Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5748

2026-09-01 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/2465
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-09-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
25/2465
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026100106

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aanspraak levensloopregeling terecht in 2021 tot het belastbaar loon uit werk en woning gerekend.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (36.126 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 25/2465
uitspraakdatum: 1 september 2026



Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 oktober 2025, nummer LEE 25/267, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)






1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.



1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.



1.4.
De Rechtbank heeft van belanghebbende stukken ontvangen, die door de Rechtbank zijn aangemerkt als hogerberoepschrift en op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn doorgezonden aan het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.5.
Belanghebbende heeft meerdere malen, binnengekomen bij de Rechtbank en doorgezonden aan het Hof, nadere stukken ingediend. Het Hof heeft ook meerdere malen stukken ontvangen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak), die zij van belanghebbende had ontvangen maar betrekking hebben op onderhavige procedure.



1.6.
Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van het Hof op 23 juni 2026, om 11.00 uur te Leeuwarden, heeft belanghebbende een brief met dagtekening 21 april 2026 (door het Hof via de Rechtbank ontvangen op 1 mei 2026) gestuurd met daarin – onder meer – het verzoek de mondelinge behandeling uit te stellen. Wat betreft dit verzoek heeft belanghebbende – samengevat – geschreven dat zij eerst antwoord wil hebben op door haar gestelde vragen, verduidelijkingen wenst, vooraf een agenda van de zitting en de door de rechter te stellen vragen wil ontvangen, en dat zij meer tijd nodig heeft om zich goed voor te bereiden. Verder begrijpt het Hof belanghebbende aldus dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zij heeft gesteld met betrekking tot de procedures en werkwijze van de rechtspraak, zoals opgenomen in het in eerdere correspondentie door haar overgelegde stappenplan met 80 punten.



1.7.
Bij bericht van 7 mei 2026 heeft het Hof het uitstelverzoek afgewezen en daarin onder meer het volgende geschreven:


“Uit uw brief leidt het Hof af dat u niet verhinderd bent om 23 juni 2026 naar Leeuwarden te komen, maar dat u meer voorbereidingstijd nodig heeft en dat er voor u nog veel vragen c.q. onduidelijkheden zijn met betrekking tot de procedure. Gelet hierop zal het Hof het uitstelverzoek afwijzen en de zitting van 23 juni 2026 gebruiken om rustig met u over de zaken te praten, na te gaan welke grieven u precies heeft tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland en te kijken of het Hof helderheid kan verschaffen over eventuele andere nog bij u levende vragen c.q. onduidelijkheden.



Mocht blijken dat op bepaalde punten nader onderzoek nodig of gewenst is, zullen de zaken worden aangehouden en zult u een termijn krijgen om nadere informatie te verstrekken. Verder heeft u het Hof gevraagd waarom de zitting niet in Groningen plaatsvindt. De vaste zittingslocaties van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn Arnhem en Leeuwarden. Aangezien uitspraak is gedaan door de rechtbank Noord-Nederland en u in [woonplaats] woont, is in het onderhavige geval gekozen voor een zitting in Leeuwarden (..).



Tot slot merk ik op dat u in alle zaken bent uitgenodigd om 11.00 uur. Voor zover nodig zullen de zaken echter achtereenvolgens worden behandeld.”




1.8.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 mei 2026 (door het Hof via de Rechtbank ontvangen op 18 mei 2026) gereageerd op het bericht van het Hof van 7 mei 2026. Belanghebbende heeft hierin – samengevat – het volgende geschreven. Eerst moet opgehelderd worden om welke zaken het gaat en wil ze vooraf schriftelijk per zaak de stand van zaken in het recht en de vragen van de rechter ontvangen. Pas als ze dit alles heeft ontvangen, kan belanghebbende verder met het interpreteren. Onduidelijkheden over de procedure moeten vooraf schriftelijk worden weggenomen, omdat anders alles er ter zitting kan worden doorgedrukt en daar past belanghebbende voor. Volgens belanghebbende dient op basis van wat er nu ligt voor alle zaken de niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken en dit dient op schrift te worden gesteld. Belanghebbende is van mening dat zolang dit niet gebeurt, zij niet hoeft te reageren, niet schriftelijk en ook niet mondeling. De conclusie van het Hof dat ze niet verhinderd is op 23 juni 2026 wijst ze af, mede vanwege de foutieve procedurele voorbereiding, ontbrekende gegevens en ontbrekend en/of foutief recht. Ze wijst er in dit verband op dat wat het Hof nu voorstelt om te bespreken, is terug te vinden in de uitgebreide correspondentie die is gevoerd en geeft daartoe een overzicht van meer dan 60 brieven (met bijlagen) die zij in de beroepsfase naar de Rechtbank heeft gestuurd.



1.9.
Bij bericht van 21 mei 2026 heeft het Hof aan belanghebbende een overzicht verstrekt van alle aan de orde zijnde zaken en voor de volledigheid documenten bijgevoegd met de uitnodiging voor de zitting voor alle zaken. In het bericht is verder het volgende geschreven:


“Verder deel ik u mede dat de zitting doorgang zal vinden. Het Hof raadt u aan daarbij aanwezig te zijn, zodat de zaken met u kunnen worden gesproken. Ter zitting zal zeker rekening worden gehouden met het feit dat u zelf procedeert en geen gemachtigde heeft. De vragen zullen vooral betrekking hebben op het vaststellen van de feiten en hoe een en ander nu precies is verlopen. Die vragen zullen niet van tevoren aan u worden toegestuurd. Zoals in het bericht van het Hof van 7 mei 2026 ook reeds is aangegeven, kunnen de zaken ter zitting worden aangehouden als blijkt dat u meer tijd nodig heeft om een bepaalde vraag te beantwoorden of nadere informatie te verzamelen.”




1.10.
Belanghebbende heeft bij brief van 1 juni 2026 gereageerd op het bericht van het Hof van 21 mei 2026. In deze brief doet belanghebbende wederom een verzoek om uitstel van de zitting. In de brief leest het Hof – wederom samengevat – een klacht over het zonder onderbouwing afwijzen van haar verzoek om uitstel, dat zij eerdere correspondentie inzake dit verzoek moet nagaan, wat weer tijd kost en daarom moet leiden tot uitstel van de zitting, en dat het niet nodig of mogelijk is naar de zitting te komen, omdat nog steeds niet is voldaan aan haar eisen (om naar de zitting te komen) en veel van haar aangevoerde redenen en argumenten nog steeds niet zijn behandeld. Verder stelt belanghebbende dat er te veel zaken op zitting staan die moeten worden beoordeeld, wat haar qua tijd niet past. Van een bijzonder geval in de zin van de uitstelregeling is volgens belanghebbende sprake omdat het kan zijn dat zij ter zitting plotseling vragen moet beantwoorden, wat haar positie schaadt; behandeling op zitting leidt zonder agenda met bespreekpunten en vooraf toegestuurde vragen tot extra mogelijkheden van vermenging en verwarring. Belanghebbende geeft tot slot aan dat als zij naar de zitting zou komen, zij daarmee de in haar ogen onjuiste wijze van behandeling van zaken binnen de rechtspraak zou accepteren en dat de rechter dus zou gaan bepalen welke bespreekpunten wel en welke niet aan de orde komen.



1.11.
Bij bericht van 11 juni 2026 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld geen aanleiding te zien om alsnog uitstel van de zitting te verlenen. In het bericht is verder vermeld:


“De zitting van dinsdag 23 juni 2026 om 11.00 uur te Leeuwarden zal derhalve gewoon doorgang vinden. Het Hof raadt u aan bij de zitting aanwezig te zijn, zodat de zaken met partijen kunnen worden besproken. Het Hof hecht er verder aan nogmaals te benadrukken dat indien ter zitting vragen worden gesteld waarop u niet direct antwoord kunt geven, de zaken zullen worden aangehouden en u in de gelegenheid zult worden gesteld schriftelijk te reageren.”




1.12.
Het Hof heeft ter informatie van de Afdeling bestuursrechtspraak met dagtekening 11 juni 2026 een bericht ontvangen over een door belanghebbende aan haar gestuurde brief inzake onderhavige procedure. De brief is door het Hof doorgestuurd naar partijen.



1.13.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Belanghebbende is niet verschenen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken van belanghebbende met nummers BK-ARN 25/2461 tot en met 24/2464, waarvoor namens de ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen aanwezig waren [naam3] , bijgestaan door [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.



1.14.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting is op 24 juni 2026 door het Hof van de Rechtbank een stuk ontvangen dat belanghebbende bij de Rechtbank op 15 juni 2026 had ingediend. Nu dit stuk ruimschoots voor de zitting was ingediend en ziet op de onderhavige procedure, rekent het Hof dit stuk tot de stukken van het geding, hetgeen betekent dat dit wordt meegenomen in de beoordeling. Het Hof ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen om de Ontvanger in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Het stuk zal tegelijk met de uitspraak op digitale wijze aan de Inspecteur worden vrijgegeven.



1.15.
Het Hof heeft op 29 juli 2026 een afschrift ontvangen van een door de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 juli 2026 – op de voet van artikel 8:54 van de Awb – ten name van belanghebbende gedane uitspraak. Omdat belanghebbende blijkens die uitspraak van mening is dat niet het Hof maar de Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd is te oordelen over het bestuursrecht, heeft zij tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 oktober 2025 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Deze heeft zich in haar uitspraak onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep. Op 10 augustus 2026 heeft het Hof van de Afdeling bestuursrechtspraak het bericht ontvangen dat belanghebbende verzet heeft gedaan tegen de uitspraak van 24 juli 2026. Voor de volledigheid zal dit stuk tegelijk met de uitspraak naar partijen worden gestuurd.



1.16.
Op 6 augustus 2026 heeft het Hof van de Rechtbank een stuk ontvangen dat belanghebbende bij de Rechtbank op 31 juli 2026 had ingediend. Het Hof zal aan de inhoud van dit stuk voorbij gaan omdat het onderzoek ter zitting op 23 juni 2026 reeds was gesloten en het Hof in de inhoud van dit stuk geen aanleiding vindt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Het Hof zal dit stuk derhalve niet meenemen bij de beoordeling. Voor de volledigheid en vanuit het oogpunt van transparantie is het stuk wel aan het dossier toegevoegd en zal het tegelijk met de uitspraak op digitale wijze aan de Inspecteur worden vrijgegeven.






2Vaststaande feiten


2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1966.



2.2.
Belanghebbende heeft deelgenomen aan een levensloopregeling als bedoeld in – het vervallen – artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de levensloopregeling). Het saldo van de in dat kader bij [verzekeringsmaatschappij] . (hierna: [verzekeringsmaatschappij] ) aangehouden polis bedraagt per 31 december 2020 blijkens een door [verzekeringsmaatschappij] aan belanghebbende verstrekt waardeoverzicht € 6.491,93.



2.3.
Met dagtekening 16 november 2021 heeft [verzekeringsmaatschappij] aan belanghebbende een specificatie van de uitbetaling van de onder 2.2 vermelde polis toegestuurd. Daarop is vermeld dat in november 2021 een betaling zal plaatsvinden van bruto € 8.631,62, die na inhouding van een loonheffing van € 3.202,33 resulteert in een netto betaling van € 5.429,29.



2.4.
Belanghebbende heeft op 2 december 2022 een (herziene) aangifte IB/PVV over het jaar 2021 ingediend en daarin uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.838 aangegeven, dat (onder andere) bestaat uit een bedrag van € 47.688 aan loon uit dienstbetrekking van [werkgever] (hierna: ook de voormalig werkgever). Als ingehouden loonheffing is een bedrag van € 12.954 vermeld.



2.5.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 8 februari 2024 geïnformeerd over zijn voornemen om bij het opleggen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2021 af te wijken van de ingediende aangifte, omdat de jaaropgaven van belanghebbende een bedrag van in totaal € 56.319 aan loon vermelden, te weten € 47.688 van [werkgever] (loonheffing 12.954) en van [verzekeringsmaatschappij] € 8.631 (loonheffing € 3.203). De looninkomsten van [verzekeringsmaatschappij] hebben betrekking op de afwikkeling van de levensloopregeling.



2.6.
In het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst is het Fiscale Loon Gegevens - Overzicht inkomstenverhoudingen per jaar - (hierna: FLG-overzicht) voor het jaar 2021 van belanghebbende opgenomen. De daarin vermelde gegevens zijn overeenkomstig de onder 2.5 door de Inspecteur vermelde gegevens.



2.7.
Bij het opleggen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2021, met dagtekening 4 april 2024, is de Inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning gecorrigeerd met het door belanghebbende niet aangegeven van [verzekeringsmaatschappij] ontvangen bedrag van € 8.631, tot een bedrag van € 56.469. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag tevens het bedrag aan ingehouden loonheffing verhoogd met € 3.203 tot € 16.157.



2.8.
Belanghebbende heeft op 13 mei 2024 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2021. Bij brief van 31 augustus 2024 heeft belanghebbende haar bezwaar gemotiveerd.



2.9.
Naar aanleiding van een verzoek van de Inspecteur om telefonisch contact, heeft belanghebbende op 30 september 2024 telefonisch aan de Inspecteur laten weten dat zij vragen niet mondeling wil beantwoorden.



2.10.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 7 oktober 2024, waarin hij de voorgenomen beslissing op het bezwaar kenbaar heeft gemaakt, gewezen op haar recht om het bezwaar tijdens een hoorgesprek toe te lichten. Als belanghebbende daarvan gebruik wil maken, wordt haar verzocht om vóór 21 oktober 2024 contact op te nemen met de Inspecteur. Over het telefonische contact op 30 september 2024 heeft de Inspecteur geschreven dat belanghebbende hem in dat gesprek heeft aangegeven dat zij geen telefonisch contact wenst te hebben over het bezwaar. Hierna hebben partijen een aantal malen over en weer gecorrespondeerd. Hierin heeft belanghebbende aangegeven de voorkeur te hebben per post te communiceren en voornemens is dat in het vervolg altijd te doen. Belanghebbende heeft niet verzocht om een hoorgesprek.



2.11.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 november 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Over het horen en inzage heeft de Inspecteur het volgende geschreven:


“Horen en inzage
In mijn brief van 7 oktober 2024 u de uitnodiging om uw bezwaar mondeling aan mij toe te lichten. Ook vroeg ik u of u de stukken over de zaak in wilt zien. U hebt aangegeven dat een hoorzitting niet nodig/verplicht is en ook geen onderdeel uit zou moeten maken van een bezwaar. Hieruit maak ik op dat u geen gebruik wil maken van de mogelijkheid tot horen en inzage.”







3Geschil


In geschil is of de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2021 tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de correctie inzake het van [verzekeringsmaatschappij] met betrekking tot de afwikkeling van de levensloopregeling door belanghebbende ontvangen bedrag. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.






4Beoordeling van het geschil



Vooraf



4.1.
Belanghebbende heeft bij brief van 21 april 2026 (zie 1.6) verzocht om uitstel van de zitting van 23 juni 2026. Het Hof is niet aan dit verzoek tegemoet gekomen. Daarna heeft belanghebbende haar verzoek nog een aantal malen herhaald (zie 1.8 en 1.10), welke verzoeken telkens door het Hof zijn afgewezen.



4.2.
Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren (zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, r.o. 3.2; HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, r.o. 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, r.o. 3.3.1).



4.3.
Het Hof stelt allereerst vast dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij wegens ziekte of om een andere reden verhinderd is om op de zitting van 23 juni 2026 aanwezig te zijn. Het Hof heeft dit in zijn bericht van 7 mei 2026 expliciet aan belanghebbende voorgehouden. Ook uit de latere brieven van belanghebbende kan niet worden afgeleid dat belanghebbende verhinderd is.



4.4.
Uit de in haar verzoeken aangevoerde redenen, alsmede uit de overige stukken van het geding, maakt het Hof op dat belanghebbende zich niet kan vinden in de door de rechtspraak omtrent de behandeling van zaken gehanteerde procedure, waaronder de zitting. Belanghebbende heeft daartoe onder meer een stappenplan met 80 punten geformuleerd en overgelegd waaraan in haar ogen voldaan zou moeten worden. Uit de door belanghebbende aangevoerde argumenten en de wijze waarop belanghebbende deze naar voren heeft gebracht, leidt het Hof af dat dit voor haar voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan, wil zij aan een mondelinge behandeling gaan deelnemen. In haar brief van 1 juni 2026 geeft belanghebbende expliciet aan dat als zij naar de zitting zou komen, zij daarmee de in haar ogen onjuiste wijze van behandeling van zaken binnen de rechtspraak zou accepteren. Het argument dat zij meer tijd nodig heeft voor de voorbereiding, beschouwt het Hof in de context van het voorgaande. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat zij zich niet kan voorbereiden op de zitting zolang het Hof niet voldoet aan de door haar voorgestane werkwijze. De vragen die belanghebbende zegt te hebben of de onduidelijkheden die zij ervaart, vloeien naar de indruk van het Hof vooral voort uit het feit dat belanghebbende het met de gehanteerde procedure volstrekt oneens is. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, voldoende voorgelicht over de procedure en de gang van zaken bij die behandeling, waaronder dat uiterlijk tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend en dat belanghebbende iemand kan meebrengen om namens haar het woord te voeren. Uit de stukken volgt ook dat belanghebbende kennis heeft van de gang van zaken omtrent de procedure in hoger beroep en belanghebbende heeft bij bericht van 21 mei 2026 van het Hof nogmaals een overzicht gekregen van alle aan de orde zijnde zaken waarbij voor de volledigheid documenten zijn bijgevoegd met de uitnodiging voor de zitting voor alle zaken. Omdat het Hof uit de brieven van belanghebbende afleidt dat zij erop beducht is dat zij ter zitting wellicht vragen krijgt waarop zij het antwoord schuldig zal moeten blijven of waarop zij antwoorden geeft die ten nadele van haar werken, heeft het Hof bij de afwijzing van het uitstelverzoek toegezegd dat de zaken ter zitting kunnen worden aangehouden als blijkt dat belanghebbende meer tijd nodig heeft om een bepaalde vraag te beantwoorden of nadere informatie te verzamelen, en ook in latere berichten benadrukt dat indien ter zitting vragen worden gesteld waarop zij niet direct antwoord kan geven, de zaken zullen worden aangehouden en zij in de gelegenheid zal worden gesteld schriftelijk te reageren.



4.5.
Gelet op het voorgaande en bezien in het licht van alle pogingen van het Hof om mogelijke door belanghebbende zo ervaren belemmeringen om aan een zitting deel te nemen weg te nemen, kunnen de door belanghebbende aangevoerde redenen waarom zij zich niet op de vastgestelde zittingsdag kan voorbereiden, althans daar meer tijd voor nodig heeft, naar het oordeel van het Hof, niet worden aangemerkt als gewichtige redenen als onder 4.2 bedoeld. Daarbij betrekt het Hof dat wel beschouwd sprake is van een situatie die door (enkel) het honoreren van het uitstelverzoek niet zal veranderen. Dit is voor het Hof een reden geweest om in zijn brief van 7 mei 2026 aan belanghebbende te schrijven dat het Hof eens rustig met haar wil praten over de zaken, ook om zo helderheid te kunnen verschaffen over eventuele andere nog bij haar levende vragen c.q. onduidelijkheden. Dat belanghebbende desondanks niet wil komen omdat zij het oneens is met de in hoger beroep geldende procedure is een omstandigheid die voor rekening van belanghebbende blijft. De stelling van belanghebbende dat er te veel zaken op zitting staan die moeten worden beoordeeld, wat haar qua tijd niet zou passen, is onvoldoende gemotiveerd en doet evenmin af aan het voorgaande. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft gelet op het voorgaande de behandeling ter zitting daarom buiten aanwezigheid van belanghebbende doorgang laten vinden en ter zitting het onderzoek gesloten.



4.6.
Voorts merkt het Hof vooraf op dat in deze procedure alleen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2021 aan de orde is. De aan belanghebbende opgelegde aanslagen over andere jaren en de procedure die de voormalig werkgever volgens belanghebbende tegen haar voert, worden niet behandeld.



Inhoudelijk




4.7.
De Rechtbank heeft omtrent de correctie inzake het van [verzekeringsmaatschappij] met betrekking tot de afwikkeling van de levensloopregeling door belanghebbende ontvangen bedrag het volgende overwogen:


“5. De rechtbank overweegt dat de levensloopregeling met ingang van 1 januari 2012 is afgeschaft. Voor bestaande deelnemers gold tot 1 januari 2022 een overgangsregeling. Ingevolge dit overgangsrecht konden bestaande deelnemers bestedingsvrij over het levenslooptegoed beschikken. Voor 2013 en 2015 is het overgangsrecht gewijzigd in die zin dat bestaande deelnemers het tegoed naar keuze in 2013 of 2015 konden afkopen en vrij besteden, waarbij 80% van de waarde van het tegoed per 31 december 2011 zou worden belast.


6. Artikel 39d, vierde lid van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) luidt, voor zover hier van belang als volgt:

“Ingeval de waarde in het economische verkeer van de [levensloop]aanspraak, (…), niet vóór 1 november 2021 (…) als loon in aanmerking is genomen, wordt de waarde in het economische verkeer van de aanspraak bij de aanvang van die dag, zonder toepassing van de standaardloonheffingskorting, als loon uit tegenwoordige arbeid van de werknemer of gewezen werknemer in aanmerking genomen (…).”


7. De rechtbank overweegt verder dat [belanghebbende], in ieder geval voor het bedrag van de levensloopaanspraak waar onderhavige procedure op ziet (de aanspraak), geen gebruik heeft gemaakt van een overgangsregeling. De aanspraak is dus niet vóór 1 november 2021 als loon in aanmerking genomen. Gelet op het bepaalde in artikel 39d, vierde lid, van de Wet LB is de aanspraak dan ook terecht in 2021 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. In het artikellid wordt uitgegaan van een fictief genietingsmoment op 1 november 2021. Volgens de onder 2.3. vermelde specificatie heeft [belanghebbende] de aanspraak op 16 november 2021 ook daadwerkelijk genoten.

8. Uit de veelheid aan stukken die [belanghebbende] tijdens de bezwaarprocedure aan de inspecteur en in beroep aan de rechtbank heeft toegestuurd, begrijpt de rechtbank dat [belanghebbende] het niet eens is met de aan haar opgelegde aanslag IB/PVV 2021. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] niet duidelijk heeft kunnen maken waarom zij het niet eens is met deze aanslag. Ook ter zitting heeft [belanghebbende] desgevraagd niet kunnen toelichten wat haar bezwaren zijn. [Belanghebbende] heeft vele cijfermatige uitwerkingen overgelegd aan de rechtbank. Alhoewel de rechtbank deze cijfermatige uitwerkingen rekenkundig kan volgen, is het de rechtbank onduidelijk wat [belanghebbende] hiermee heeft willen onderbouwen en hoe haar cijfermatige conclusie van het standpunt luidt. Gelet op de feiten en de argumenten die de inspecteur in zijn verweerschrift heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat aanslag IB/PVV 2021 tot het juiste bedrag is opgelegd.

9. [ Belanghebbende] heeft nog aangevoerd dat de onder 2.3. vermelde uitbetaling zonder inhouding van loonheffing had moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat, wat daar overigens ook zij, dit standpunt [belanghebbende] niet kan baten wat betreft de aanslag IB/PVV 2021. Voor die aanslag geldt namelijk dat de bruto uitkering in de heffing wordt betrokken, ongeacht wat daarop aan loonheffing wordt ingehouden. De inhouding wijzigt het belastbaar inkomen niet, maar uitsluitend het uiteindelijk te betalen bedrag van de aanslag. Wanneer geen loonheffing was ingehouden, had [belanghebbende] op de aanslag IB/PVV 2021 meer moeten betalen.”



4.8.

Met de hiervoor aangehaalde overwegingen heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het Hof het volgende.
Het bedrag dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen als van [verzekeringsmaatschappij] genoten (€ 8.631), komt overeen met het – onder 2.6 opgenomen – door de Inspecteur overgelegde FLG-overzicht en de door [verzekeringsmaatschappij] aan belanghebbende toegestuurde specificatie (zie 2.3). De enkele stelling dat belanghebbende eerst alle salarisberekeningen over de jaren 2002 tot en met 2024 wil controleren, maar daartoe geen gegevens van de voormalig werkgever heeft ontvangen en door de slechte verhoudingen met deze werkgever ook geen contact meer mogelijk is, vormt voor het Hof onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het door de Inspecteur overgelegde renseignement. Het Hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ook geen aanleiding, voor zover belanghebbende dit heeft bedoeld te stellen, om pas met de zaak verder te gaan als belanghebbende alle salarisberekeningen heeft kunnen controleren. Nu ook overigens geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het renseignement, heeft de Inspecteur het bedrag van € 8.631 terecht als loon in het jaar 2021 in aanmerking genomen. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende een rekenvoorbeeld gegeven waaruit zou volgen dat de inhouding van loonheffing, naar het Hof begrijpt, € 125 te hoog is geweest. Daargelaten dat de juistheid van de verrichte inhouding in onderhavige procedure niet aan de orde is, kan deze stelling belanghebbende niet baten, omdat het niet in belanghebbendes voordeel is als bij het bepalen van de aanslag in de IB/PVV minder loonheffing in aanmerking zou worden genomen.




4.9.
Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Rechtbank haar beroep ter zitting of overigens onzorgvuldig heeft behandeld, overweegt het Hof dat daarvan niets is gebleken. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen voor een dergelijke conclusie. Evenmin is gebleken dat belanghebbende is geschaad in haar verdediging. Dat belanghebbende het niet eens is met de gehanteerde gang van zaken maakt niet dat daarvan sprake is.



4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat zij niet kan checken of het dossier compleet is. Naar het oordeel van het Hof geven de stukken van het geding geen aanleiding te veronderstellen dat het dossier niet volledig is en heeft belanghebbende onvoldoende aangedragen om aan te nemen dat de Inspecteur in (hoger) beroep niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.



4.11.
Belanghebbende heeft gesteld dat het telefonische gesprek van 30 september 2024 onderdeel is van het horen en dat verder horen daarna niet nodig is. Wel vindt belanghebbende dat dit thuis hoort in het dossier. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat van het telefonische gesprek een hoorverslag had moeten worden opgemaakt, overweegt het Hof als volgt. Het bedoelde gesprek heeft niet de kenmerken van een hoorgesprek in de zin van artikel artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Niet gebleken is dat beide partijen bedoeld hebben of ingestemd hebben met het op deze wijze horen, te meer niet nu belanghebbende zelf zegt in dat gesprek te hebben aangegeven dat zij mondeling geen antwoord geeft op (mondelinge) vragen van de Inspecteur en dat als de Inspecteur vragen heeft hij deze schriftelijk kan stellen. De uit artikel 7:7 van de Awb voortvloeiende verplichting om een verslag op te maken geldt dus niet voor dit gesprek. Dat laat overigens onverlet dat de Inspecteur in zijn brief van 7 oktober 2024 (zie 2.10) heeft verwoord wat (volgens hem) in het gesprek door belanghebbende is gezegd. Dat belanghebbende de hiervoor genoemde nuance aanbrengt, maakt dit niet anders. Het Hof begrijpt belanghebbendes stelling, mede in het licht van de overige stellingen, niet zo dat als het telefonisch contact niet kan worden aangemerkt als een hoorgesprek zij alsnog een hoorgesprek had gewild. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve.



4.12.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur eenzijdig de bezwaarfase voortijdig heeft afgesloten en niet tot nauwelijks inhoudelijk is ingegaan op de door belanghebbende aangeleverde argumenten en onderbouwingen. Het Hof overweegt hierover als volgt. Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voldoende gemotiveerd op welke gronden hij de bezwaren van belanghebbende tegen de toegepaste correctie afwijst. De motiveringsplicht van artikel 7:12 van de Awb strekt niet zover dat de Inspecteur verplicht is op alle daartoe nog verder aangedragen argumenten in te gaan. Dat de Inspecteur in dit verband onzorgvuldig heeft gehandeld is niet gebleken. Evenmin kan worden geconcludeerd dat de Inspecteur ontijdig uitspraak heeft gedaan. Het Hof verwerpt dan ook het beroep op schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Voor zover belanghebbende overigens heeft gesteld dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, verwerpt het Hof deze stelling, omdat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie leiden dat de Inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.



4.13.
Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.



4.14.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen zelfstandige grieven aangevoerd. In beroep had belanghebbende nog gesteld dat geen rente (meer) in rekening kan worden gebracht omdat de voormalig werkgever en de Belastingdienst fouten hebben gemaakt, maar die fouten zijn niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende moet zelf haar vooraf ingevulde aangifte controleren en is zelf verantwoordelijk voor het invullen van een juiste aangifte. De belastingrente is terecht berekend.



Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter en lid van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.



De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.





De griffier, De voorzitter,








(S. Darwinkel) (G.B.A. Brummer)



Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.



Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.