Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5875
2026-09-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/1267 en 25/235
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Hulpmiddelen en vervoerskosten.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2021:1963 Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1963 Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:HR:1994:AA3012 Hoge Raad 02-11-1994
- ECLI:NL:HR:2020:1069 Hoge Raad 19-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.902 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/1267 en 25/235
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2024, nummer LEE 23/1699, en tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2024, nummer LEE 24/1308, in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.370 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.471. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 42.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard. Bij beschikking van 24 februari 2023 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.886 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 363. De Inspecteur heeft de beschikking belastingrente verminderd tot € 20.
1.3
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.730 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.039.
1.4
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € € 66.831 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 202.
1.5
Belanghebbende is tegen de hiervoor – onder 1.2 en 1.4 – bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank).
1.6
De Rechtbank heeft het beroep met betrekking het jaar 2018 (LEE 23/1699) bij uitspraak van 23 mei 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.009 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 363, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vastgesteld op € 1.442, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.7
De Rechtbank heeft het beroep met betrekking het jaar 2019 (LEE 24/1308) bij uitspraak van 19 december 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.654 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 202 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.8
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor – onder 1.6 en 1.7 - bedoelde uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
1.9
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .
1.10
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2De vaststaande feiten
2.1
Belanghebbende is geboren [in] 1965.
2.2
Belanghebbende heeft op 14 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.973 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.471. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door belanghebbende als volgt aangegeven:
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 10.000
loon uit vroegere dienstbetrekking € 62.370
uitgaven voor specifieke zorgkosten € 8.397 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 63.973
2.3
De door belanghebbende in de aangifte opgegeven uitgaven voor specifieke zorgkosten bestaan uit de volgende posten:
genees- en heelkundige hulp € 323
vervoer € 6.554
medicijnen € 167
andere hulpmiddelen € 2.008
dieetkosten € 2.200
kleding en beddengoed € 300
totaal € 11.552
Rekening houdend met de drempel van € 3.155 wordt in totaal € 8.397 (€ 11.552 – € 3.155) als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen in de aangifte.
2.4
Op 17 december 2020 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij de uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aanmerking genomen en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 72.370 (€ 10.000 + € 62.370) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 11.471.
2.5
Over het belastingjaar 2016 heeft belanghebbende eveneens een gerechtelijke procedure gevoerd. In 2016 waren de uitgaven voor specifieke zorgkosten bij het opleggen van de aanslag door de Inspecteur niet in aanmerking genomen. In deze procedure is geen uitspraak gedaan omdat voorafgaand aan de zitting van 15 april 2021 tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de in aanmerking te nemen uitgaven voor specifieke zorgkosten. Deze afspraken zijn door de Inspecteur bevestigd via de mail van 12 maart 2021 met als onderwerp ‘Afstemming’. In dit e-mailbericht staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“1. Ten aanzien van de extra vervoerskosten dat deze volledig aftrekbaar zijn, voor zover de hoogte hiervan aannemelijk wordt gemaakt ten aanzien van autogebruik in verband met ziekte/handicap van [naam3] . Berekeningen worden bij het doen van belastingaangiften uitgevoerd conform de ANWB/NIBUD methode en deze methode is geaccepteerd door Belastingdienst. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst gestuurd en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is. Er is inderdaad sprake van meerkosten, echter de daadwerkelijke, kosten zullen wel jaarlijks aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden middels een berekening en onderbouwing op basis van hiervoor genoemde de methode.
2. Ten aanzien van de specifieke zorgkosten, dieetkosten, dat het aftrekbaar bedrag van de dieetkosten voor het dieet met nummers 18,23, 31 en 45 worden geaccepteerd door Belastingdienst conform de tabel van Belastingdienst omdat het hier een chronische ziekte van [naam3] betreft en hier afgelopen jaren al de nodige medische verklaringen én dieet -verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst verstrekt. Voor deze diëten zal niet iedere jaar weer om een nieuwe dieetbevestiging gevraagd worden. Mocht er sprake zijn van een nieuw dieet dan dient dit wel aannemelijk gemaakt te worden.
3. Ten aanzien van specifieke zorgkosten, Medicijnen: er wordt door [naam3] een vast overeengekomen standaardbedrag van 500 euro opgevoerd voor de komende jaren zoals eerder is overeengekomen tijdens het beroepzaak IB2014. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst verstrekt en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is zal dit de komende jaren standaard worden geaccepteerd en is verdere onderbouwing en bewijs door [naam3] niet meer nodig en hier zal niet meer naar worden gevraagd door de Belastingdienst conform overeengekomen in de beroepzaak IB2014.
4. Ten aanzien van specifieke zorgkosten, Kleding en beddengoed: door [naam3] zal het standaard lage forfait dat door de Belastingdienst is vastgesteld en op dat moment geldt worden opgevoerd door [naam3] in zijn aangifte de komende jaren. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst gestuurd en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is zal dit de komende jaren standaard worden geaccepteerd en is verdere onderbouwing en bewijs niet nodig en hier zal niet meer naar worden gevraagd door de Belastingdienst.”
2.6
In verband met de behandeling van het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2018 heeft de Inspecteur op 26 april 2021 een e-mailbericht gestuurd naar belanghebbende met als onderwerp: ‘Betr: Aanvulling bezwaar IB2018, [naam3] ’. In dit e-mailbericht is onder andere het volgende opgenomen:
“Ten aanzien van onderstaande het volgende:
De hulpmiddelen. Hiervan heeft u aangegeven dat dit de volgende hulpmiddelen betreffen: twee mobiele telefoons en een horloge allen aangeschaft in Thailand, een Tom Tom, twee iPad’s, de abonnementskosten voor bellen en internet plus een rugzit die is ontworpen voor het gebruik in een kajak. U mag alleen een bedrag meetellen indien er sprake is van "hulpmiddelen" en als er sprake is van hulpmiddelen dienen deze hoofdzakelijk door zieke of invalide personen te worden gebruikt. Uit uw informatie blijkt dat dit niet het geval is, omdat het in alle gevallen niet gaat om hulpmiddelen en als iets toch de kwalificatie hulpmiddel zou kunnen krijgen het niet is ontworpen voor u of voor invalide en zieke mensen. Dit betekent dat u voor hulpmiddelen geen bedrag mag meetellen, op dit punt kan ik derhalve niet tegemoet komen.
- De extra vervoerskosten zijn in het kader van een compromis akkoord.
- De geneeskundige hulp is akkoord.
- De medicijnen zijn akkoord.”
2.7
Belanghebbende heeft op een uitdraai van het hiervoor – onder 2.6 - bedoelde e-mailbericht van de Inspecteur van 26 april 2021 de volgende handgeschreven notitie aangebracht (bijlage 35 van zijn beroepschrift in eerste aanleg):
“Na telefonisch onderhoud op 2.. (toevoeging Hof: het tweede cijfer is niet goed leesbaar) april 2021 is alles akkoord! [naam4] stuur “per omgaande” correcte aanslag met correctie Dus alles wordt terug-gedraaid = OK Dus afgehandeld”
2.8
Op 31 januari 2023 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur komt gedeeltelijk tegemoet aan het bezwaar en staat de volgende uitgaven voor specifieke zorgkosten toe:
medicijnen € 500
dieetkosten € 2.200
kleding en beddengoed € 300
totaal € 3.000
Rekening houdend met de drempel van € 2.516 wordt in totaal € 484 (€ 3.000 – € 2.516) als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Deze drempel is verlaagd omdat het verzamelinkomen is verlaagd door een verlaging van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. De door belanghebbende opgevoerde uitgaven specifieke zorgkosten wegens genees- en heelkundige hulp, vervoer en andere hulpmiddelen worden door de Inspecteur niet in aanmerking genomen. Het op de verminderingsbeschikking vermelde inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 10.000
loon uit vroegere dienstbetrekking € 62.370
uitgaven voor specifieke zorgkosten € 484 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 71.886
Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 363.
2.9
Op 13 juni 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.043. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 5.964 aan aftrek specifieke zorgkosten opgegeven. Het door belanghebbende aangegeven bedrag aan aftrek specifieke zorgkosten is als volgt gespecificeerd:
Kosten medicijnen € 582
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 5.874
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 9.132
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 3.168 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 5.964
2.10
Met dagtekening 3 december 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 70.730 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 11.039. De Inspecteur heeft het aftrekbare bedrag aan specifieke zorgkosten als volgt vastgesteld:
Kosten medicijnen € 500
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 2.650
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 5.826
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 3.168 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 2.658
2.11
Belanghebbende heeft op 30 december 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019.
2.12
Met dagtekening 27 juli 2022 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 verminderd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 70.106, na aftrek van € 3.282 aan specifieke zorgkosten, en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 202.
2.13
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voor 2019 het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 66.831 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 202. Het aftrekbare bedrag aan specifieke zorgkosten is als volgt vastgesteld:
Kosten medicijnen € 500
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 5.925
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 9.101
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 2.546 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 6.555.
De Inspecteur heeft € 6.557 in aftrek toegestaan.
De uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit van € 5.925 zijn als volgt vastgesteld:
Autohuur € 1.491
Openbaar vervoerskosten € 274
Scooter vervoer € 501
Afschrijving winterbanden € 160
Winterbanden wissel € 100
Afschrijving trekhaak € 119
ANWB hulp € 90
Parkeerkaart Apeldoorn € 92
Wasstraatkosten € 70
Vervoerskosten op basis van bewijsstukken € 2.897
Kilometers Volkswagen Caddy op basis van ANWB-tool: 11.828 x € 0,44 € 5.204
Kilometers Ford Fiesta op basis van ANWB-tool: 5.233 x € 0,529 € 2.768
Af: NIBUD-norm € 4.944 -/-
Aftrekbare vervoerskosten, in totaal € 5.925
2.14
Belanghebbende heeft vanaf 28 februari 2013 een Volkswagen Caddy ( [kentekennummer1] ) op zijn naam staan. De kilometerstand per 1 januari 2019 is 131.697 en per 31 december 2019 143.525. Belanghebbende heeft in 2019 11.828 kilometer gereden met deze auto.
2.15
Belanghebbende heeft vanaf 21 december 2019 een Ford Fiesta ( [kentekennummer2] ) op zijn naam staan. Deze auto was voorheen van zijn vader. Uit een APK-factuur blijkt dat de kilometerstand op 16 juni 2019 55.272 is. Per 31 december 2019 is de kilometerstand 60.505.
3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In geschil is voor de aanslag IB/PVV 2018 of de Inspecteur de door belanghebbende gestelde uitgaven voor hulpmiddelen, ten bedrage van € 2.008, als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking moet nemen. Belanghebbende meent van wel. De Inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan.
3.2
In geschil is voor de aanslag IB/PVV 2019 of de Inspecteur de aftrek voor vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit (hierna: vervoerskosten) op een juist bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt in dat verband dat de Inspecteur onterecht geen rekening heeft gehouden met kosten voor de APK van beide auto’s en kosten voor een milieusticker en dat de Inspecteur voor de Ford Fiesta ten onrechte rekening heeft gehouden met 5.233 gereden kilometers, terwijl de werkelijk gereden kilometers 5.612 zijn en dat de Inspecteur voor de Volkswagen Caddy bij de berekening van de vervoerskosten is uitgegaan van € 0,44 per kilometer op basis van de ANWB-tool, terwijl dit volgens belanghebbende € 0,62 per kilometer moet zijn. De Inspecteur stelt ook dat de aftrek voor vervoerskosten te laag is vastgesteld en concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.187.
3.3
Belanghebbende stelt voorts in beide zaken dat hij recht heeft op een vergoeding van € 2.000 wegens schade. Voor het jaar 2018 verzoekt hij verder nog om een hogere proceskostenvergoeding, te weten een vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank rekening houdend met vertrek vanuit zijn (tweede) woning aan [adres1] 615 te [plaatsnaam1] in plaats vanuit zijn woning aan het [adres2] 7 te [plaatsnaam2] .
3.4
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en vermindering van de bestreden aanslagen en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking belastingrente.
3.5
De Inspecteur concludeert in de zaak met nummer BK-ARN 24/1267 tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
4Beoordeling van het geschil
IB/PVV 2018 (BK-ARN 24/1267)
4.1
Partijen houdt verdeeld of de door belanghebbende opgevoerde kosten (ter zake van de aanschaf van twee iPads, twee mobiele telefoons, een horloge, een TomTom, extra internetaansluitingen en een rugsteun) vallen onder de reikwijdte van artikel 6.17, eerste lid, onder d van de Wet IB 2001.
4.2
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat het, op grond van de wettekst van dat van artikel 6.17, eerste lid, onder d, van de Wet IB 2001, moet het gaan om een hulpmiddel “van een zodanige aard (…) dat zij door een zieke of invalide persoon worden gebruikt”. In de rechtspraak wordt dit criterium zo ingevuld dat het moet gaan om een hulpmiddel dat een hoedanigheid bezit die meebrengt dat zij alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen of naar hun aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kunnen overnemen (HR 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA3012). Bij de door belanghebbende opgevoerde kosten van hulpmiddelen is daarvan geen sprake. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog aangevoerd dat op de iPads speciale software is geladen die voorziet in het automatisch uitschakelen van elektrische verlichting en/of apparatuur (domotica) en dat de rugsteun is aangepast om in de auto te kunnen worden gebruikt. Naar het oordeel van het Hof, maakt dat evenwel hetgeen hiervoor is overwogen niet anders, omdat het nog steeds niet gaat om hulpmiddelen in vorenbedoelde zin. De bedoelde software wordt ook gebruikt door niet-invalide (niet-zieke) mensen.
4.3
Subsidiair heeft belanghebbende zich beroepen op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de Inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de Inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.).
4.4
Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende met de enkele verwijzing naar een eigen handgeschreven notitie, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur de telefonische toezegging heeft gedaan dat deze uitgaven in aanmerking genomen mogen worden. Het e-mailbericht van de Inspecteur van 26 april 2021 duidt eerder op het tegendeel. Nog daargelaten dat niet duidelijk is of de handgeschreven vastlegging van het beweerdelijke telefoongesprek is gedateerd vóór of na 26 april 2021, had het voor de hand gelegen dat belanghebbende een dergelijke, voor hem belangrijke, toezegging van de Inspecteur aan hem zou hebben bevestigd, hetgeen niet het geval is.
IB/PVV 2019 (BK-ARN 25/235)
4.5
Op grond van artikel 6.17, lid 1, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden onder meer vervoerskosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt. De bewijslast voor deze uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op belanghebbende. Dat betekent dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk moet maken dat hij in 2019 de door hem geclaimde vervoerskosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat deze kosten in 2019 op hem hebben gedrukt.
4.6
In zijn verweerschrift in hoger beroep geeft de Inspecteur aan dat hij alsnog tegemoetkomt aan de grief van belanghebbende dat voor de Ford Fiësta alsnog rekening moet worden gehouden met een totaal aantal kilometers van 5.612. Voorts staat hij alsnog aftrek toe van de kosten van een milieusticker en de kosten van de APK-keuring. De aanslag IB/PVV 2019 dient daarom, aldus de Inspecteur, te worden verminderd met de kosten van de milieusticker € 12,50, de kosten van de APK (€ 218,12 + € 35 = € 253,12) en de extra gereden kilometers met de Ford Fiësta (379 km x € 0,529 =) € 200,49, in totaal met derhalve € 466,11, afgerond € 467, zodat volgens de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en inkomen € 66.187 moet bedragen. Het Hof ziet geen reden de Inspecteur hierin niet te volgen.
4.7
Partijen verschillen nog van mening over de gehanteerde kilometerprijs voor de Volkswagen Caddy. De Inspecteur is in de uitspraak op bezwaar voor de Volkswagen Caddy bij de berekening van de vervoerskosten uitgegaan van € 0,44 per kilometer. Dit bedrag volgt uit een door de Inspecteur op dat moment gemaakte berekening middels de ANWB-tool, op basis van de door belanghebbende overgelegde gegevens. Belanghebbende stelt dat van een latere, door belanghebbende gemaakte, berekening middels de ANWB-tool moet worden uitgegaan, uit welke berekening een bedrag van € 0,62 per kilometer volgt. Dat de latere berekening afwijkt van de eerdere berekening komt volgens belanghebbende doordat de ANWB-tool steeds wordt geoptimaliseerd en de Inspecteur onterecht met een gemiddeld aantal kilometers heeft gerekend.
4.8
De last om aannemelijk te maken dat van een hoger bedrag dan € 0,44 per kilometer moet worden uitgegaan rust, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij op dat punt naar voren heeft gebracht en overgelegd (in beroep: een berekening aan de hand van de ANWB-tool van 22 januari 2024, waarvan niet duidelijk is op welk jaar die ziet), tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldaan aan zijn bewijslast dat de vervoerskosten voor de VW Caddy in 2019 hoger zijn dan € 0,44 per kilometer.
4.9
De Inspecteur heeft gesteld dat uit de ANWB-Autokostentool, waarvan partijen hebben afgesproken deze tot uitgangspunt te nemen, is af te leiden dat reeds rekening is gehouden met de kosten voor winterbanden. Belanghebbende op wie de last rust aannemelijk te maken dat dat niet het geval is, slaagt daarin niet. De blote stelling dat door hem na de aanschaf van de auto winterbanden zijn aangeschaft is daartoe onvoldoende. Daarmee wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van winterbanden in de ANWB-Autokostentool niet zouden zijn meegenomen. Ook uit het in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van [e-mailadres] van 26 april 2023 blijkt niet dat de kosten van winterbanden niet zijn verdisconteerd in de tool.
4.10
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 worden vastgesteld op € 66.187. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen blijft vastgesteld op € 202.
Schadevergoeding
4.12
Belanghebbende is van mening dat hij voor zowel 2018 als 2019 recht heeft op € 2.000 aan (kosten)vergoeding ter compensatie van beroepskosten, tijd, administratie en het niet nakomen van afspraken door de Inspecteur. Volgens belanghebbende is hij dit met de Inspecteur in een eerdere procedure bij de Rechtbank over het jaar 2016 overeengekomen tijdens de zitting van de Rechtbank op 15 april 2021, en is deze vergoeding ook van toepassing voor de jaren 2018 en 2019. Volgens de Inspecteur is er van een dergelijke afspraak geen sprake.
4.13
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur rust op belanghebbende de last zijn stelling aannemelijk te maken dat de afspraken voor het jaar 2016 en nadien voor het jaar 2017 ook gelden voor de onderhavige jaren (2018 en 2019). Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2021 blijkt juist het tegendeel, namelijk dat de daar afgesproken vergoeding uitsluitend ziet op het jaar 2016. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de Rechtbank heeft bericht dat het proces-verbaal op dit punt onjuist is. Nog daargelaten dat het laatstbedoelde bericht niet tot de processtukken behoort en dat de Inspecteur heeft verklaard dat de procesgemachtigde die namens de Inspecteur de bedoelde zitting heeft bijgewoond, [naam4] , heeft ontkend dat er ter zitting een afspraak zou zijn gemaakt die ook voor de onderhavige jaren geldt, acht het Hof het, gelet op de duidelijke bewoordingen van het proces-verbaal dat voor het Hof de enige kenbron van het verhandelde ter zitting vormt, onwaarschijnlijk dat het tegenovergestelde van wat er in het proces-verbaal is beschreven, ter zitting is afgesproken. Voorts is niet gebleken dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 15 april 2021 naar aanleiding van nadien aan de Rechtbank verstuurde brieven van belanghebbende is aangepast. Uit het e-mailbericht van 6 mei 2021 blijkt dat na de bedoelde zitting tussen belanghebbende en de Inspecteur is afgesproken dat ook voor het jaar 2017 een vergoeding van € 2.000 is toegekend. Het Hof ziet, evenals de Rechtbank en overigens mede op de gronden die de Rechtbank daarvoor heeft gegeven, geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende op basis van een afspraak recht heeft op € 2.000 aan kostenvergoeding voor de procedure over onderhavig jaren.
Proceskostenvergoeding in eerste aanleg voor procedure van het jaar 2018
4.14
Belanghebbende verzoekt voor het jaar 2018 voorts nog om een hogere proceskostenvergoeding dan de Rechtbank heeft toegekend. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de vergoeding van reiskosten naar de Rechtbank in Groningen vanuit zijn (tweede) woning aan [adres1] te [plaatsnaam1] in plaats vanuit zijn woning aan het [adres2] 7 te [plaatsnaam2] , omdat hij de dag van de zitting in [plaatsnaam1] verbleef.
4.15
Ter zitting van de Rechtbank heeft de Inspecteur, blijkens het proces-verbaal van die zitting, erin bewilligd om in plaats van de reiskosten te vergoeden op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, zoals het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voorschrijft, uit te gaan van de reiskosten van belanghebbende per auto voor € 0,19 per kilometer mits wordt uitgegaan van het woonadres van belanghebbende in [plaatsnaam2] . Belanghebbende heeft niets overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf een ander, verder gelegen adres is vertrokken om de zitting van de Rechtbank bij te wonen. De omstandigheid dat belanghebbende eigenaar is van een woning in [plaatsnaam1] is daartoe onvoldoende, mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in de Basisregistratie Personen is ingeschreven in [plaatsnaam2] . De Rechtbank heeft, gelet daarop, de reiskostenvergoeding juist vastgesteld.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 24/1267 ongegrond en is het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 gegrond.
5Proceskosten en griffierecht
5.1
Nu het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten het door belanghebbende in hoger beroep voldane griffierecht, ad € 143, aan belanghebbende te vergoeden.
5.2
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 24,32 (64 km x € 0,19 x 2), te weten de reiskosten van belanghebbendes woonplaats in [plaatsnaam2] naar Leeuwarden (v.v.). Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van vervoer per auto en de Inspecteur heeft erin bewilligd om in plaats van de reiskosten te vergoeden op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, zoals het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voorschrijft, uit te gaan van de reiskosten van belanghebbende met de auto voor (primair) € 0,19 per kilometer.
6Beslissing
In de zaak met nummer BK-ARN 24/1267
Het Hof
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
In de zaak met nummer BK-ARN 25/235
Het Hof
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover het het oordeel over de vergoeding van het griffierecht betreft,
– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de bestreden belastingaanslag tot een die is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 202,
– wijst het verzoek om schadevergoeding af,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 24,32,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/1267 en 25/235
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2024, nummer LEE 23/1699, en tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 december 2024, nummer LEE 24/1308, in het geding tussen belanghebbende en
de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 72.370 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.471. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 42.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard. Bij beschikking van 24 februari 2023 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.886 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 363. De Inspecteur heeft de beschikking belastingrente verminderd tot € 20.
1.3
Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een aanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.730 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.039.
1.4
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € € 66.831 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 202.
1.5
Belanghebbende is tegen de hiervoor – onder 1.2 en 1.4 – bedoelde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank).
1.6
De Rechtbank heeft het beroep met betrekking het jaar 2018 (LEE 23/1699) bij uitspraak van 23 mei 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2018 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.009 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 363, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de hoogte van de dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar vastgesteld op € 1.442, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.7
De Rechtbank heeft het beroep met betrekking het jaar 2019 (LEE 24/1308) bij uitspraak van 19 december 2024 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag IB/PVV 2019 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.654 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 202 en bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
1.8
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor – onder 1.6 en 1.7 - bedoelde uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.
1.9
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] .
1.10
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2De vaststaande feiten
2.1
Belanghebbende is geboren [in] 1965.
2.2
Belanghebbende heeft op 14 april 2019 aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.973 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.471. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is door belanghebbende als volgt aangegeven:
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 10.000
loon uit vroegere dienstbetrekking € 62.370
uitgaven voor specifieke zorgkosten € 8.397 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 63.973
2.3
De door belanghebbende in de aangifte opgegeven uitgaven voor specifieke zorgkosten bestaan uit de volgende posten:
genees- en heelkundige hulp € 323
vervoer € 6.554
medicijnen € 167
andere hulpmiddelen € 2.008
dieetkosten € 2.200
kleding en beddengoed € 300
totaal € 11.552
Rekening houdend met de drempel van € 3.155 wordt in totaal € 8.397 (€ 11.552 – € 3.155) als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen in de aangifte.
2.4
Op 17 december 2020 heeft de Inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij de uitgaven voor specifieke zorgkosten niet in aanmerking genomen en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 72.370 (€ 10.000 + € 62.370) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 11.471.
2.5
Over het belastingjaar 2016 heeft belanghebbende eveneens een gerechtelijke procedure gevoerd. In 2016 waren de uitgaven voor specifieke zorgkosten bij het opleggen van de aanslag door de Inspecteur niet in aanmerking genomen. In deze procedure is geen uitspraak gedaan omdat voorafgaand aan de zitting van 15 april 2021 tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de in aanmerking te nemen uitgaven voor specifieke zorgkosten. Deze afspraken zijn door de Inspecteur bevestigd via de mail van 12 maart 2021 met als onderwerp ‘Afstemming’. In dit e-mailbericht staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
“1. Ten aanzien van de extra vervoerskosten dat deze volledig aftrekbaar zijn, voor zover de hoogte hiervan aannemelijk wordt gemaakt ten aanzien van autogebruik in verband met ziekte/handicap van [naam3] . Berekeningen worden bij het doen van belastingaangiften uitgevoerd conform de ANWB/NIBUD methode en deze methode is geaccepteerd door Belastingdienst. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst gestuurd en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is. Er is inderdaad sprake van meerkosten, echter de daadwerkelijke, kosten zullen wel jaarlijks aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden middels een berekening en onderbouwing op basis van hiervoor genoemde de methode.
2. Ten aanzien van de specifieke zorgkosten, dieetkosten, dat het aftrekbaar bedrag van de dieetkosten voor het dieet met nummers 18,23, 31 en 45 worden geaccepteerd door Belastingdienst conform de tabel van Belastingdienst omdat het hier een chronische ziekte van [naam3] betreft en hier afgelopen jaren al de nodige medische verklaringen én dieet -verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst verstrekt. Voor deze diëten zal niet iedere jaar weer om een nieuwe dieetbevestiging gevraagd worden. Mocht er sprake zijn van een nieuw dieet dan dient dit wel aannemelijk gemaakt te worden.
3. Ten aanzien van specifieke zorgkosten, Medicijnen: er wordt door [naam3] een vast overeengekomen standaardbedrag van 500 euro opgevoerd voor de komende jaren zoals eerder is overeengekomen tijdens het beroepzaak IB2014. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst verstrekt en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is zal dit de komende jaren standaard worden geaccepteerd en is verdere onderbouwing en bewijs door [naam3] niet meer nodig en hier zal niet meer naar worden gevraagd door de Belastingdienst conform overeengekomen in de beroepzaak IB2014.
4. Ten aanzien van specifieke zorgkosten, Kleding en beddengoed: door [naam3] zal het standaard lage forfait dat door de Belastingdienst is vastgesteld en op dat moment geldt worden opgevoerd door [naam3] in zijn aangifte de komende jaren. Ook hier zijn er de afgelopen jaren de nodige medische verklaringen door [naam3] aan de Belastingdienst gestuurd en gezien de ziekte van [naam3] chronisch is zal dit de komende jaren standaard worden geaccepteerd en is verdere onderbouwing en bewijs niet nodig en hier zal niet meer naar worden gevraagd door de Belastingdienst.”
2.6
In verband met de behandeling van het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2018 heeft de Inspecteur op 26 april 2021 een e-mailbericht gestuurd naar belanghebbende met als onderwerp: ‘Betr: Aanvulling bezwaar IB2018, [naam3] ’. In dit e-mailbericht is onder andere het volgende opgenomen:
“Ten aanzien van onderstaande het volgende:
De hulpmiddelen. Hiervan heeft u aangegeven dat dit de volgende hulpmiddelen betreffen: twee mobiele telefoons en een horloge allen aangeschaft in Thailand, een Tom Tom, twee iPad’s, de abonnementskosten voor bellen en internet plus een rugzit die is ontworpen voor het gebruik in een kajak. U mag alleen een bedrag meetellen indien er sprake is van "hulpmiddelen" en als er sprake is van hulpmiddelen dienen deze hoofdzakelijk door zieke of invalide personen te worden gebruikt. Uit uw informatie blijkt dat dit niet het geval is, omdat het in alle gevallen niet gaat om hulpmiddelen en als iets toch de kwalificatie hulpmiddel zou kunnen krijgen het niet is ontworpen voor u of voor invalide en zieke mensen. Dit betekent dat u voor hulpmiddelen geen bedrag mag meetellen, op dit punt kan ik derhalve niet tegemoet komen.
- De extra vervoerskosten zijn in het kader van een compromis akkoord.
- De geneeskundige hulp is akkoord.
- De medicijnen zijn akkoord.”
2.7
Belanghebbende heeft op een uitdraai van het hiervoor – onder 2.6 - bedoelde e-mailbericht van de Inspecteur van 26 april 2021 de volgende handgeschreven notitie aangebracht (bijlage 35 van zijn beroepschrift in eerste aanleg):
“Na telefonisch onderhoud op 2.. (toevoeging Hof: het tweede cijfer is niet goed leesbaar) april 2021 is alles akkoord! [naam4] stuur “per omgaande” correcte aanslag met correctie Dus alles wordt terug-gedraaid = OK Dus afgehandeld”
2.8
Op 31 januari 2023 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De Inspecteur komt gedeeltelijk tegemoet aan het bezwaar en staat de volgende uitgaven voor specifieke zorgkosten toe:
medicijnen € 500
dieetkosten € 2.200
kleding en beddengoed € 300
totaal € 3.000
Rekening houdend met de drempel van € 2.516 wordt in totaal € 484 (€ 3.000 – € 2.516) als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Deze drempel is verlaagd omdat het verzamelinkomen is verlaagd door een verlaging van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. De door belanghebbende opgevoerde uitgaven specifieke zorgkosten wegens genees- en heelkundige hulp, vervoer en andere hulpmiddelen worden door de Inspecteur niet in aanmerking genomen. Het op de verminderingsbeschikking vermelde inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 10.000
loon uit vroegere dienstbetrekking € 62.370
uitgaven voor specifieke zorgkosten € 484 -/-
belastbaar inkomen uit werk en woning € 71.886
Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 363.
2.9
Op 13 juni 2020 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.043. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van € 5.964 aan aftrek specifieke zorgkosten opgegeven. Het door belanghebbende aangegeven bedrag aan aftrek specifieke zorgkosten is als volgt gespecificeerd:
Kosten medicijnen € 582
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 5.874
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 9.132
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 3.168 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 5.964
2.10
Met dagtekening 3 december 2021 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 70.730 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 11.039. De Inspecteur heeft het aftrekbare bedrag aan specifieke zorgkosten als volgt vastgesteld:
Kosten medicijnen € 500
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 2.650
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 5.826
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 3.168 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 2.658
2.11
Belanghebbende heeft op 30 december 2021 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2019.
2.12
Met dagtekening 27 juli 2022 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2019 verminderd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. Het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 70.106, na aftrek van € 3.282 aan specifieke zorgkosten, en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 202.
2.13
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voor 2019 het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 66.831 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 202. Het aftrekbare bedrag aan specifieke zorgkosten is als volgt vastgesteld:
Kosten medicijnen € 500
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit € 5.925
Dieetkosten € 2.200
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 300
Genees- en heelkundige hulp € 176
Totaal € 9.101
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten € 2.546 -/-
Aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten € 6.555.
De Inspecteur heeft € 6.557 in aftrek toegestaan.
De uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit van € 5.925 zijn als volgt vastgesteld:
Autohuur € 1.491
Openbaar vervoerskosten € 274
Scooter vervoer € 501
Afschrijving winterbanden € 160
Winterbanden wissel € 100
Afschrijving trekhaak € 119
ANWB hulp € 90
Parkeerkaart Apeldoorn € 92
Wasstraatkosten € 70
Vervoerskosten op basis van bewijsstukken € 2.897
Kilometers Volkswagen Caddy op basis van ANWB-tool: 11.828 x € 0,44 € 5.204
Kilometers Ford Fiesta op basis van ANWB-tool: 5.233 x € 0,529 € 2.768
Af: NIBUD-norm € 4.944 -/-
Aftrekbare vervoerskosten, in totaal € 5.925
2.14
Belanghebbende heeft vanaf 28 februari 2013 een Volkswagen Caddy ( [kentekennummer1] ) op zijn naam staan. De kilometerstand per 1 januari 2019 is 131.697 en per 31 december 2019 143.525. Belanghebbende heeft in 2019 11.828 kilometer gereden met deze auto.
2.15
Belanghebbende heeft vanaf 21 december 2019 een Ford Fiesta ( [kentekennummer2] ) op zijn naam staan. Deze auto was voorheen van zijn vader. Uit een APK-factuur blijkt dat de kilometerstand op 16 juni 2019 55.272 is. Per 31 december 2019 is de kilometerstand 60.505.
3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1
In geschil is voor de aanslag IB/PVV 2018 of de Inspecteur de door belanghebbende gestelde uitgaven voor hulpmiddelen, ten bedrage van € 2.008, als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking moet nemen. Belanghebbende meent van wel. De Inspecteur is de tegengestelde mening toegedaan.
3.2
In geschil is voor de aanslag IB/PVV 2019 of de Inspecteur de aftrek voor vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit (hierna: vervoerskosten) op een juist bedrag heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt in dat verband dat de Inspecteur onterecht geen rekening heeft gehouden met kosten voor de APK van beide auto’s en kosten voor een milieusticker en dat de Inspecteur voor de Ford Fiesta ten onrechte rekening heeft gehouden met 5.233 gereden kilometers, terwijl de werkelijk gereden kilometers 5.612 zijn en dat de Inspecteur voor de Volkswagen Caddy bij de berekening van de vervoerskosten is uitgegaan van € 0,44 per kilometer op basis van de ANWB-tool, terwijl dit volgens belanghebbende € 0,62 per kilometer moet zijn. De Inspecteur stelt ook dat de aftrek voor vervoerskosten te laag is vastgesteld en concludeert tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.187.
3.3
Belanghebbende stelt voorts in beide zaken dat hij recht heeft op een vergoeding van € 2.000 wegens schade. Voor het jaar 2018 verzoekt hij verder nog om een hogere proceskostenvergoeding, te weten een vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank rekening houdend met vertrek vanuit zijn (tweede) woning aan [adres1] 615 te [plaatsnaam1] in plaats vanuit zijn woning aan het [adres2] 7 te [plaatsnaam2] .
3.4
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en vermindering van de bestreden aanslagen en dienovereenkomstige vermindering van de bestreden beschikking belastingrente.
3.5
De Inspecteur concludeert in de zaak met nummer BK-ARN 24/1267 tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.5
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
4Beoordeling van het geschil
IB/PVV 2018 (BK-ARN 24/1267)
4.1
Partijen houdt verdeeld of de door belanghebbende opgevoerde kosten (ter zake van de aanschaf van twee iPads, twee mobiele telefoons, een horloge, een TomTom, extra internetaansluitingen en een rugsteun) vallen onder de reikwijdte van artikel 6.17, eerste lid, onder d van de Wet IB 2001.
4.2
Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat het, op grond van de wettekst van dat van artikel 6.17, eerste lid, onder d, van de Wet IB 2001, moet het gaan om een hulpmiddel “van een zodanige aard (…) dat zij door een zieke of invalide persoon worden gebruikt”. In de rechtspraak wordt dit criterium zo ingevuld dat het moet gaan om een hulpmiddel dat een hoedanigheid bezit die meebrengt dat zij alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen of naar hun aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kunnen overnemen (HR 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA3012). Bij de door belanghebbende opgevoerde kosten van hulpmiddelen is daarvan geen sprake. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog aangevoerd dat op de iPads speciale software is geladen die voorziet in het automatisch uitschakelen van elektrische verlichting en/of apparatuur (domotica) en dat de rugsteun is aangepast om in de auto te kunnen worden gebruikt. Naar het oordeel van het Hof, maakt dat evenwel hetgeen hiervoor is overwogen niet anders, omdat het nog steeds niet gaat om hulpmiddelen in vorenbedoelde zin. De bedoelde software wordt ook gebruikt door niet-invalide (niet-zieke) mensen.
4.3
Subsidiair heeft belanghebbende zich beroepen op het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de Inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de Inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.).
4.4
Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende met de enkele verwijzing naar een eigen handgeschreven notitie, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur de telefonische toezegging heeft gedaan dat deze uitgaven in aanmerking genomen mogen worden. Het e-mailbericht van de Inspecteur van 26 april 2021 duidt eerder op het tegendeel. Nog daargelaten dat niet duidelijk is of de handgeschreven vastlegging van het beweerdelijke telefoongesprek is gedateerd vóór of na 26 april 2021, had het voor de hand gelegen dat belanghebbende een dergelijke, voor hem belangrijke, toezegging van de Inspecteur aan hem zou hebben bevestigd, hetgeen niet het geval is.
IB/PVV 2019 (BK-ARN 25/235)
4.5
Op grond van artikel 6.17, lid 1, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden onder meer vervoerskosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten aangemerkt. De bewijslast voor deze uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op belanghebbende. Dat betekent dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk moet maken dat hij in 2019 de door hem geclaimde vervoerskosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat deze kosten in 2019 op hem hebben gedrukt.
4.6
In zijn verweerschrift in hoger beroep geeft de Inspecteur aan dat hij alsnog tegemoetkomt aan de grief van belanghebbende dat voor de Ford Fiësta alsnog rekening moet worden gehouden met een totaal aantal kilometers van 5.612. Voorts staat hij alsnog aftrek toe van de kosten van een milieusticker en de kosten van de APK-keuring. De aanslag IB/PVV 2019 dient daarom, aldus de Inspecteur, te worden verminderd met de kosten van de milieusticker € 12,50, de kosten van de APK (€ 218,12 + € 35 = € 253,12) en de extra gereden kilometers met de Ford Fiësta (379 km x € 0,529 =) € 200,49, in totaal met derhalve € 466,11, afgerond € 467, zodat volgens de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en inkomen € 66.187 moet bedragen. Het Hof ziet geen reden de Inspecteur hierin niet te volgen.
4.7
Partijen verschillen nog van mening over de gehanteerde kilometerprijs voor de Volkswagen Caddy. De Inspecteur is in de uitspraak op bezwaar voor de Volkswagen Caddy bij de berekening van de vervoerskosten uitgegaan van € 0,44 per kilometer. Dit bedrag volgt uit een door de Inspecteur op dat moment gemaakte berekening middels de ANWB-tool, op basis van de door belanghebbende overgelegde gegevens. Belanghebbende stelt dat van een latere, door belanghebbende gemaakte, berekening middels de ANWB-tool moet worden uitgegaan, uit welke berekening een bedrag van € 0,62 per kilometer volgt. Dat de latere berekening afwijkt van de eerdere berekening komt volgens belanghebbende doordat de ANWB-tool steeds wordt geoptimaliseerd en de Inspecteur onterecht met een gemiddeld aantal kilometers heeft gerekend.
4.8
De last om aannemelijk te maken dat van een hoger bedrag dan € 0,44 per kilometer moet worden uitgegaan rust, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, op belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen hij op dat punt naar voren heeft gebracht en overgelegd (in beroep: een berekening aan de hand van de ANWB-tool van 22 januari 2024, waarvan niet duidelijk is op welk jaar die ziet), tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur, niet voldaan aan zijn bewijslast dat de vervoerskosten voor de VW Caddy in 2019 hoger zijn dan € 0,44 per kilometer.
4.9
De Inspecteur heeft gesteld dat uit de ANWB-Autokostentool, waarvan partijen hebben afgesproken deze tot uitgangspunt te nemen, is af te leiden dat reeds rekening is gehouden met de kosten voor winterbanden. Belanghebbende op wie de last rust aannemelijk te maken dat dat niet het geval is, slaagt daarin niet. De blote stelling dat door hem na de aanschaf van de auto winterbanden zijn aangeschaft is daartoe onvoldoende. Daarmee wordt immers niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van winterbanden in de ANWB-Autokostentool niet zouden zijn meegenomen. Ook uit het in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van [e-mailadres] van 26 april 2023 blijkt niet dat de kosten van winterbanden niet zijn verdisconteerd in de tool.
4.10
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2019 worden vastgesteld op € 66.187. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen blijft vastgesteld op € 202.
Schadevergoeding
4.12
Belanghebbende is van mening dat hij voor zowel 2018 als 2019 recht heeft op € 2.000 aan (kosten)vergoeding ter compensatie van beroepskosten, tijd, administratie en het niet nakomen van afspraken door de Inspecteur. Volgens belanghebbende is hij dit met de Inspecteur in een eerdere procedure bij de Rechtbank over het jaar 2016 overeengekomen tijdens de zitting van de Rechtbank op 15 april 2021, en is deze vergoeding ook van toepassing voor de jaren 2018 en 2019. Volgens de Inspecteur is er van een dergelijke afspraak geen sprake.
4.13
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur rust op belanghebbende de last zijn stelling aannemelijk te maken dat de afspraken voor het jaar 2016 en nadien voor het jaar 2017 ook gelden voor de onderhavige jaren (2018 en 2019). Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2021 blijkt juist het tegendeel, namelijk dat de daar afgesproken vergoeding uitsluitend ziet op het jaar 2016. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de Rechtbank heeft bericht dat het proces-verbaal op dit punt onjuist is. Nog daargelaten dat het laatstbedoelde bericht niet tot de processtukken behoort en dat de Inspecteur heeft verklaard dat de procesgemachtigde die namens de Inspecteur de bedoelde zitting heeft bijgewoond, [naam4] , heeft ontkend dat er ter zitting een afspraak zou zijn gemaakt die ook voor de onderhavige jaren geldt, acht het Hof het, gelet op de duidelijke bewoordingen van het proces-verbaal dat voor het Hof de enige kenbron van het verhandelde ter zitting vormt, onwaarschijnlijk dat het tegenovergestelde van wat er in het proces-verbaal is beschreven, ter zitting is afgesproken. Voorts is niet gebleken dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 15 april 2021 naar aanleiding van nadien aan de Rechtbank verstuurde brieven van belanghebbende is aangepast. Uit het e-mailbericht van 6 mei 2021 blijkt dat na de bedoelde zitting tussen belanghebbende en de Inspecteur is afgesproken dat ook voor het jaar 2017 een vergoeding van € 2.000 is toegekend. Het Hof ziet, evenals de Rechtbank en overigens mede op de gronden die de Rechtbank daarvoor heeft gegeven, geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende op basis van een afspraak recht heeft op € 2.000 aan kostenvergoeding voor de procedure over onderhavig jaren.
Proceskostenvergoeding in eerste aanleg voor procedure van het jaar 2018
4.14
Belanghebbende verzoekt voor het jaar 2018 voorts nog om een hogere proceskostenvergoeding dan de Rechtbank heeft toegekend. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de vergoeding van reiskosten naar de Rechtbank in Groningen vanuit zijn (tweede) woning aan [adres1] te [plaatsnaam1] in plaats vanuit zijn woning aan het [adres2] 7 te [plaatsnaam2] , omdat hij de dag van de zitting in [plaatsnaam1] verbleef.
4.15
Ter zitting van de Rechtbank heeft de Inspecteur, blijkens het proces-verbaal van die zitting, erin bewilligd om in plaats van de reiskosten te vergoeden op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, zoals het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voorschrijft, uit te gaan van de reiskosten van belanghebbende per auto voor € 0,19 per kilometer mits wordt uitgegaan van het woonadres van belanghebbende in [plaatsnaam2] . Belanghebbende heeft niets overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf een ander, verder gelegen adres is vertrokken om de zitting van de Rechtbank bij te wonen. De omstandigheid dat belanghebbende eigenaar is van een woning in [plaatsnaam1] is daartoe onvoldoende, mede gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in de Basisregistratie Personen is ingeschreven in [plaatsnaam2] . De Rechtbank heeft, gelet daarop, de reiskostenvergoeding juist vastgesteld.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 24/1267 ongegrond en is het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 gegrond.
5Proceskosten en griffierecht
5.1
Nu het hoger beroep in de zaak met nummer BK-ARN 25/235 gegrond is, ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te gelasten het door belanghebbende in hoger beroep voldane griffierecht, ad € 143, aan belanghebbende te vergoeden.
5.2
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 24,32 (64 km x € 0,19 x 2), te weten de reiskosten van belanghebbendes woonplaats in [plaatsnaam2] naar Leeuwarden (v.v.). Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van vervoer per auto en de Inspecteur heeft erin bewilligd om in plaats van de reiskosten te vergoeden op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, zoals het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voorschrijft, uit te gaan van de reiskosten van belanghebbende met de auto voor (primair) € 0,19 per kilometer.
6Beslissing
In de zaak met nummer BK-ARN 24/1267
Het Hof
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
In de zaak met nummer BK-ARN 25/235
Het Hof
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover het het oordeel over de vergoeding van het griffierecht betreft,
– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
– vermindert de bestreden belastingaanslag tot een die is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 202,
– wijst het verzoek om schadevergoeding af,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 24,32,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 143 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma)
(P. van der Wal)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.