Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5844

2026-09-10 Civiel recht 200.369.311
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-10
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.369.311
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Art. 1:241 BW Het hof heeft de bestreden beschikking, waarbij een voorlopige voogd is benoemd, vernietigd voor de periode na 6 mei 2026 en de voorlopige voogdij met ingang van die datum ingetrokken. Het hof heeft de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover de voorlopige voogdij ziet op de periode vóór 6 mei 2026.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.756 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.369.311/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 610341




beschikking van 10 september 2026




over de voorlopige voogdij over [kind1] .



in de zaak van





[moeder]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. E.C. Weijsenfeld



tegen




de raad voor de kinderbescherming (de raad)
die is gevestigd in Utrecht.



Het hof heeft als belanghebbende ook aangemerkt:



de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (de GI)
die is gevestigd in Amsterdam.






1Samenvatting


De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij beschikking van 17 april 2026 (de bestreden beschikking) de GI belast met de voorlopige voogdij over [kind1] .





2De feiten


De moeder is de ouder van [kind1] , geboren op 4 mei 2014 in [woonplaats2] (Suriname). De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [kind1] . [kind1] is erkend door [vader] , met wie hij geen contact heeft.
De moeder woont met [kind1] en met haar zoon [kind2] , geboren op 9 januari 2023, in Nederland. Beide kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft een afgeleid verblijfsrecht (ex art 20 VWEU) omdat zij twee Nederlandse kinderen verzorgt. Het gezin is toegelaten tot de maatschappelijke opvang in [woonplaats1] en verblijft in een woning van Kwintes, waar het begeleiding ontvangt. Ook het wijkteam is betrokken. De moeder ontvangt een bijstandsuitkering. Haar goederen staan onder bewind. In Suriname verblijven volgens de moeder nog twee minderjarige kinderen van de moeder.






3De procedure bij de kinderrechter


3.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op een mondeling verzoek van de raad de GI belast met de voorlopige voogdij over [kind1] en vastgesteld dat die voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden, dus op 17 juli 2026, eindigt, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [kind1] is verzocht. In dat geval loopt de voorlopige voogdij door totdat op dat verzoek is beslist. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



3.2.
Bij beschikking van 3 juli 2026 heeft de kinderrechter de voorlopige voogdij over [kind1] met ingang van die datum ingetrokken.



3.3.
Bij (afzonderlijke) beschikking van 3 juli 2026 heeft de kinderrechter [kind1] met ingang van 3 juli 2026 tot 3 juli 2027 onder toezicht gesteld van de GI en het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen, afgewezen.




4
4. De procedure bij het hof


4.1.

De moeder is het niet eens met de in 3.1 genoemde beslissing waarbij de GI werd belast met de voorlopige voogdij over [kind1] . Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij heeft het hof verzocht om:
-de tenuitvoerlegging van die beschikking te schorsen hangende het hoger beroep;
-die beschikking te vernietigen en het verzoek tot voorlopige voogdij alsnog af te wijzen;
-subsidiair het verzoek tot voorlopige voogdij toe te wijzen en in te trekken per 6 mei 2026.




4.2.
De raad heeft verweer gevoerd en gevraagd om de bestreden beschikking te bekrachtigen.



4.3.
De mondelinge behandeling van het schorsingsverzoek stond gepland op 6 juli 2026, maar is niet doorgegaan omdat de moeder dat schorsingsverzoek op 3 juli 2026 heeft ingetrokken. De moeder is bij beschikking van dit hof van 23 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard in haar schorsingsverzoek.



4.4.
De zitting bij het hof was op 14 augustus 2026. Aanwezig waren:


de moeder met haar advocaat


een vertegenwoordiger van de raad.





4.5.

Bij het hof zijn ingekomen:
-het beroepschrift;
-het verweerschrift van de raad;
-het journaalbericht namens de moeder van 2 augustus 2026 met bijlagen.




Wat staat er in de wet?





4.6.

In het eerste lid van artikel 1:241 BW is te lezen dat de raad voor de kinderbescherming, indien blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, de rechter kan verzoeken in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien.
In het tweede lid van genoemd artikel is te lezen dat de kinderrechter op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie een gecertificeerde instelling kan belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien, teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen.
In het vijfde lid van genoemd artikel is te lezen dat de maatregel kan worden ingetrokken of gewijzigd door de kinderrechter die haar heeft bevolen.




Hoe luiden de standpunten?





4.7.
Volgens de moeder was er op 17 april 2026 geen grond om de voorlopige voogdij over [kind1] uit te spreken. De voorlopige voogdij is volgens haar zonder gedegen onderzoek uitgesproken. Zij voert aan dat zij een kortdurende reis naar Suriname had gepland om, samen met haar jongste zoon, daar bij de uitvaart van haar opa aanwezig te zijn. Zij had geregeld dat [kind1] tijdens haar afwezigheid bij de voor hem bekende tante [naam1] zou verblijven. Er was volgens de moeder dus geen sprake van een gezagsvacuüm. Als het hof van oordeel is dat er op 17 april 2026 toch een noodzaak was om de voorlopige voogdij in te stellen, dan had die voorlopige voogdij volgens de moeder in ieder geval op 6 mei 2026, het moment waarop zij door de kinderrechter is gehoord, ingetrokken moeten worden. De periode van verblijf in een vreemd pleeggezin heeft grote impact op [kind1] gehad en is schadelijk voor hem geweest.



4.8.
Volgens de raad heeft de kinderrechter in de bestreden beschikking van 17 april 2026 terecht overwogen dat aan de wettelijke criteria van een voorlopige voogdij zoals in artikel 1:241 BW genoemd, is voldaan. Op 17 april 2026 was er sprake van een acute en ernstige situatie. [kind1] kwam op school met een tas kleding. Hij wist niet waar hij na school zou verblijven. Op dat moment was de moeder, maar ook tante [naam1] niet bereikbaar. Er was geen andere mogelijkheid dan de voorlopige voogdij te verzoeken, zodat vanuit de GI meer toezicht op [kind1] zou komen en om zijn verzorging en onderdak te regelen.



Hoe oordeelt het hof?





4.9.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter op 17 juli 2026 op goede gronden de GI heeft belast met de voorlopige voogdij over [kind1] . De moeder heeft verklaard dat zij de opvang van [kind1] voor de periode dat zij in Suriname zou verblijven, vooraf had geregeld en afgestemd met Kwintes. Op 16 april 2026 is [kind1] op school gekomen met een tas met kleding. Hij kon op school blijkbaar niet duidelijk maken waarom hij die kleding bij zich had, waar zijn moeder was en waar hij de komende periode zou verblijven. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de (gezaghebbende) moeder had gelegen om [kind1] goed voor te lichten over haar komende afwezigheid, over de opvang die zij voor hem had geregeld voor de periode van haar afwezigheid en over de wijze waarop en door wie hij die dag van school zou worden opgehaald. Ook had de moeder de school van [kind1] daarover vooraf moeten inlichten. Nu de moeder dit alles niet of in ieder geval onvoldoende heeft gedaan (de school wist van niets en [kind1] kon het niet uitleggen) en zij op dat moment voor de school niet bereikbaar was, is er in het licht van de spoedeisende omstandigheden naar het oordeel van het hof op dat moment voldoende en zorgvuldig onderzoek verricht. Het was op dat moment dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening van [kind1] te voorzien zodat zijn belangen, zoals het regelen van zijn verzorging en onderdak, konden worden behartigd.



4.10.
Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking met ingang van 17 april 2026 zal bekrachtigen. De moeder heeft verzocht om in dat geval die beschikking te vernietigen met ingang van 6 mei 2026, omdat zij op die dag gehoord is door de kinderrechter over de voorlopige voogdij en omdat toen is gebleken dat zij weer beschikbaar was voor [kind1] en ook in staat was om het gezag over hem uit te oefenen. Het hof is van oordeel dat dat verzoek van de moeder kan worden toegewezen. Gebleken is dat de moeder op 6 mei 2026 bij de zitting aanwezig was en haar verhaal heeft kunnen doen aan de kinderrechter. Naar het oordeel van het hof is niet gesteld of gebleken dat de moeder met ingang van 6 mei 2026 niet in staat was om het gezag over [kind1] weer op zich te nemen. Het had naar het oordeel van het hof op de weg van de kinderrechter gelegen om naar aanleiding van dat gesprek de voorlopige voogdij per 6 mei 2026 in te trekken.



4.11.
Uit al het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking deels zal bekrachtigen en deels zal vernietigen.





5De beslissing


Het hof:



5.1.
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 april 2026 voor zover daarbij de GI is belast met de voorlopige voogdij over [kind1] , geboren in [woonplaats2] (Suriname) op 4 mei 2014 voor de periode met ingang van 6 mei 2026


en in zoverre opnieuw beschikkende:




5.2.
trekt de voorlopige voogdij over [kind1] met ingang van 6 mei 2026 in;



5.3.
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.


Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en E. de Boer, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 10 september 2026 in het openbaar uitgesproken.