Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5839
2026-09-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.364.309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gezagsbeëindiging van de moeder op verzoek van de pleegouders.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2021:1361 Hoge Raad 24-09-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.227 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.309
zaaknummer rechtbank Gelderland 449781
beschikking van 10 september 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige4]
in de zaak van
[verzoekster]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. A.F.J. Huigens
en
[verweerster] , en
[verweerder] (de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
advocaat: mr. M. Kramer
Als informant is aangemerkt:
[de jeugdzorginstelling] ( [de jeugdzorginstelling] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats] .
1
1. Samenvatting
De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige4] beëindigd en de pleegouders tot voogd over [de minderjarige4] benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
2.1.
De moeder heeft een relatie gehad met de heer [naam] . Uit deze relatie zijn geboren: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .
2.2.
[de minderjarige4] is geboren [in] 2019.
2.3.
De moeder was tot de beschikking van de rechtbank belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige4] .
2.4.
In april 2021 zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een crisispleeggezin geplaatst. Sindsdien wonen zij niet meer bij de moeder. [de minderjarige4] verblijft sinds 11 juni 2021 bij de pleegouders.
2.5.
Allekinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter van 24 augustus 2021 onder toezicht gesteld van de Stichting Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (hierna: de GI). In diezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn steeds verlengd, voor het laatst tot 24 februari 2024.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 februari 2024 de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] (en van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) afgewezen. Sindsdien verblijft [de minderjarige4] met instemming van de moeder bij de pleegouders.
2.7.
Bij beschikking van 22 november 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige4] en vaststelling van een (getrapte) onbegeleide omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige4] afgewezen.
3De procedure bij de rechtbank
3.1.
De pleegouders hebben de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de pleegouders toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 oktober 2025.
4De procedure bij het hof
4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, zodat de moeder haar gezag over [de minderjarige4] behoudt. Zij verzoekt het hof om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige4] bij de moeder is of een machtiging uithuisplaatsing te verlenen met behoud van het ouderlijk gezag van de moeder. De moeder wil ook dat het hof een bijzondere curator benoemt en de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) opdracht geeft een onderzoek te doen naar het perspectief en de belangen van [de minderjarige4] .
4.2.
De pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift ontvangen op 13 januari 2026
het verweerschrift
de spreekaantekeningen van de moeder
de spreekaantekeningen van de pleegouders
4.4.
De stukken van de moeder van 23 juni 2026 zijn geweigerd, omdat deze te laat zijn ingediend en te omvangrijk zijn.
4.5.
De zitting bij het hof was op 25 juni 2026. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat
de pleegouders met hun advocaat
een vertegenwoordiger van de raad
twee vertegenwoordigers van [de jeugdzorginstelling]
5Het oordeel van het hof
Ontvankelijkheid
5.1.
Door de moeder is gesteld dat de pleegouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder. De moeder stelt dat de pleegouders hun verzoek niet binnen de wettelijke termijn hebben ingediend.
De pleegouders bezitten (een vorm van) gezagsrecht, nu aan hen (onder meer) een blokkaderecht toekomt als bedoeld in artikel 1:253s van het Burgerlijk Wetboek (BW) alsook de bevoegdheid een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen op grond van artikel 1:267 BW. Het hof stelt vast dat de rechtbank bij beschikking van 22 november 2024 het verzoek van de moeder tot verkrijging van vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige4] heeft afgewezen. Op grond van artikel 1:253s lid 3 BW geldt deze beschikking in beginsel voor de duur van zes maanden. Als er voor het verstrijken van deze termijn een verzoek tot gezagsbeëindiging is ingediend, blijft de beschikking (en dus het blokkaderecht) gelden totdat de rechter op dat nieuwe verzoek heeft beslist. Door de pleegouders is op 2 april 2025 een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder ingediend. Dit verzoek is binnen zes maanden na de beschikking van
22 november 2024 ingediend. De pleegouders zijn dus ontvankelijk in hun verzoek.
5.2.
Door de pleegouders is gesteld dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken die zien op het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] en de benoeming van een bijzondere curator. De pleegouders stellen dat de moeder deze verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep kan doen. Er is bovendien geen sprake meer van een ondertoezichtstelling waardoor het verzoek tot verlening machtiging uithuisplaatsing volgens de pleegouders ook niet kan worden toegewezen.
Het hof begrijpt uit het beroepschrift van de moeder dat haar verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing samen moet worden gelezen met een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige4] . De moeder heeft dit verzoek voor het eerst in hoger beroep gedaan. Uit vaste jurisprudentie volgt dat dit niet is toegestaan. Hier geldt ook dat alleen ouders met gezag om een verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen vragen.
Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken die zien op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige4] en haar uithuisplaatsing.
De moeder is wel ontvankelijk in haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator en haar verzoek de raad opdracht te geven onderzoek te doen naar het perspectief en de belangen van [de minderjarige4] .
Wat staat in de wet?
5.3.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is het geval als er grote zorgen zijn over zijn of haar ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. Een verzoek tot beëindiging van het gezag kan ook door de pleegouders worden ingediend, indien zij het kind ten minste een jaar als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
5.4.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.
Standpunten
5.5.
De moeder stelt dat zij na de zitting bij de rechtbank (naar aanleiding
waarvan de ondertoezichtstelling niet langer is verlengd) verschillende zorgelijke signalen
heeft gekregen over de veiligheid van [de minderjarige3] in het pleeggezin en over de rol van de
pleegmoeder van (destijds) [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . Op basis van deze informatie is zij
zich ook zorgen gaan maken over de veiligheid van [de minderjarige4] , die in hetzelfde pleeggezin verbleef. De moeder heeft vervolgens meer informatie gekregen over de reden van de scheiding in woonplek van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] , waar zij nooit achter heeft gestaan. De moeder heeft grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige4] en hierdoor kon en kan de moeder niet meer achter de plaatsing van [de minderjarige4] bij de pleegouders staan. Zij wil dat er meer onderzoek wordt gedaan naar de plaatsing van [de minderjarige4] .
5.6.
Volgens de pleegouders hebben zij zich, door het verzoek van de moeder tot wijziging hoofdverblijf van [de minderjarige4] , gedwongen gevoeld om het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder in te dienen. De moeder is haar toezegging, dat zij [de minderjarige4] niet bij de pleegouders zou weghalen, niet nagekomen. De pleegouders vinden het voor [de minderjarige4] belangrijk dat zij weet dat zij bij de pleegouders kan blijven en bij hen kan opgroeien. De pleegouders zorgen al vijf jaar voor [de minderjarige4] . Bij hen heeft ze achterstanden ingehaald en ontwikkelt ze zich positief. De pleegouders vinden de aantijgingen van de moeder jegens hen bijzonder naar en beschadigend. Dit geldt niet alleen voor henzelf, maar ook voor [de minderjarige4] . Volgens de pleegouders belast de moeder [de minderjarige4] met haar strijd. [de minderjarige4] is gebaat bij continuïteit, stabiliteit en voortzetting van de gehechtheidsrelatie met de pleegouders. Het is daarvoor volgens de pleegouders noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.
5.7.
Namens [de jeugdzorginstelling] is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht dat de zorgen van de moeder door zowel [de jeugdzorginstelling] als Veilig Thuis zijn onderzocht. De zorgen van de moeder worden echter niet herkend. Volgens [de jeugdzorginstelling] gaat het goed met [de minderjarige4] in het pleeggezin. Op advies van [de jeugdzorginstelling] wordt de omgang tussen de moeder en [de minderjarige4] begeleid. Dit was nodig naar aanleiding van zorgen vanuit school. Volgens [de jeugdzorginstelling] vindt [de minderjarige4] de begeleiding ook prettig. [de jeugdzorginstelling] maakt zich wel zorgen om de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. Hier moet volgens [de jeugdzorginstelling] echt verbetering in komen. [de jeugdzorginstelling] heeft mediation voorgesteld, maar de moeder wil hier volgens [de jeugdzorginstelling] niet aan meewerken.
5.8.
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de situatie zoals die nu is in stand te laten. [de minderjarige4] woont het grootste gedeelte van haar leven bij de pleegouders, zij is aan hen gehecht. Er is volgens de raad geen reden om [de minderjarige4] bij de pleegouders weg te halen. De raad begrijpt dat dit moeilijk is voor de moeder en dat zij zich niet gehoord voelt in de zorgen die zij heeft. Het is daarom volgens de raad van belang dat de moeder gezien wordt in haar zorgen en dat er een gesprek komt over wat het met de moeder doet dat zij niet zelf voor haar kinderen kan zorgen. Het is ook in het belang van [de minderjarige4] dat de moeder haar kan steunen in het feit dat zij bij de pleegouders opgroeit. [de minderjarige4] zit nu tussen de moeder en de pleegouders in. Zij weet dat ze een moeder heeft die veel van haar houdt, maar ze is ook loyaal aan de pleegouders die iedere dag voor haar zorgen. Als het conflict tussen de moeder en de pleegouders niet wordt opgelost gaat dit ten koste van de ontwikkeling van [de minderjarige4] .
Hoe oordeelt het hof?
5.9.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Het hof is op basis daarvan van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en vindt het ook in het belang van [de minderjarige4] noodzakelijk dat het gezag van de moeder over haar wordt beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).
5.11.
Voor het hof is duidelijk geworden dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [de minderjarige4] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. [de minderjarige4] is een kwetsbaar meisje dat in de eerste twee jaar van haar leven op verschillende plekken heeft verbleven en veel heeft meegemaakt. [de minderjarige4] woont sinds juni 2021, inmiddels dus vijf jaar, bij de pleegouders. In de afgelopen jaren was een terugplaatsing van [de minderjarige4] bij de moeder niet mogelijk omdat haar situatie niet stabiel en onvoorspelbaar was. De zorgen die de moeder heeft over de situatie bij de pleegouders zijn door [de jeugdzorginstelling] en Veilig Thuis onderzocht. Haar zorgen worden niet gedeeld. Dit is voor het hof dan ook geen reden om het gezag over [de minderjarige4] bij de moeder te beleggen. Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige4] dat zij bij de pleegouders kan opgroeien. [de minderjarige4] is gebaat bij duidelijkheid en rust. Het beëindigen van het gezag van de moeder draagt voor [de minderjarige4] bij aan deze rust.
5.12.
Aangezien de gezagsbeëindiging is gebaseerd op de wet en er goede redenen voor zijn, is er - anders dan de moeder heeft aangevoerd - geen sprake van strijd met artikel 8 EVRM of rechtspraak van het EHRM. Verder staat de gezagsbeëindiging in een redelijke verhouding tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en is het beoogde resultaat, te weten rust en duidelijkheid voor [de minderjarige4] , niet te bereiken met een minder ingrijpend alternatief (subsidiariteitsbeginsel).
5.13.
Overigens brengt het feit dat de moeder geen gezag meer heeft over [de minderjarige4] niet mee dat zij voor [de minderjarige4] minder belangrijk is of zal worden. Zij zal immers altijd de moeder van [de minderjarige4] blijven. Hierdoor houdt zij het recht op informatie over (de ontwikkeling van) van [de minderjarige4] en op omgang met haar, voor zover het belang van [de minderjarige4] zich hiertegen niet verzet.
Het hof gaat ervan uit dat de pleegouders zich ervoor zullen blijven inspannen om de moeder te betrekken in het leven van [de minderjarige4] en haar van informatie zullen (blijven) voorzien.
Onderzoek door de raad
5.14.
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, een onderzoek door de raad te laten verrichten. Het hof vat dit verzoek op als een verzoek tot benoeming van een deskundige. Op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv benoemt de rechter in zaken betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.15.
Het hof is van oordeel dat het toewijzen van het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen voor nader onderzoek in dit geval in strijd is met het belang van [de minderjarige4] . Door een onderzoek wordt de periode van onzekerheid verlengd en dat is voor [de minderjarige4] , gelet op haar behoefte aan duidelijkheid en rust, niet wenselijk.
Benoeming bijzondere curator
5.16.
Op grond van artikel 1:250 lid 1 BW kan de rechter een bijzondere curator benoemen als, in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige of vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) dan wel van de voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechter dient te beoordelen of benoeming van de bijzonder curator noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, daarbij de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.
5.17.
Aan het criterium van artikel 1:250 lid 1 BW is naar het oordeel van het hof niet voldaan, omdat niet is gebleken dat de belangen van de pleegouders in strijd zijn met de belangen van [de minderjarige4] en omdat de moeder geen gezaghebbende ouder meer is.
Het hof zal het verzoek van de moeder om een bijzondere curator te benoemen daarom afwijzen.
6De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van
14 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
Hoge Raad van 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1361
artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW
artikel 1:267 BW
Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.364.309
zaaknummer rechtbank Gelderland 449781
beschikking van 10 september 2026
over de beëindiging van het gezag over [de minderjarige4]
in de zaak van
[verzoekster]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. A.F.J. Huigens
en
[verweerster] , en
[verweerder] (de pleegouders)
die wonen in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
advocaat: mr. M. Kramer
Als informant is aangemerkt:
[de jeugdzorginstelling] ( [de jeugdzorginstelling] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats] .
1
1. Samenvatting
De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft het gezag van de moeder over [de minderjarige4] beëindigd en de pleegouders tot voogd over [de minderjarige4] benoemd. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2De feiten
2.1.
De moeder heeft een relatie gehad met de heer [naam] . Uit deze relatie zijn geboren: [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] .
2.2.
[de minderjarige4] is geboren [in] 2019.
2.3.
De moeder was tot de beschikking van de rechtbank belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige4] .
2.4.
In april 2021 zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in een crisispleeggezin geplaatst. Sindsdien wonen zij niet meer bij de moeder. [de minderjarige4] verblijft sinds 11 juni 2021 bij de pleegouders.
2.5.
Allekinderen zijn bij beschikking van de kinderrechter van 24 augustus 2021 onder toezicht gesteld van de Stichting Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (hierna: de GI). In diezelfde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] zijn steeds verlengd, voor het laatst tot 24 februari 2024.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 februari 2024 de verzoeken van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] (en van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ) afgewezen. Sindsdien verblijft [de minderjarige4] met instemming van de moeder bij de pleegouders.
2.7.
Bij beschikking van 22 november 2024 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige4] en vaststelling van een (getrapte) onbegeleide omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige4] afgewezen.
3De procedure bij de rechtbank
3.1.
De pleegouders hebben de rechtbank verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.
3.2.
De rechtbank heeft het verzoek van de pleegouders toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 14 oktober 2025.
4De procedure bij het hof
4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt, zodat de moeder haar gezag over [de minderjarige4] behoudt. Zij verzoekt het hof om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige4] bij de moeder is of een machtiging uithuisplaatsing te verlenen met behoud van het ouderlijk gezag van de moeder. De moeder wil ook dat het hof een bijzondere curator benoemt en de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) opdracht geeft een onderzoek te doen naar het perspectief en de belangen van [de minderjarige4] .
4.2.
De pleegouders willen dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift ontvangen op 13 januari 2026
het verweerschrift
de spreekaantekeningen van de moeder
de spreekaantekeningen van de pleegouders
4.4.
De stukken van de moeder van 23 juni 2026 zijn geweigerd, omdat deze te laat zijn ingediend en te omvangrijk zijn.
4.5.
De zitting bij het hof was op 25 juni 2026. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat
de pleegouders met hun advocaat
een vertegenwoordiger van de raad
twee vertegenwoordigers van [de jeugdzorginstelling]
5Het oordeel van het hof
Ontvankelijkheid
5.1.
Door de moeder is gesteld dat de pleegouders niet-ontvankelijk zijn in hun verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder. De moeder stelt dat de pleegouders hun verzoek niet binnen de wettelijke termijn hebben ingediend.
De pleegouders bezitten (een vorm van) gezagsrecht, nu aan hen (onder meer) een blokkaderecht toekomt als bedoeld in artikel 1:253s van het Burgerlijk Wetboek (BW) alsook de bevoegdheid een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen op grond van artikel 1:267 BW. Het hof stelt vast dat de rechtbank bij beschikking van 22 november 2024 het verzoek van de moeder tot verkrijging van vervangende toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige4] heeft afgewezen. Op grond van artikel 1:253s lid 3 BW geldt deze beschikking in beginsel voor de duur van zes maanden. Als er voor het verstrijken van deze termijn een verzoek tot gezagsbeëindiging is ingediend, blijft de beschikking (en dus het blokkaderecht) gelden totdat de rechter op dat nieuwe verzoek heeft beslist. Door de pleegouders is op 2 april 2025 een verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder ingediend. Dit verzoek is binnen zes maanden na de beschikking van
22 november 2024 ingediend. De pleegouders zijn dus ontvankelijk in hun verzoek.
5.2.
Door de pleegouders is gesteld dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken die zien op het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige4] en de benoeming van een bijzondere curator. De pleegouders stellen dat de moeder deze verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep kan doen. Er is bovendien geen sprake meer van een ondertoezichtstelling waardoor het verzoek tot verlening machtiging uithuisplaatsing volgens de pleegouders ook niet kan worden toegewezen.
Het hof begrijpt uit het beroepschrift van de moeder dat haar verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing samen moet worden gelezen met een verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige4] . De moeder heeft dit verzoek voor het eerst in hoger beroep gedaan. Uit vaste jurisprudentie volgt dat dit niet is toegestaan. Hier geldt ook dat alleen ouders met gezag om een verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing kunnen vragen.
Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken die zien op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige4] en haar uithuisplaatsing.
De moeder is wel ontvankelijk in haar verzoek tot benoeming van een bijzondere curator en haar verzoek de raad opdracht te geven onderzoek te doen naar het perspectief en de belangen van [de minderjarige4] .
Wat staat in de wet?
5.3.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is het geval als er grote zorgen zijn over zijn of haar ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt. Een verzoek tot beëindiging van het gezag kan ook door de pleegouders worden ingediend, indien zij het kind ten minste een jaar als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden.
5.4.
Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.
Standpunten
5.5.
De moeder stelt dat zij na de zitting bij de rechtbank (naar aanleiding
waarvan de ondertoezichtstelling niet langer is verlengd) verschillende zorgelijke signalen
heeft gekregen over de veiligheid van [de minderjarige3] in het pleeggezin en over de rol van de
pleegmoeder van (destijds) [de minderjarige3] en [de minderjarige4] . Op basis van deze informatie is zij
zich ook zorgen gaan maken over de veiligheid van [de minderjarige4] , die in hetzelfde pleeggezin verbleef. De moeder heeft vervolgens meer informatie gekregen over de reden van de scheiding in woonplek van [de minderjarige3] en [de minderjarige4] , waar zij nooit achter heeft gestaan. De moeder heeft grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige4] en hierdoor kon en kan de moeder niet meer achter de plaatsing van [de minderjarige4] bij de pleegouders staan. Zij wil dat er meer onderzoek wordt gedaan naar de plaatsing van [de minderjarige4] .
5.6.
Volgens de pleegouders hebben zij zich, door het verzoek van de moeder tot wijziging hoofdverblijf van [de minderjarige4] , gedwongen gevoeld om het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder in te dienen. De moeder is haar toezegging, dat zij [de minderjarige4] niet bij de pleegouders zou weghalen, niet nagekomen. De pleegouders vinden het voor [de minderjarige4] belangrijk dat zij weet dat zij bij de pleegouders kan blijven en bij hen kan opgroeien. De pleegouders zorgen al vijf jaar voor [de minderjarige4] . Bij hen heeft ze achterstanden ingehaald en ontwikkelt ze zich positief. De pleegouders vinden de aantijgingen van de moeder jegens hen bijzonder naar en beschadigend. Dit geldt niet alleen voor henzelf, maar ook voor [de minderjarige4] . Volgens de pleegouders belast de moeder [de minderjarige4] met haar strijd. [de minderjarige4] is gebaat bij continuïteit, stabiliteit en voortzetting van de gehechtheidsrelatie met de pleegouders. Het is daarvoor volgens de pleegouders noodzakelijk dat het gezag van de moeder wordt beëindigd.
5.7.
Namens [de jeugdzorginstelling] is tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren gebracht dat de zorgen van de moeder door zowel [de jeugdzorginstelling] als Veilig Thuis zijn onderzocht. De zorgen van de moeder worden echter niet herkend. Volgens [de jeugdzorginstelling] gaat het goed met [de minderjarige4] in het pleeggezin. Op advies van [de jeugdzorginstelling] wordt de omgang tussen de moeder en [de minderjarige4] begeleid. Dit was nodig naar aanleiding van zorgen vanuit school. Volgens [de jeugdzorginstelling] vindt [de minderjarige4] de begeleiding ook prettig. [de jeugdzorginstelling] maakt zich wel zorgen om de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. Hier moet volgens [de jeugdzorginstelling] echt verbetering in komen. [de jeugdzorginstelling] heeft mediation voorgesteld, maar de moeder wil hier volgens [de jeugdzorginstelling] niet aan meewerken.
5.8.
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de situatie zoals die nu is in stand te laten. [de minderjarige4] woont het grootste gedeelte van haar leven bij de pleegouders, zij is aan hen gehecht. Er is volgens de raad geen reden om [de minderjarige4] bij de pleegouders weg te halen. De raad begrijpt dat dit moeilijk is voor de moeder en dat zij zich niet gehoord voelt in de zorgen die zij heeft. Het is daarom volgens de raad van belang dat de moeder gezien wordt in haar zorgen en dat er een gesprek komt over wat het met de moeder doet dat zij niet zelf voor haar kinderen kan zorgen. Het is ook in het belang van [de minderjarige4] dat de moeder haar kan steunen in het feit dat zij bij de pleegouders opgroeit. [de minderjarige4] zit nu tussen de moeder en de pleegouders in. Zij weet dat ze een moeder heeft die veel van haar houdt, maar ze is ook loyaal aan de pleegouders die iedere dag voor haar zorgen. Als het conflict tussen de moeder en de pleegouders niet wordt opgelost gaat dit ten koste van de ontwikkeling van [de minderjarige4] .
Hoe oordeelt het hof?
5.9.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Het hof heeft de stukken gelezen en op de zitting geluisterd naar de toelichtingen. Het hof is op basis daarvan van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en vindt het ook in het belang van [de minderjarige4] noodzakelijk dat het gezag van de moeder over haar wordt beëindigd. Het hof zal de beslissing van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).
5.11.
Voor het hof is duidelijk geworden dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [de minderjarige4] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. [de minderjarige4] is een kwetsbaar meisje dat in de eerste twee jaar van haar leven op verschillende plekken heeft verbleven en veel heeft meegemaakt. [de minderjarige4] woont sinds juni 2021, inmiddels dus vijf jaar, bij de pleegouders. In de afgelopen jaren was een terugplaatsing van [de minderjarige4] bij de moeder niet mogelijk omdat haar situatie niet stabiel en onvoorspelbaar was. De zorgen die de moeder heeft over de situatie bij de pleegouders zijn door [de jeugdzorginstelling] en Veilig Thuis onderzocht. Haar zorgen worden niet gedeeld. Dit is voor het hof dan ook geen reden om het gezag over [de minderjarige4] bij de moeder te beleggen. Het hof vindt het in het belang van [de minderjarige4] dat zij bij de pleegouders kan opgroeien. [de minderjarige4] is gebaat bij duidelijkheid en rust. Het beëindigen van het gezag van de moeder draagt voor [de minderjarige4] bij aan deze rust.
5.12.
Aangezien de gezagsbeëindiging is gebaseerd op de wet en er goede redenen voor zijn, is er - anders dan de moeder heeft aangevoerd - geen sprake van strijd met artikel 8 EVRM of rechtspraak van het EHRM. Verder staat de gezagsbeëindiging in een redelijke verhouding tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en is het beoogde resultaat, te weten rust en duidelijkheid voor [de minderjarige4] , niet te bereiken met een minder ingrijpend alternatief (subsidiariteitsbeginsel).
5.13.
Overigens brengt het feit dat de moeder geen gezag meer heeft over [de minderjarige4] niet mee dat zij voor [de minderjarige4] minder belangrijk is of zal worden. Zij zal immers altijd de moeder van [de minderjarige4] blijven. Hierdoor houdt zij het recht op informatie over (de ontwikkeling van) van [de minderjarige4] en op omgang met haar, voor zover het belang van [de minderjarige4] zich hiertegen niet verzet.
Het hof gaat ervan uit dat de pleegouders zich ervoor zullen blijven inspannen om de moeder te betrekken in het leven van [de minderjarige4] en haar van informatie zullen (blijven) voorzien.
Onderzoek door de raad
5.14.
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, een onderzoek door de raad te laten verrichten. Het hof vat dit verzoek op als een verzoek tot benoeming van een deskundige. Op grond van artikel 810a, tweede lid, Rv benoemt de rechter in zaken betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.15.
Het hof is van oordeel dat het toewijzen van het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen voor nader onderzoek in dit geval in strijd is met het belang van [de minderjarige4] . Door een onderzoek wordt de periode van onzekerheid verlengd en dat is voor [de minderjarige4] , gelet op haar behoefte aan duidelijkheid en rust, niet wenselijk.
Benoeming bijzondere curator
5.16.
Op grond van artikel 1:250 lid 1 BW kan de rechter een bijzondere curator benoemen als, in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige of vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) dan wel van de voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechter dient te beoordelen of benoeming van de bijzonder curator noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, daarbij de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.
5.17.
Aan het criterium van artikel 1:250 lid 1 BW is naar het oordeel van het hof niet voldaan, omdat niet is gebleken dat de belangen van de pleegouders in strijd zijn met de belangen van [de minderjarige4] en omdat de moeder geen gezaghebbende ouder meer is.
Het hof zal het verzoek van de moeder om een bijzondere curator te benoemen daarom afwijzen.
6De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van
14 oktober 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
Hoge Raad van 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1361
artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW
artikel 1:267 BW
Artikel 3 en artikel 20 Verdrag inzake de rechten van het kind