte beschikbaar was en dat van [de opdrachtgever] kon worden verlangd om voor die goedkopere oplossing te kiezen. [de aannemer] voert niet aan dat [de opdrachtgever] onredelijk hoge kosten heeft gemaakt. Dat [de opdrachtgever] van [de aannemer] betaling van een borgsom verlangt, is niet aangevoerd en [de opdrachtgever] heeft geen vergoedingen gevorderd over de maand juli 2024. Van een vakantie van [de opdrachtgever] is niet gebleken, ook niet van misbruik van recht.
2.37.
De kosten die [de opdrachtgever] claimt over de maand januari 2024 blijven echter wel buiten beschouwing, omdat niet gesteld of gebleken is dat [de aannemer] de verbouwing al eerder dan op 29 januari 2024 zou hebben opgeleverd indien het het werk had afgemaakt. Het gaat hierbij om een bedrag van € 101,64 voor autokilometers van en naar de school, € 71,82 voor woon- werkverkeer voor (mevrouw) [de opdrachtgever] , een derde gedeelte van de kosten van kattenopvang (€ 1.657), een zesde gedeelte van de opslagkosten (€ 162,50), een maand staanplaatskosten (€ 45) en een deel van de waskosten (schatting: € 10). In totaal wordt de schadeomvang daarom niet op € 22.344,16, maar € 2.047,96 lager vastgesteld, op € 20.296,20.
de proceskosten in eerste aanleg
2.38.
Grief 3 van [de opdrachtgever] gaat over de proceskostenbeslissing van de kantonrechter. [de opdrachtgever] wil dat [de aannemer] in die kosten wordt veroordeeld. Uit dit arrest blijkt dat de vorderingen die [de aannemer] in eerste aanleg heeft ingesteld ongegrond zijn en dat de vorderingen in eerste aanleg van [de opdrachtgever] grotendeels gegrond zijn. In het licht hiervan zal het hof [de aannemer] in de kosten van de procedure bij de kantonrechter veroordelen. Dit geldt zowel voor de procedure in conventie als die in reconventie. Tot die kosten behoren ook de eventuele nakosten. Het hof begroot de kosten die [de aannemer] aan [de opdrachtgever] moet vergoeden tot op de datum van de uitspraak door de kantonrechter als volgt:
in conventie:
€ 1.086 voor salaris van de gemachtigde (2 pt. van kantontarief 10)
in reconventie:
€ 543 voor salaris van de gemachtigde (de helft van de advocaatkosten in conventie).
2.39.
Grief IV van [de aannemer] heeft geen eigen grondslag en hoeft daarom niet afzonderlijk te worden besproken.
de slotsom
2.40.
De grieven van [de aannemer] slagen in zoverre dat het bedrag dat [de aannemer] moet betalen € 1.715,40 lager zal worden vastgesteld dan het bedrag van € 6.142,56 dat de kantonrechter heeft bepaald. Het toe te wijzen bedrag is dan ook € 4.427,16. Voor het overige falen zijn grieven.
2.41.
De grieven van [de opdrachtgever] slagen eveneens ten dele. Dit leidt ertoe dat aanspraken van [de opdrachtgever] op een hogere schadevergoeding gedeeltelijk worden toegekend. Het gaat om een schade van € 5.000 wegens hogere kosten doordat [de opdrachtgever] een andere aannemer heeft moeten inschakelen en om een schade van € 20.296,20 voor extra uitgaven gedurende de maanden februari 2024 tot en met juni 2024 die zijn veroorzaakt doordat hij de woning niet kon gebruiken. Het bedrag dat [de aannemer] in totaal aan [de opdrachtgever] moet betalen is € 29.723,36. Zoals al gezegd leidt het een en ander tot andere beslissingen over de kosten van de procedure bij de kantonrechter. Voor het overige falen de grieven van [de opdrachtgever] .
de kosten van de procedures bij het hof
2.42.
Het hof zal [de aannemer] in de kosten van zijn hoger beroep veroordelen, omdat zijn hoger beroep grotendeels ongegrond is. De tot vandaag gemaakte kosten die [de aannemer] aan [de opdrachtgever] moet vergoeden worden op € 4.167 begroot, namelijk:
€ 827 aan griffierecht en
€ 3.340 voor salaris van de advocaat conform het liquidatietarief (2 pt. tarief III).
Deze veroordeling houdt in dat [de aannemer] ook de kosten moet vergoeden die [de opdrachtgever] na vandaag moet maken om het arrest uit te voeren (de nakosten): de betekeningskosten en het salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief. Als de proceskostenvergoeding niet binnen twee weken wordt betaald, komt de wettelijke rente erbij.
2.43.
Het hof zal [de aannemer] ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep van [de opdrachtgever] omdat het ook daarin grotendeels in het ongelijk wordt gesteld. De kosten van [de opdrachtgever] tot vandaag worden door het hof begroot op de helft van de vergoeding voor het salaris van de advocaat die in het hoger beroep van [de aannemer] is vastgesteld, dus op € 1.670. Deze veroordeling houdt eveneens in dat [de aannemer] de nakosten moet vergoeden, dit volgens het liquidatietarief. Als de proceskosten niet binnen twee weken na betekening van dit arrest worden voldaan, is daarover wettelijke rente verschuldigd.
2.44.
De veroordelingen die het hof uitspreekt mogen ook uitgevoerd worden als de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (uitvoerbaar bij voorraad).
3De beslissingen
Het hof doet als volgt recht in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
3.1.
het bekrachtigt de beslissingen die de kantonrechter in haar vonnis van 18 december 2024 onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 heeft gegeven;
3.2.
het vernietigt het vonnis onder 5.4 en onder 5.7 en veroordeelt [de aannemer] om een schadevergoeding van € 29.723,36 aan [de opdrachtgever] te betalen;
3.3.
het vernietigt het vonnis onder 5.6 en veroordeelt [de aannemer] in de kosten van de procedures in conventie en in reconventie, waarvan de kosten tot de datum van de uitspraak van de kantonrechter worden begroot op € 1.086 in conventie en € 543 in reconventie;
3.4.
het veroordeelt [de aannemer] in de kosten van zijn hoger beroep, begroot tot vandaag de kosten van [de opdrachtgever] op € 4.167 en veroordeelt [de aannemer] in de kosten van het hoger beroep van [de opdrachtgever] met begroting van de kosten die [de opdrachtgever] tot vandaag in dat hoger beroep heeft gemaakt op € 1.670;
3.5
het bepaalt dat alle proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na betekening van dit arrest. Als niet op tijd wordt betaald dan worden die kosten verhoogd met wettelijke rente;
3.6.
het verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
het wijst het meer en anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, M. Wallart en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op d*.
HR 5 oktober 2012 rov. 3.4.2, ECLI:NL:HR:2012:BW8307 Tyco/Delato
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610 Ammerlaan/Enthoven
locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.351.607
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 11124285
arrest van 15 september 2026
in de zaak van
[de aannemer] Aannemersbedrijf B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna [de aannemer] wordt genoemd
advocaat: mr. V.W.J.H. Kobossen
en
1 [geïntimeerde1]
2. [geïntimeerde2]
die wonen in [woonplaats]
hierna samen [de opdrachtgever] worden genoemd (in enkelvoud)
advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 18 december 2024. Uit het arrest dat het hof op 24 juni 2025 in een incident heeft uitgesproken blijkt welk verloop van de procedure bij het hof heeft gehad tot en met die uitspraak. Het verdere verloop van die procedure blijkt uit:
de memorie van grieven van [de opdrachtgever] in incidenteel appel, met vermindering van eis, tevens memorie van antwoord in principaal appel
de memorie van antwoord van [de aannemer] in het incidenteel appel
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling op 29 april 2026.
2De kern van de zaak
2.1.
Deze zaak gaat over de afrekening tussen partijen van een overeenkomst van aanneming, waarbij [de aannemer] als aannemer zich heeft verplicht om de woning van [de opdrachtgever] te verbouwen. De verbouwing is niet door [de aannemer] voltooid. Na onenigheid over de vraag of het gedeeltelijk uitgevoerde werk aan de eisen voldeed die [de opdrachtgever] mocht stellen, heeft [de aannemer] de bouw gestopt en heeft hij de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen omdat [de opdrachtgever] een deel (ongeveer de helft) van een door [de aannemer] gefactureerde termijnbetaling niet op tijd had betaald.
2.2.
Net als de kantonrechter oordeelt het hof hieronder dat [de aannemer] niet bevoegd was zijn werk op te schorten omdat [de opdrachtgever] zijn betalingsverplichting eerder heeft opgeschort, met het oog op herstel van bepaalde gebreken. [de aannemer] zal schade aan [de opdrachtgever] moeten vergoeden. Omdat de kantonrechter tot een andere afrekening van de overeenkomst kwam en de schadevorderingen van [de opdrachtgever] deels heeft afgewezen, vernietigt het hof haar vonnis gedeeltelijk en geeft het daarvoor in de plaats nieuwe beslissingen. Het hof veroordeelt [de aannemer] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Hieronder legt het hof uit hoe het tot deze beslissingen is gekomen.
de vaststaande feiten
2.3.
Bij overeenkomst van 12 oktober 2023 zijn partijen met elkaar overeengekomen dat [de aannemer] in opdracht van [de opdrachtgever] een verbouwing zal uitvoeren aan de woning van [de opdrachtgever] tegen een aanneemsom van € 72.800 incl. btw. Volgens de overeenkomst moest [de opdrachtgever] 40% van de aanneemsom vóór aanvang van het werk betalen, 20% als 20% van het werk gereed zou zijn, 30% bij 60% gereed werk en 10% bij (100%) gereed werk.
2.4.
[de opdrachtgever] heeft van de aanneemsom € 54.035,30 incl. btw betaald. De factuur van 12 december 2023 met een bedrag van € 21.840,01 incl. btw (de derde termijn) is door [de opdrachtgever] gedeeltelijk onbetaald gelaten: op 27 december 2023 heeft [de opdrachtgever] op die factuur € 10.355,30 incl. btw betaald. Deze factuur heeft een vervaldatum van 20 december 2023.
2.5.
Bij brief van 1 januari 2024 heeft [de opdrachtgever] [de aannemer] in gebreke gesteld als het de verbouwing niet uiterlijk per 12 januari (2024) zou voltooien, met herstel van een in die brief opgenomen lijst van gebreken. Eén van die gebreken is dat het tegelwerk niet conform het ontwerp is.
2.6.
Op 9 januari 2024 heeft [de aannemer] op de ingebrekestelling geantwoord dat er geen opleverdatum is overeengekomen, dat het bereid is om tegen een meerwerkvergoeding van € 2.000 het verband waarin de tegels op de wanden van een badkamer en twee toiletten zijn aangebracht aan te passen en dat het zal kijken naar een passende oplossing als de trap of de vloer schade heeft opgelopen. [de aannemer] schrijft verder dat uiterlijk op 11 januari 2024 derde termijn moet zijn voldaan en dat het bij gebreke daarvan maatregelen zal nemen, waaronder een tijdelijke stillegging van de bouw.
2.7.
Op 15 januari 2024 heeft [de aannemer] aan [de opdrachtgever] gemaild dat het het werk neerlegt omdat [de opdrachtgever] de derde termijn nog niet had betaald.
2.8.
[de opdrachtgever] heeft het bureau Socotec opdracht gegeven om te rapporteren over het door [de aannemer] uitgevoerde werk, wat resulteerde in een rapport van 20 maart 2024 - hierna: “het Socotec-rapport”. In dit rapport staat wat de medewerker van Socotec van het werk vindt na een inspectie van de woning op 8 februari 2024. De inspectie vond plaats in bijzijn van (vertegenwoordigers van) de partijen.
2.9.
Bij brief van 25 april 2024 heeft [de opdrachtgever] aan [de aannemer] medegedeeld dat hij de overeenkomst partieel ontbindt voor zover nog niet alle werkzaamheden zijn verricht.
de procedure bij de kantonrechter
2.10.
[de aannemer] heeft [de opdrachtgever] voor de kantonrechter gedaagd en wilde daarmee onder meer bereiken dat [de opdrachtgever] zou worden veroordeeld om aan hem € 21.135,37 te betalen, verhoogd met rente en kosten. Deze vordering is door de kantonrechter afgewezen omdat [de opdrachtgever] bevoegd was zijn betalingsverplichtingen op te schorten, dit omdat [de aannemer] het tegelwerk in de badkamer en het toilet in een onjuist verband heeft aangebracht en daardoor tekort is geschoten. De kantonrechter heeft bepaald dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen (compensatie van kosten).
2.11.
[de opdrachtgever] heeft tegenvorderingen ingediend (de vorderingen in reconventie). Hij wilde daarmee onder meer bereiken dat vastgesteld werd dat de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk was ontbonden en dat [de aannemer] zou worden veroordeeld om hem te betalen:- € 19.587,12 als vergoeding van extra kosten voor het afmaak- en herstelwerk aan de woning - € 22.344,16 als vergoeding van extra kosten door het later beschikbaar komen van de woning en - € 2.807,20 als vergoeding voor de kosten van Socotec. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de aannemingsovereenkomst op 25 april 2024 partieel is ontbonden en heeft van de geldvorderingen uitsluitend het bedrag van € 2.807,20 volledig toegekend en van de gevorderde vergoeding van de afmaak- en herstelkosten een gedeelte, te weten € 6.142,56. De kosten in conventie en in reconventie heeft zij over de partijen verdeeld (gecompenseerd).
hoger beroep
2.12.
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.
2.13.
[de aannemer] wil daarmee bereiken dat het hof de vorderingen die de kantonrechter heeft afgewezen alsnog toewijst. [de opdrachtgever] wil met zijn hoger beroep bereiken dat het hof [de aannemer] veroordeelt tot betaling van € 17.180,28 en van € 22.344,16 als vergoedingen van schade door wanprestatie en van de kosten van de procedures bij de kantonrechter en bij het hof. [de aannemer] meent dat [de opdrachtgever] met zijn memorie van grieven in hoger beroep niet mocht vorderen dat het arrest uitvoerbaarheid bij voorraad wordt verklaard omdat hij daarmee in strijd handelt met de tweeconclusie-regel of in elk geval in strijd met een goede procesorde, maar het verzet tegen deze eisvermeerdering is ongegrond omdat [de opdrachtgever] in zijn hoger beroep niet eerder al grieven heeft aangevoerd. Dat hij een incidentele vordering heeft ingesteld staat niet in de weg aan het daarna wijzigen van de vordering in de hoofdzaak.
het verband waarin [de aannemer] de wandtegels moest aanbrengen
2.14.
Volgens [de aannemer] had de kantonrechter niet tot het oordeel mogen komen dat het tekort is geschoten door tegels op de wanden van toiletten en badkamers in ‘normaal verband’ aan te brengen. Volgens [de aannemer] zijn partijen dit normaal verband met elkaar overeengekomen. Dit verweer is naar het oordeel van het hof ongegrond omdat gebleken is dat partijen bij de begroting de omschrijving van het tegelwerk uitdrukkelijk afhankelijk hebben gesteld van ‘wat er wordt besloten bij’ de tegelleverancier (zie punt 41 ‘tegelwerk’). In de toelichting wordt in dit verband over een ‘aanname’ geschreven. Hieruit leidt het hof af dat het verband waarin [de aannemer] de wandtegels zou moeten plaatsen volgens de begroting nog moest worden bepaald, kennelijk in overleg tussen [de opdrachtgever] en de tegelleverancier.
2.15.
Indien [de aannemer] niet op tijd door de tegelleverancier op de hoogte is gesteld van de uitkomst van het overleg dat [de opdrachtgever] volgens de begroting van 12 oktober 2023 met de tegelleverancier moest voeren, dan betekent dit dat [de aannemer] zijn tegelzetter aan het werk heeft gezet terwijl het niet wist waar [de opdrachtgever] voor had gekozen. Hetzelfde geldt voor de eventuele onvolledigheid van de stukken die de tegelleverancier heeft opgesteld: voor zover daaruit niet duidelijk is hoe het tegelwerk in de badkamer en de toiletten moest worden uitgevoerd, ontbrak het [de aannemer] aan de nodige informatie. Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van het hof op de weg van [de aannemer] gelegen - als redelijk bekwaam en redelijk handelend aannemer - om navraag te doen bij zijn opdrachtgever en/of de tegelleverancier voordat het zijn tegelzetter aan het werk zette. [de aannemer] heeft nagelaten om aan deze verplichting te voldoen en kan de gevolgen van deze tekortkoming niet met een beroep op artikel 15 van de Algemene Voorwaarden voor Aanneming van werk voor Consumenten 2023 voor rekening van [de opdrachtgever] laten komen. Overigens maakt het Socotec-rapport niet alleen melding van een gebrek door het verkeerd gekozen verband van de wandtegels, maar ook van verschillende andere gebreken die hieronder in rechtsoverweging 2.24 worden besproken. Het door [de aannemer] geleverde tegelwerk blijkt gebrekkig.
klachtplicht
2.16.
[de opdrachtgever] had volgens [de aannemer] eerder aan [de aannemer] moeten doorgeven dat het verband waarin de tegelzetter de tegels plaatste niet juist was. [de opdrachtgever] heeft echter, anders dan [de aannemer] heeft aangevoerd, ook al vóór 18 december 2023 met betrekking tot de wandtegels geklaagd. Op 12 december 2023 heeft hij het niet alleen gehad over de kleur van de wandtegels, maar ook over een afwijking van de afspraken. Dat hij niet binnen bekwame tijd nadat hij de afwijking heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken specifieker bij [de aannemer] heeft geprotesteerd tegen het verband waarin de tegels werden geplaatst, heeft [de aannemer] onvoldoende toegelicht. Zonder die toelichting valt ook niet in te zien dat [de opdrachtgever] eerder aan de bel had moeten trekken, ook omdat het tegelwerk in meer opzichten achterbleef bij de eisen en omdat er geen oplevering heeft plaatsgehad. [de opdrachtgever] heeft weliswaar in een mailbericht aan [de aannemer] geschreven dat de tegelzetter netjes werkte, maar dat neemt niet weg dat hij daarna voldoende duidelijk over tekortkomingen aan het tegelwerk heeft geklaagd.
opschorting
2.17.
[de aannemer] ontkent dat [de opdrachtgever] zijn betalingsverplichting heeft opgeschort, maar gelet op de klachten van [de opdrachtgever] over (onder meer) fouten van de tegelzetter en het uitblijven van volledige betaling van de derde termijn had [de aannemer] redelijkerwijze moeten begrijpen dat [de opdrachtgever] de betalingsverplichting opschortte met het oog op een oplossing voor zijn klachten. Uit de brief van 9 januari 2024 van [de aannemer] blijkt namelijk dat het de in een verkeerd verband aangebrachte tegels alleen tegen meerkosten zou herstellen. [de opdrachtgever] heeft daarmee een gegronde reden gekregen om te vrezen dat [de aannemer] het overeengekomen werk niet deugdelijk zou opleveren en mocht betaling van een gedeelte van de derde termijn uitstellen. [de opdrachtgever] verkeerde weliswaar in verzuim ter zake van de betaling van de derde factuur, maar dat betekent niet dat hij deze betalingsverplichting niet alsnog mocht opschorten nadat [de aannemer] had geweigerd om de fouten van de tegelzetter zonder bijkomende kosten te herstellen. [de opdrachtgever] schoot dus niet langer tekort door na te laten het onbetaalde gedeelte te betalen.
2.18.
In het licht van het voorgaande had [de aannemer] het werk aan de woning op 15 januari 2024 niet mogen opschorten. Door dat wel te doen, is [de aannemer] terstond zonder ingebrekestelling in verzuim komen te verkeren en mocht [de opdrachtgever] de overeenkomst op 25 april 2024 ontbinden.
tussenconclusie
2.19.
De bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de opdrachtgever] de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden zijn ongegrond. Voor zover [de aannemer] de overeengekomen werkzaamheden niet heeft uitgevoerd en [de opdrachtgever] de daarvoor verschuldigde aanneemsom niet heeft betaald, zijn partijen over en weer van de overeengekomen verplichtingen bevrijd. Voor zover [de opdrachtgever] schade heeft geleden omdat hij een andere aannemer moest inschakelen om de verbouwing af te maken, moet [de aannemer] die schade vergoeden omdat die schade een gevolg is van zijn tekortkoming. Voor het vaststellen van die schade moet het bedrag dat [de opdrachtgever] aan de andere aannemer is verschuldigd voor het afmaken van het overeengekomen werk (inclusief het herstel van gebrekkig werk) worden verminderd met het gedeelte van de aanneemsom dat [de opdrachtgever] niet aan [de aannemer] hoeft te betalen. In het vonnis is berekend dat [de aannemer] per saldo nog € 6.142,56 aan [de opdrachtgever] moest betalen. De kantonrechter heeft daarbij de schadebegroting in het Socotec-rapport tot uitgangspunt genomen. Daarin worden de kosten van het voltooien van de verbouwing en van het herstel van gebreken ‘vooralsnog’ begroot op € 27.277,93 inclusief btw (los van een PM-post wegens schade aan de vloeren). Beide partijen maken tegen de schadeberekening in het vonnis bezwaren. De bezwaren van [de opdrachtgever] gaan het verst, zodat die het eerst besproken worden.
grief I van [de opdrachtgever] : kostenverhoging door verandering van aannemer
2.20.
De kantonrechter heeft wel gezien dat het inschakelen van een andere aannemer volgens het Socotec-rapport kostenverhogend werkt, maar heeft verworpen dat de offertes van de nieuwe aannemer hiervoor maatgevend waren omdat de offertes een veel hogere prijs vermelden dan het bedrag van het Socotec-rapport en omdat met de offertes ook werk (met name buitenschilderwerk) werd aangeboden dat buiten de opdracht van [de aannemer] viel. In hoger beroep heeft [de opdrachtgever] de facturen van de nieuwe aannemer overgelegd en beroept hij zich erop dat die facturen nauw aansluiten bij de offertes en dat daarmee zijn schade definitief is vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [de opdrachtgever] hieraan toegevoegd dat de nieuwe aannemer meer gebreken heeft ontdekt dan Socotec en dat die gebreken bij de inspectie niet zijn vastgesteld omdat ze pas tijdens (en door) het uitvoeren van het werk door de nieuwe aannemer zichtbaar werden.
2.21.
[de aannemer] heeft op de zitting van het hof tegengesproken dat er meer gebreken waren en [de opdrachtgever] heeft niet duidelijk gemaakt om welke gebreken het ging. Dat kan hij ook niet meer, omdat de verbouwing inmiddels is voltooid. Dat de facturen van de nieuwe aannemer aansluiten op de offertes acht het hof ook al niet beslissend. In hoeverre de opdracht aan de nieuwe aannemer betrekking heeft op hetzelfde werk als het werk dat [de aannemer] zou hebben uitgevoerd als het zijn opdracht had uitgevoerd, blijft onduidelijk. Het hof ziet wel in dat een zekere prijsverhoging valt toe te rekenen aan het wisselen van aannemer. Uit § 1 en § 7 van het Socotec-rapport en de opmerking onder de begroting op pagina 14 maakt het hof op dat het Socotec vooral te doen was om het stuc- en schilderwerk in de slaapkamers en de woonkamer en om stucwerk op een wanddeel in of bij een slaapkamer, maar niet om het in § 2 van dat rapport bedoelde werk in het toilet en de badkamer dat volgens Socotec ook door [de aannemer] zou zijn vervangen om de verbouwing te kunnen opleveren. Nu de omvang van de kostenverhoging niet precies valt vast te stellen zal het hof die omvang schatten (artikel 6:97 BW). Het hof schat die verhoging op € 5.000 inclusief btw. In zoverre slaagt grief 1 van [de opdrachtgever] . Dit is niet de enige schadepost die moet worden beoordeeld. De andere mogelijke schadeposten worden hieronder besproken.
de schadebegroting
2.22.
[de aannemer] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter een aantal posten van de Socotec-begroting buiten beschouwing had moeten laten. Zijn bezwaren worden hieronder besproken. Het hof gebruikt daarbij de nummering van de begroting van Socotec met een korte beschrijving van het (blijkens de inhoud van het Socotec-rapport) daarmee bedoelde werk.
1. Butsen, krassen, uitstulpingen in het stuc van verschillende wanden en plafonds
3. De elektrapunten moeten gebruiksklaar worden gemaakt
8. Een deurkozijn in keuken staat niet waterpas
9. De aftimmerlat tussen de badkamer en de slaapkamer moet worden vervangen
2.23.
Volgens [de aannemer] gaat het hier om opleverpunten waarvan de kosten daarom niet in de begroting mochten worden opgenomen. Het hof oordeelt dat dit bezwaar ongegrond is. Met zijn tegenwerping miskent [de aannemer] dat door de ontbinding van de overeenkomst het niet meer aan [de aannemer] is om die opleverpunten op te lossen zodat de kosten daarvan terecht in de Socotec-begroting zijn opgenomen. [de aannemer] heeft niet feitelijk onderbouwd dat het deze door Socotec gesignaleerde punten niet had hoeven uitvoeren.
2. Slordig uitgevoerd en onjuist tegelwerk in twee toiletruimten en een badkamer
2.24.
Socotec meldt niet alleen het gekozen verband van de wandtegels, maar ook vlakheidsafwijkingen, ongelijke en scheve voegen, verschillende tinten voegwerk, onnodig grote naden bij de inwendige hoeken, onlogisch gekozen tegelformaat, slordig afgezaagde tegels, mortel op de tegels en teveel tegellijm in de voegen. Waarom deze constateringen bij de schadeberekening niet relevant zouden zijn, heeft [de aannemer] niet duidelijk gemaakt: bij oplevering had het deze gebreken moeten herstellen en nu moet [de opdrachtgever] dat door een ander laten doen. Met het aanbrengen van tegels op tegels in de toiletruimte boven is [de opdrachtgever] kennelijk akkoord gegaan, maar dat neemt niet weg dat het nieuwe tegelwerk volgens het Socotec-rapport verkeerd en slordig is uitgevoerd en dat dit een reden is om het volledig te vervangen. Op één plaats is geen sparing voor de wastafelafvoer in het tegelwerk gemaakt, maar het ligt voor de hand dat hiervoor in de begroting van Socotec (pagina 14 van het Socotec-rapport) geen kosten zijn meegenomen: bij het opnieuw tegelen kan alsnog een sparing worden aangebracht. [de aannemer] heeft niet tegengesproken dat de deskundige de voegen in bijzijn van partijen heeft opgemeten en evenmin dat de voegen breder waren dan van het werk van een redelijk bekwaam en vakkundig aannemer mag worden verwacht.
4. Krassen en verontreiniging in/op de treden van de houten trap
10. Verontreiniging vloeren en12. Beschadiging van de afdekplaat van het kruipluik
2.25.
[de aannemer] stelt dat [de opdrachtgever] voor het afdekken van de trap en de vloeren had moeten zorgen en verwijst daarvoor naar de met [de opdrachtgever] overeengekomen begroting voor de uit te voeren werkzaamheden. In die begroting staat als eerste post een bedrag voor het beschermen van ‘diverse zaken’. Op pagina 5 van de begroting staat voorts een post voor ‘afdekken vloer: stucloper aanbrengen’. De enkele verwijzing naar de begroting is daarom in dit verband onbegrijpelijk. [de aannemer] beroept zich er verder op dat [de opdrachtgever] zich niet aan zijn advies heeft gehouden om de vloer pas later, namelijk na afloop van zijn werkzaamheden te laten leggen. Hiertegen heeft [de opdrachtgever] ingebracht dat [de aannemer] een dergelijk advies niet heeft gegeven, dat het de bedoeling was om de vloer pas na afronding van het werk van [de aannemer] te laten leggen, maar dat de werkzaamheden van [de aannemer] langer duurden dan voorzien waardoor de vloer tijdens die werkzaamheden moest worden gelegd. Op deze onderbouwing is [de aannemer] niet ingegaan, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. Dat de beschadiging van de nieuwe vloer door werkzaamheden van [de aannemer] onder deze omstandigheden voor rekening van [de opdrachtgever] behoort te komen, heeft [de aannemer] niet uitgelegd. [de aannemer] beweert dat het de stucloper goed heeft gelegd, maar nu de vloeren desondanks zijn beschadigd en niet is gebleken dat de oorzaak daarvan aan [de opdrachtgever] valt toe te rekenen, gaat het hof ook daaraan voorbij.
5. Het multiplex timmerwerk bij het voorgevelkozijn
2.26.
In het Socotec-rapport staat dat bij het voorgevelkozijn materiaal is gebruikt dat watervast had moeten zijn. [de aannemer] heeft hiertegen ingebracht dat het Okoumé heeft gebruikt, dat voor buitentoepassingen geschikt is. Het heeft dit met productie 17 bij conclusie van antwoord in reconventie onderbouwd. [de opdrachtgever] is in zijn processtukken niet nader op deze kwestie ingegaan. Daarom gaat het hof ervan uit dat het plaatmateriaal bij het voorgevelkozijn niet hoefde te worden vervangen. De kostenpost van € 320 exclusief btw die hiervoor in de begroting is opgenomen blijft buiten beschouwing. Omdat de deskundige met btw-tarieven van 9% en van 21% heeft gerekend en [de opdrachtgever] niet duidelijk heeft gemaakt welk btw-tarief over het bedrag van € 320 is berekend, houdt het hof rekening met 9% en trekt het een afgerond bedrag van € 350 inclusief btw van het totaalbedrag van de begroting af.
6. Er zit verf van het plafond op de stalen koof van de afzuigkap
2.27.
Als er al een verfspat op de koof zit, dan kan die volgens [de aannemer] met schoonmaakmiddel worden verwijderd. Dit heeft [de opdrachtgever] niet ontkend. [de opdrachtgever] heeft overigens bij conclusie van antwoord (§ 47) afgezien van het vorderen van een bedrag ter zake van de verfspat. Dit betekent dat de grief van [de aannemer] op dit onderdeel eveneens slaagt. De kostenpost voor het verwijderen van de verf is op € 50 exclusief btw gesteld. Het hof houdt opnieuw bij gebrek aan nadere informatie rekening met 9% btw en rond het bedrag af op € 55 inclusief btw.
7. Het wanddeel tussen de badkamerdoorgang en de deur van de slaapkamer
2.28.
Dit dient volgens de deskundige uitgevlakt te worden met stuc, waarna de wand geheel opnieuw dient te worden geschilderd. [de aannemer] voert aan dat dit niet is overeengekomen, maar [de opdrachtgever] wijst op het feit dat in de begroting een post is opgenomen voor het stuken en schilderen van alle wanden en plafonds en dat heeft [de aannemer] onvoldoende weersproken. Ook dat stucwerk is daarom terecht in de Socotec begroting opgenomen als nog uit te voeren werk.
11. Binnendeuren van de woonkamer en slaapkamers ontbreken
2.29.
In het rapport valt te lezen dat een in de offerte genoemde schuifdeur zou worden vervangen door een reguliere scharnierdeur, dat vier scharnierdeuren inclusief het beslag nog ontbraken, dat de aanwezige binnendeuren van een derde scharnier moesten worden voorzien en dat [de aannemer] hierover bij de opname heeft verklaard dat die extra scharnieren nog moesten worden aangebracht.
Volgens [de aannemer] heeft de deskundige drie deuren en twee kozijnen meegerekend die meerwerk zijn. [de opdrachtgever] heeft echter tegengeworpen dat de opdracht alle binnendeuren omvat. Het hof ziet op pagina 4 van de door [de aannemer] opgestelde begroting bij zijn offerte in totaal acht binnendeuren (4 + 2 + 1 + de taatsdeur) staan. Dat de deskundige met meer heeft gerekend dan acht deuren, waarvan er nog vier moesten worden geleverd, heeft [de aannemer] niet aangevoerd en valt uit het Socotec-rapport ook al niet te herleiden. [de opdrachtgever] maakt in het kader van zijn verdediging tegen grief 2 van [de aannemer] melding van een vergissing in § 11 (pagina 13) van het Socotec-rapport, waar staat dat er alsnog een taatsdeur zou worden geleverd. Vast staat dat partijen de taatsdeur in de offerte hebben geschrapt en voor € 7.051,80 exclusief btw aan minderwerk hebben verrekend. Socotec rekent voor het leveren en monteren van de vier ontbrekende deuren € 7.851,80 exclusief btw (post 11 op pagina 14) zodat ervan uitgegaan moet worden dat de - dure - taatsdeur daar geen deel van uitmaakt. Ook hier volgt het hof de begroting van de deskundige.
2.30.
Met zijn grief 2 en productie 6 bij de memorie van grieven klaagt [de aannemer] er verder over dat de kantonrechter bij de berekening had moeten betrekken dat het ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst 98,2% (te weten voor een waarde van € 61.012,56 exclusief btw) van de overeenkomst had uitgevoerd en gefactureerd. [de opdrachtgever] spreekt niet tegen dat hij het resterende gedeelte van de aanneemsom had moeten betalen als [de aannemer] het werk had voltooid. Dit betekent dat het schadebedrag dat [de aannemer] moet vergoeden met 1,8% van de aanneemsom van € 72.800 inclusief btw verminderd moet worden. Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de bezwaren van [de aannemer] tegen de berekening van het schadebedrag dat hij moet vergoeden, uitgezonderd wat betreft de vervanging van multiplex door Trespa, de verwijdering van verf van de afzuigkap en de 1,8% die [de opdrachtgever] heeft bespaard op de aanneemsom. De schade van [de opdrachtgever] zal € 1.715,40 (€ 350 + € 55 + € 1.310,40) lager worden vastgesteld dan de kantonrechter heeft gedaan.
de vergoeding van deskundigenkosten
2.31.
Met grief III komt [de aannemer] op tegen het toekennen van een vergoeding voor de rapportagekosten van Socotec. De grief bevat een primaire toelichting waarbij [de aannemer] uitgaat van standpunten die hierboven zijn verworpen. In dat kader wordt ook aan [de opdrachtgever] verweten dat hij de deskundige onvoldoende heeft ingelicht, maar die beschuldiging is naar het oordeel van het hof niet concreet genoeg en stuit bovendien af op de omstandigheid dat [de aannemer] zelf de deskundige had kunnen voorzien van informatie.
2.32.
Subsidiair beroept [de aannemer] zich op zijn eigen begroting (productie 8 bij memorie van grieven in zijn hoger beroep) die hij hier werkomschrijving noemt. Daarin staat dat de kosten van externe deskundigen voor rekening van [de opdrachtgever] komen. Het hof verwerpt ook deze subsidiaire grondslag omdat [de aannemer] niet heeft onderbouwd dat partijen met deze bepaling ook het oog hadden op de in artikel 6:96 BW bedoelde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid wegens gebrekkig uitgevoerd werk. De grief III van [de aannemer] faalt.
andere schadeposten – dubbele woonlasten e.d.
2.33.
In rechtsoverweging 4.15 heeft de kantonrechter overwogen dat partijen geen opleverdatum zijn overeengekomen, dat het werk wel vertraging heeft opgelopen, maar niet duidelijk is hoe veel langer het heeft geduurd en dat [de opdrachtgever] dit nader had moeten onderbouwen. De kantonrechter ziet ook onvoldoende aanknopingspunten om tot een schatting van de schade te komen en heeft de vordering daarom afgewezen. Volgens grief 2 van [de opdrachtgever] had de kantonrechter moeten oordelen dat partijen zijn overeengekomen dat de verbouwing vóór kerst 2023 zou worden afgerond en, toen dat niet bleek te lukken, oplevering op 29 januari 2024 zou plaatsvinden, waarna [de opdrachtgever] de woning weer zou kunnen gebruiken. Pas eind juni 2024 kon [de opdrachtgever] weer in de woning intrekken, nadat de nieuwe aannemer de verbouwing had afgerond.
geen fatale opleverdatum
2.34.
Op de zitting van het hof heeft het hof bij het onderzoek naar de mogelijkheden van een vergelijk tussen partijen de verwachting uitgesproken dat de vordering van [de opdrachtgever] tot vergoeding van extra uitgaven vanwege de vertraging van de oplevering niet zal worden toegewezen omdat niet is gebleken dat een fatale datum van oplevering is afgesproken. Bij nadere beschouwing ziet het hof dat de vordering van [de opdrachtgever] niet is gebaseerd op een fatale datum, maar op het tekortschieten van [de aannemer] door het staken van werkzaamheden op 15 januari 2024, In grief 2 van [de opdrachtgever] ligt besloten dat de verbouwing op 29 januari 2024 zou zijn voltooid als [de aannemer] niet op 15 januari 2024 zou zijn gestopt met werken en dat [de opdrachtgever] de woning vanaf februari 2024 weer had kunnen gebruiken als [de aannemer] had doorgewerkt.
2.35.
[de aannemer] heeft hiertegen in eerste aanleg aangevoerd dat het niet tekort is geschoten, maar hierboven is al vastgesteld dat [de aannemer] wel tekort is geschoten door de werkzaamheden te staken. Subsidiair heeft [de aannemer] aangevoerd dat de gestelde schade niet het gevolg is van zijn tekortschieten. [de opdrachtgever] had in het huis kunnen verblijven tijdens de verbouwing. Deze bewering had echter een nadere toelichting moeten krijgen, omdat het blijkens de begroting van [de aannemer] ging om een omvangrijke verbouwing: in het late najaar werden er muren gesloopt en werden de deuren verwijderd.
schade door langer verblijf elders
2.36.
[de aannemer] heeft afzonderlijk verweer gevoerd tegen een aantal van de schadeposten, maar dat verweer is grotendeels onvoldoende gemotiveerd. De stelling dat de dochter van [de opdrachtgever] vanuit de tijdelijke woning met de auto naar school moest worden gebracht terwijl die school vanuit de woning zonder auto kon worden bereikt is naar het oordeel van het hof namelijk voldoende duidelijk, ook nu niet is gespecificeerd om welke school het gaat. Hetzelfde geldt voor reiskosten (waaronder de veerboot van de veerdienst [plaats] ), voor de kosten van opslag van inboedel en voor de pensionkosten voor de katten. Dat er dichterbij ook een geschikt tijdelijk verblijf voor het gezin beschikbaar was waar ook nog eens katten mochten worden gehouden, een eigen wasmachine stond en/of [de opdrachtgever] ‘thuis’ kon werken, heeft [de aannemer] niet feitelijk uitgelegd. Welk verblijf het hiermee op het oog heeft, is niet duidelijk. Dat [de opdrachtgever] voldoende eigen opslagruimte had voor de inboedel, heeft [de aannemer] evenmin onderbouwd. Dat [de opdrachtgever] al op 21 juli 2023 een plaats op de camping heeft gereserveerd en dit heeft gedaan voor de periode tot en met april 2024, staat aan de toekenning van de schadevergoeding ook al niet in de weg. Hetzelfde geldt voor de tegenwerpingen van [de aannemer] dat [de opdrachtgever] een chalet voor 7 personen heeft gereserveerd en dat er goedkoper onderdak beschikbaar was. [de aannemer] maakt - nogmaals - niet duidelijk dat er goedkopere ruimte beschikbaar was en dat van [de opdrachtgever] kon worden verlangd om voor die goedkopere oplossing te kiezen. [de aannemer] voert niet aan dat [de opdrachtgever] onredelijk hoge kosten heeft gemaakt. Dat [de opdrachtgever] van [de aannemer] betaling van een borgsom verlangt, is niet aangevoerd en [de opdrachtgever] heeft geen vergoedingen gevorderd over de maand juli 2024. Van een vakantie van [de opdrachtgever] is niet gebleken, ook niet van misbruik van recht.
2.37.
De kosten die [de opdrachtgever] claimt over de maand januari 2024 blijven echter wel buiten beschouwing, omdat niet gesteld of gebleken is dat [de aannemer] de verbouwing al eerder dan op 29 januari 2024 zou hebben opgeleverd indien het het werk had afgemaakt. Het gaat hierbij om een bedrag van € 101,64 voor autokilometers van en naar de school, € 71,82 voor woon- werkverkeer voor (mevrouw) [de opdrachtgever] , een derde gedeelte van de kosten van kattenopvang (€ 1.657), een zesde gedeelte van de opslagkosten (€ 162,50), een maand staanplaatskosten (€ 45) en een deel van de waskosten (schatting: € 10). In totaal wordt de schadeomvang daarom niet op € 22.344,16, maar € 2.047,96 lager vastgesteld, op € 20.296,20.
de proceskosten in eerste aanleg
2.38.
Grief 3 van [de opdrachtgever] gaat over de proceskostenbeslissing van de kantonrechter. [de opdrachtgever] wil dat [de aannemer] in die kosten wordt veroordeeld. Uit dit arrest blijkt dat de vorderingen die [de aannemer] in eerste aanleg heeft ingesteld ongegrond zijn en dat de vorderingen in eerste aanleg van [de opdrachtgever] grotendeels gegrond zijn. In het licht hiervan zal het hof [de aannemer] in de kosten van de procedure bij de kantonrechter veroordelen. Dit geldt zowel voor de procedure in conventie als die in reconventie. Tot die kosten behoren ook de eventuele nakosten. Het hof begroot de kosten die [de aannemer] aan [de opdrachtgever] moet vergoeden tot op de datum van de uitspraak door de kantonrechter als volgt:
in conventie:
€ 1.086 voor salaris van de gemachtigde (2 pt. van kantontarief 10)
in reconventie:
€ 543 voor salaris van de gemachtigde (de helft van de advocaatkosten in conventie).
2.39.
Grief IV van [de aannemer] heeft geen eigen grondslag en hoeft daarom niet afzonderlijk te worden besproken.
de slotsom
2.40.
De grieven van [de aannemer] slagen in zoverre dat het bedrag dat [de aannemer] moet betalen € 1.715,40 lager zal worden vastgesteld dan het bedrag van € 6.142,56 dat de kantonrechter heeft bepaald. Het toe te wijzen bedrag is dan ook € 4.427,16. Voor het overige falen zijn grieven.
2.41.
De grieven van [de opdrachtgever] slagen eveneens ten dele. Dit leidt ertoe dat aanspraken van [de opdrachtgever] op een hogere schadevergoeding gedeeltelijk worden toegekend. Het gaat om een schade van € 5.000 wegens hogere kosten doordat [de opdrachtgever] een andere aannemer heeft moeten inschakelen en om een schade van € 20.296,20 voor extra uitgaven gedurende de maanden februari 2024 tot en met juni 2024 die zijn veroorzaakt doordat hij de woning niet kon gebruiken. Het bedrag dat [de aannemer] in totaal aan [de opdrachtgever] moet betalen is € 29.723,36. Zoals al gezegd leidt het een en ander tot andere beslissingen over de kosten van de procedure bij de kantonrechter. Voor het overige falen de grieven van [de opdrachtgever] .
de kosten van de procedures bij het hof
2.42.
Het hof zal [de aannemer] in de kosten van zijn hoger beroep veroordelen, omdat zijn hoger beroep grotendeels ongegrond is. De tot vandaag gemaakte kosten die [de aannemer] aan [de opdrachtgever] moet vergoeden worden op € 4.167 begroot, namelijk:
€ 827 aan griffierecht en
€ 3.340 voor salaris van de advocaat conform het liquidatietarief (2 pt. tarief III).
Deze veroordeling houdt in dat [de aannemer] ook de kosten moet vergoeden die [de opdrachtgever] na vandaag moet maken om het arrest uit te voeren (de nakosten): de betekeningskosten en het salaris van de advocaat volgens het liquidatietarief. Als de proceskostenvergoeding niet binnen twee weken wordt betaald, komt de wettelijke rente erbij.
2.43.
Het hof zal [de aannemer] ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep van [de opdrachtgever] omdat het ook daarin grotendeels in het ongelijk wordt gesteld. De kosten van [de opdrachtgever] tot vandaag worden door het hof begroot op de helft van de vergoeding voor het salaris van de advocaat die in het hoger beroep van [de aannemer] is vastgesteld, dus op € 1.670. Deze veroordeling houdt eveneens in dat [de aannemer] de nakosten moet vergoeden, dit volgens het liquidatietarief. Als de proceskosten niet binnen twee weken na betekening van dit arrest worden voldaan, is daarover wettelijke rente verschuldigd.
2.44.
De veroordelingen die het hof uitspreekt mogen ook uitgevoerd worden als de zaak aan de Hoge Raad wordt voorgelegd (uitvoerbaar bij voorraad).
3De beslissingen
Het hof doet als volgt recht in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
3.1.
het bekrachtigt de beslissingen die de kantonrechter in haar vonnis van 18 december 2024 onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.5 heeft gegeven;
3.2.
het vernietigt het vonnis onder 5.4 en onder 5.7 en veroordeelt [de aannemer] om een schadevergoeding van € 29.723,36 aan [de opdrachtgever] te betalen;
3.3.
het vernietigt het vonnis onder 5.6 en veroordeelt [de aannemer] in de kosten van de procedures in conventie en in reconventie, waarvan de kosten tot de datum van de uitspraak van de kantonrechter worden begroot op € 1.086 in conventie en € 543 in reconventie;
3.4.
het veroordeelt [de aannemer] in de kosten van zijn hoger beroep, begroot tot vandaag de kosten van [de opdrachtgever] op € 4.167 en veroordeelt [de aannemer] in de kosten van het hoger beroep van [de opdrachtgever] met begroting van de kosten die [de opdrachtgever] tot vandaag in dat hoger beroep heeft gemaakt op € 1.670;
3.5
het bepaalt dat alle proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na betekening van dit arrest. Als niet op tijd wordt betaald dan worden die kosten verhoogd met wettelijke rente;
3.6.
het verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
het wijst het meer en anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, M. Wallart en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op d*.
HR 5 oktober 2012 rov. 3.4.2, ECLI:NL:HR:2012:BW8307 Tyco/Delato
HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610 Ammerlaan/Enthoven