Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5873
2026-09-08
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/660
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Verhaalbarekostenlimiet.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2026:24 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:HR:2009:BI1986 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2009:BI1986 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2009:BC3691 Hoge Raad 10-04-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.975 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/660
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2024, nummer LEE 23/959, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 12 augustus 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. I.N.D.J. Rissema, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Op 12 augustus 2022 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto met kenteken [kentekennummer1] op die datum om 16.22 uur op het [adres1] in [plaatsnaam1] geparkeerd stond terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald. De naheffingsaanslag bedraagt € 67,20 (€ 1,70 naheffing parkeerbelasting en € 65,50 kosten).
2.2. “
“Bijlage 2: Kostenberekening naheffingsaanslag” bij de Verordening parkeerbelasting 2022 van de gemeente [plaatsnaam1] (hierna: de Verordening) vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Jaar: 2022 (begroting)
Kostensoorten
Raming kosten 2022
A
Personeelskosten parkeerbeheer
€ 127.720,--
B
Kosten van afschrijving en interest
€ 79.864,--
C
Overheadkosten
€ 62.381,--
D
Exploitatiekosten
€ 60.452,--
Totale kosten A t/m D
€ 330.417,--
Raming op te leggen naheffingsaanslagen in de begroting 2022 (€ 219.139,--) zijn gebaseerd op een tarief voor de naheffingsaanslag van € 66,50 + € 1,70 = € 68,20 per aanslag en een aantal van 3.261 aanslagen.
Vaststelling nieuw tarief:
Bij de vaststelling van het nieuwe tarief mag wettelijk ervan uitgegaan worden dat de kosten gedekt worden uit de naheffingen. Dit is begrensd tot een maximum. Het maximumtarief voor het jaar 2022 zou in [plaatsnaam1] bij 3.261 aanslagen € 330.417,-/ 3.261 = € 101,32 mogen bedragen. Het wettelijke maximumtarief van € 66,50 mag dus gehanteerd worden.”
3Geschil
Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van een overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet, inhoudende dat de geraamde opbrengsten van in op te leggen naheffingsaanslagen parkeerbelasting begrepen kosten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten als bedoeld in artikel 234, leden 5 en 6, van de Gemeentewet , juncto artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit) en dat de heffingsambtenaar het bedrag van € 65,50 aan kosten daarom niet in rekening had mogen brengen. De heffingsambtenaar heeft betwist dat sprake is van een overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Artikel 2 van het Besluit strekt ertoe dat het bedrag aan kostenverhaal zo wordt vastgesteld dat op jaarbasis niet meer kosten worden verhaald dan het geraamde totaalbedrag van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen (hierna: de verhaalbarekostenlimiet). De strekking van de verhaalbarekostenlimiet, namelijk dat de geraamde opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten, is in wezen niet anders dan de strekking van de opbrengstlimiet die op grond van artikel 228a van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rioolheffingen en de opbrengstlimiet die op grond van artikel 229b van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rechten als bedoeld in artikel 229, lid 1, letter a en b, van die wet. Dit brengt mee dat bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten blijft beneden de verhaalbarekostenlimiet, zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de door de Hoge Raad geformuleerde rechtspraak over de genoemde opbrengstlimieten.
4.2.
Indien een belanghebbende, zoals in dit geval, aan de orde stelt of de geraamde opbrengst van in op te leggen naheffingsaanslagen begrepen kosten als bedoeld in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet, de in de leden 5 en 6 van dat artikel, juncto artikel 2 van het Besluit bedoelde geraamde kosten hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
4.3.
De heffingsambtenaar heeft daartoe verwezen naar “Bijlage 2: Kostenberekening naheffingsaanslag” bij de Verordening.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar hiermee geen inzicht verschaft als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, noch wat betreft de ramingen van de kosten, noch wat betreft de raming van de opbrengst. Met betrekking tot de kosten is geen enkel inzicht gegeven, behalve een totaalbedrag voor de posten “personeelskosten parkeerbeheer”, “kosten van afschrijving en interest”, “overheadkosten” en “exploitatiekosten”, welke posten niet precies overeenkomen met de omschrijvingen in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Met betrekking tot de opbrengstkant is aangegeven dat een aantal van 3.261 naheffingsaanslagen wordt verwacht, maar niet hoe tot dit aantal is gekomen, of hoe dit aantal zich verhoudt tot het aantal in het verleden opgelegde naheffingsaanslagen.
4.5.
Het bovenstaande brengt mee dat het Hof niet kan vaststellen of in de raming van de kosten één of meer posten zijn opgenomen die niet, of slechts zijdelings dienen ter dekking van deze kosten. Ook kan het Hof daardoor niet vaststellen in hoeverre de gemeente redelijkerwijs een opbrengst van ((kennelijk € 65,50 + € 1,70) x 3.261 =) € 219.139 (bedoeld zal zijn (3.261 x € 65,50 =) € 213.595,50) heeft kunnen ramen. Dit brengt mee dat het Hof niet kan beoordelen of (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat bepaalde post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten, en bovendien of (b) na een eventuele eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de kostenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde kosten.
4.6.
Het bovenstaande brengt naar het oordeel van het Hof mee dat het Hof jegens belanghebbende zal moeten uitgaan van algehele onverbindendheid van de in de Verordening vastgestelde verhaalbare kosten.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de naheffingsaanslag verminderen.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Het Hof stelt verder de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift) x wegingsfactor 1 x € 666), € 934 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift) x wegingsfactor 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934), ofwel in totaal op € 3.468.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– verklaart het bezwaar gegrond en vermindert de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot € 1,70,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.468,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vergelijk HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24, overweging 4.4.3.
Vergelijk HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1986, overweging 3.2.2.
HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1986, overweging 3.2.2.
Vergelijk HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691, overweging 3.3.2.
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/660
uitspraakdatum: 8 september 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2024, nummer LEE 23/959, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende op 12 augustus 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag bij de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2023 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. I.N.D.J. Rissema, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Vaststaande feiten
2.1.
Op 12 augustus 2022 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto met kenteken [kentekennummer1] op die datum om 16.22 uur op het [adres1] in [plaatsnaam1] geparkeerd stond terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was betaald. De naheffingsaanslag bedraagt € 67,20 (€ 1,70 naheffing parkeerbelasting en € 65,50 kosten).
2.2. “
“Bijlage 2: Kostenberekening naheffingsaanslag” bij de Verordening parkeerbelasting 2022 van de gemeente [plaatsnaam1] (hierna: de Verordening) vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Jaar: 2022 (begroting)
Kostensoorten
Raming kosten 2022
A
Personeelskosten parkeerbeheer
€ 127.720,--
B
Kosten van afschrijving en interest
€ 79.864,--
C
Overheadkosten
€ 62.381,--
D
Exploitatiekosten
€ 60.452,--
Totale kosten A t/m D
€ 330.417,--
Raming op te leggen naheffingsaanslagen in de begroting 2022 (€ 219.139,--) zijn gebaseerd op een tarief voor de naheffingsaanslag van € 66,50 + € 1,70 = € 68,20 per aanslag en een aantal van 3.261 aanslagen.
Vaststelling nieuw tarief:
Bij de vaststelling van het nieuwe tarief mag wettelijk ervan uitgegaan worden dat de kosten gedekt worden uit de naheffingen. Dit is begrensd tot een maximum. Het maximumtarief voor het jaar 2022 zou in [plaatsnaam1] bij 3.261 aanslagen € 330.417,-/ 3.261 = € 101,32 mogen bedragen. Het wettelijke maximumtarief van € 66,50 mag dus gehanteerd worden.”
3Geschil
Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is van een overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet, inhoudende dat de geraamde opbrengsten van in op te leggen naheffingsaanslagen parkeerbelasting begrepen kosten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten als bedoeld in artikel 234, leden 5 en 6, van de Gemeentewet , juncto artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit) en dat de heffingsambtenaar het bedrag van € 65,50 aan kosten daarom niet in rekening had mogen brengen. De heffingsambtenaar heeft betwist dat sprake is van een overschrijding van de verhaalbarekostenlimiet.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Artikel 2 van het Besluit strekt ertoe dat het bedrag aan kostenverhaal zo wordt vastgesteld dat op jaarbasis niet meer kosten worden verhaald dan het geraamde totaalbedrag van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde kosten die samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen (hierna: de verhaalbarekostenlimiet). De strekking van de verhaalbarekostenlimiet, namelijk dat de geraamde opbrengsten niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten, is in wezen niet anders dan de strekking van de opbrengstlimiet die op grond van artikel 228a van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rioolheffingen en de opbrengstlimiet die op grond van artikel 229b van de Gemeentewet van toepassing is bij de heffing van rechten als bedoeld in artikel 229, lid 1, letter a en b, van die wet. Dit brengt mee dat bij de beoordeling of het in een parkeerbelastingverordening opgenomen bedrag aan in rekening te brengen kosten blijft beneden de verhaalbarekostenlimiet, zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de door de Hoge Raad geformuleerde rechtspraak over de genoemde opbrengstlimieten.
4.2.
Indien een belanghebbende, zoals in dit geval, aan de orde stelt of de geraamde opbrengst van in op te leggen naheffingsaanslagen begrepen kosten als bedoeld in artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet, de in de leden 5 en 6 van dat artikel, juncto artikel 2 van het Besluit bedoelde geraamde kosten hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen.
4.3.
De heffingsambtenaar heeft daartoe verwezen naar “Bijlage 2: Kostenberekening naheffingsaanslag” bij de Verordening.
4.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar hiermee geen inzicht verschaft als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, noch wat betreft de ramingen van de kosten, noch wat betreft de raming van de opbrengst. Met betrekking tot de kosten is geen enkel inzicht gegeven, behalve een totaalbedrag voor de posten “personeelskosten parkeerbeheer”, “kosten van afschrijving en interest”, “overheadkosten” en “exploitatiekosten”, welke posten niet precies overeenkomen met de omschrijvingen in artikel 2, lid 1, van het Besluit. Met betrekking tot de opbrengstkant is aangegeven dat een aantal van 3.261 naheffingsaanslagen wordt verwacht, maar niet hoe tot dit aantal is gekomen, of hoe dit aantal zich verhoudt tot het aantal in het verleden opgelegde naheffingsaanslagen.
4.5.
Het bovenstaande brengt mee dat het Hof niet kan vaststellen of in de raming van de kosten één of meer posten zijn opgenomen die niet, of slechts zijdelings dienen ter dekking van deze kosten. Ook kan het Hof daardoor niet vaststellen in hoeverre de gemeente redelijkerwijs een opbrengst van ((kennelijk € 65,50 + € 1,70) x 3.261 =) € 219.139 (bedoeld zal zijn (3.261 x € 65,50 =) € 213.595,50) heeft kunnen ramen. Dit brengt mee dat het Hof niet kan beoordelen of (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat bepaalde post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten, en bovendien of (b) na een eventuele eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de kostenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde kosten.
4.6.
Het bovenstaande brengt naar het oordeel van het Hof mee dat het Hof jegens belanghebbende zal moeten uitgaan van algehele onverbindendheid van de in de Verordening vastgestelde verhaalbare kosten.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. Het Hof zal de naheffingsaanslag verminderen.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Het Hof stelt verder de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 666 voor de kosten in de bezwaarfase (1 punt (bezwaarschrift) x wegingsfactor 1 x € 666), € 934 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt (beroepschrift) x wegingsfactor 1 x € 934) en € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) x wegingsfactor 1 x € 934), ofwel in totaal op € 3.468.
6Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– verklaart het bezwaar gegrond en vermindert de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot € 1,70,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.468,
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (R.A.V. Boxem)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vergelijk HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24, overweging 4.4.3.
Vergelijk HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1986, overweging 3.2.2.
HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1986, overweging 3.2.2.
Vergelijk HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC3691, overweging 3.3.2.