Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5746
2026-09-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/1681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting. Aanmaningskosten. Verzending naheffingsaanslag door invorderingsambtenaar aannemelijk gemaakt.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2023:785 Hoge Raad 26-05-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:2659 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.897 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1681
uitspraakdatum: 1 september 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 juli 2025, nummer ARN 24/3240, in het geding tussen belanghebbende en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de invorderingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende een bedrag van € 8 aan kosten in rekening gebracht voor het verzenden van een aanmaning tot betaling van een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Arnhem (hierna ook: de aanmaningskosten).
1.2.
Het bezwaar van belanghebbende tegen die aanmaningskosten is door de invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. J. Piet als de gemachtigde van belanghebbende en [naam1] namens de invorderingsambtenaar.
2Vaststaande feiten
2.1.
Invoned heeft namens de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem ten name van belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting vastgesteld. De naheffingsaanslag is gedagtekend 14 augustus 2023. De betalingstermijn eindigde op 22 september 2023. De naheffingsaanslag heeft [dossiernummer] en is geadresseerd aan het adres van belanghebbende aan [adres] [woonplaats] .
2.2.
Nadat de invorderingsambtenaar is gebleken dat belanghebbende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag niet tijdig had voldaan, heeft hij met dagtekening 25 september 2023 een aanmaning verzonden aan belanghebbende. In die aanmaning is een bedrag van € 8 aan kosten opgenomen voor het verzenden ervan. De aanmaning is naar hetzelfde adres als de naheffingsaanslag verzonden en heeft hetzelfde dossiernummer als dat van de naheffingsaanslag.
2.3.
Het kantoor van de gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de in de aanmaningsbrief opgenomen kosten. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard. Ook het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de invorderingsambtenaar terecht de aanmaningskosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de invorderingsambtenaar geen aanmaningskosten in rekening mocht brengen nu zij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen en ter zake van de verschuldigde parkeerbelasting dus niet in gebreke was.
3.3.
De invorderingsambtenaar stelt dat hij wel aanmaningskosten in rekening mocht brengen omdat de naheffingsaanslag op rechtsgeldige wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt door verzending per post en belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de betalingstermijn heeft voldaan.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat wanneer een belanghebbende – zoals hier – stelt dat een belastingaanslag hem niet heeft bereikt, in die stelling een betwisting van de rechtsgeldige verzending van die aanslag ligt begrepen. In dat geval dient de ambtenaar die verzending aannemelijk te maken. Het bepaalde in artikel 7, lid 2, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (dat op grond van artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet hier van toepassing is) staat hieraan niet in de weg aangezien die bepaling geen betrekking heeft op een verweer voor zover dat inhoudt dat de naheffingsaanslag niet is verzonden (vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, r.o. 4.5.1).
4.2.
Gelet op de betwisting door belanghebbende, rust op de invorderingsambtenaar de last om de rechtsgeldige verzending van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. In een geval als hier, waarin de invorderingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat de naheffingsaanslag is aangeboden aan een postvervoerbedrijf en aan welk postvervoerbedrijf. Daarbij geldt de zogenoemde vrije bewijsleer. Anders dan belanghebbende betoogt, is de invorderingsambtenaar derhalve niet verplicht het bewijs te leveren via een verzendadministratie (vgl Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2659, r.o. 4.6).
4.3.
Om de verzending van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken heeft de invorderingsambtenaar de volgende toelichting gegeven:
“De [invorderingsambtenaar] merkt op dat er wel degelijk sprake is van een verzendadminstratie door Invoned. De brieven worden aangemaakt in het systeem door de workflow. Deze start iedere ochtend om 00:15 en is gereed om ca 04:00 uur. De brieven worden vervolgens om 10:00 uur geautomatiseerd aan Addcomm overgedragen en dezelfde dag geprint en met 24 uurspost bezorgt door PostNL.”
4.4.
Uit de stukken die de invorderingsambtenaar heeft overgelegd volgt ten aanzien van het dossiernummer van de naheffingsaanslag dat dit dossier aan het systeem is toegevoegd op 8 augustus 2023. Op 11 augustus, om 01:53 uur, is in het dossier achtereenvolgens vermeld:
“dossier gereed voor invorderingsproces”,
“dossier staat klaar voor naheffingsaanslag”, en;
“155 Naheffingsaanslag [woonplaats] – Naheffingsaanslag [woonplaats] verzonden.”
De invorderingsambtenaar heeft voorts een interne e-mail van Invoned – de uitvoerder van de invorderingstaken van de gemeente Arnhem – verstrekt waaruit volgt dat op 11 augustus 2023 1490 documenten via een ZIP-bestand succesvol zijn verzonden. Onderdeel van dat ZIP-bestand is een document met nummer ‘155’ van [dossiernummer] . Daarnaast heeft de invorderingsambtenaar een overzicht van Addcom verstrekt dat het volgende vermeldt:
“Invoned heeft op 11 augustus 2023 een databestand aangeleverd voor fysieke verwerking.
Dit bestand heeft 1490 relaties en deze 1490 brieven zijn dezelfde dag geprint, gecouverteerd en aangeboden aan PostNL voor verzending.”
4.5.
Op basis van de door de invorderingsambtenaar gegeven toelichting op de verzending van de naheffingsaanslag (zie 4.3) en de in het dossier aanwezige stukken (zie 4.4) acht het Hof aannemelijk dat de naheffingsaanslag die is opgelegd aan belanghebbende met [dossiernummer] op 11 augustus 2023 per ZIP-bestand bestaande uit 1.490 documenten door Invoned is verzonden aan Addcom. Aangezien Addcom heeft verklaard op die datum evenveel documenten te hebben geprint, gecouverteerd en te hebben aangeboden aan PostNL acht het Hof voorts aannemelijk dat de naheffingsaanslag op 11 augustus 2023 door Addcom via PostNL aan belanghebbende is verzonden. Dit houdt in dat de invorderingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast is geslaagd de rechtsgeldige verzending – en daarmee de bekendmaking in de zin van artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht – van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. Nu belanghebbende deze naheffingsaanslag niet binnen de betalingstermijn heeft voldaan, was zij ten tijde van het verzenden van de aanmaning op 25 september 2023 in gebreke. Dat betekent dat de aanmaningskosten terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(G.J. van de Lagemaat) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1681
uitspraakdatum: 1 september 2026
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 18 juli 2025, nummer ARN 24/3240, in het geding tussen belanghebbende en
de invorderingsambtenaar van de gemeente Arnhem (hierna: de invorderingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende een bedrag van € 8 aan kosten in rekening gebracht voor het verzenden van een aanmaning tot betaling van een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Arnhem (hierna ook: de aanmaningskosten).
1.2.
Het bezwaar van belanghebbende tegen die aanmaningskosten is door de invorderingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. J. Piet als de gemachtigde van belanghebbende en [naam1] namens de invorderingsambtenaar.
2Vaststaande feiten
2.1.
Invoned heeft namens de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem ten name van belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting vastgesteld. De naheffingsaanslag is gedagtekend 14 augustus 2023. De betalingstermijn eindigde op 22 september 2023. De naheffingsaanslag heeft [dossiernummer] en is geadresseerd aan het adres van belanghebbende aan [adres] [woonplaats] .
2.2.
Nadat de invorderingsambtenaar is gebleken dat belanghebbende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag niet tijdig had voldaan, heeft hij met dagtekening 25 september 2023 een aanmaning verzonden aan belanghebbende. In die aanmaning is een bedrag van € 8 aan kosten opgenomen voor het verzenden ervan. De aanmaning is naar hetzelfde adres als de naheffingsaanslag verzonden en heeft hetzelfde dossiernummer als dat van de naheffingsaanslag.
2.3.
Het kantoor van de gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de in de aanmaningsbrief opgenomen kosten. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard. Ook het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard.
3Geschil
3.1.
In geschil is of de invorderingsambtenaar terecht de aanmaningskosten aan belanghebbende in rekening heeft gebracht.
3.2.
Belanghebbende stelt dat de invorderingsambtenaar geen aanmaningskosten in rekening mocht brengen nu zij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen en ter zake van de verschuldigde parkeerbelasting dus niet in gebreke was.
3.3.
De invorderingsambtenaar stelt dat hij wel aanmaningskosten in rekening mocht brengen omdat de naheffingsaanslag op rechtsgeldige wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt door verzending per post en belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de betalingstermijn heeft voldaan.
4Beoordeling van het geschil
4.1.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat wanneer een belanghebbende – zoals hier – stelt dat een belastingaanslag hem niet heeft bereikt, in die stelling een betwisting van de rechtsgeldige verzending van die aanslag ligt begrepen. In dat geval dient de ambtenaar die verzending aannemelijk te maken. Het bepaalde in artikel 7, lid 2, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (dat op grond van artikel 231, lid 1, van de Gemeentewet hier van toepassing is) staat hieraan niet in de weg aangezien die bepaling geen betrekking heeft op een verweer voor zover dat inhoudt dat de naheffingsaanslag niet is verzonden (vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:785, r.o. 4.5.1).
4.2.
Gelet op de betwisting door belanghebbende, rust op de invorderingsambtenaar de last om de rechtsgeldige verzending van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. In een geval als hier, waarin de invorderingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt door verzending per post, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk moet maken dat de naheffingsaanslag is aangeboden aan een postvervoerbedrijf en aan welk postvervoerbedrijf. Daarbij geldt de zogenoemde vrije bewijsleer. Anders dan belanghebbende betoogt, is de invorderingsambtenaar derhalve niet verplicht het bewijs te leveren via een verzendadministratie (vgl Hof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2659, r.o. 4.6).
4.3.
Om de verzending van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken heeft de invorderingsambtenaar de volgende toelichting gegeven:
“De [invorderingsambtenaar] merkt op dat er wel degelijk sprake is van een verzendadminstratie door Invoned. De brieven worden aangemaakt in het systeem door de workflow. Deze start iedere ochtend om 00:15 en is gereed om ca 04:00 uur. De brieven worden vervolgens om 10:00 uur geautomatiseerd aan Addcomm overgedragen en dezelfde dag geprint en met 24 uurspost bezorgt door PostNL.”
4.4.
Uit de stukken die de invorderingsambtenaar heeft overgelegd volgt ten aanzien van het dossiernummer van de naheffingsaanslag dat dit dossier aan het systeem is toegevoegd op 8 augustus 2023. Op 11 augustus, om 01:53 uur, is in het dossier achtereenvolgens vermeld:
“dossier gereed voor invorderingsproces”,
“dossier staat klaar voor naheffingsaanslag”, en;
“155 Naheffingsaanslag [woonplaats] – Naheffingsaanslag [woonplaats] verzonden.”
De invorderingsambtenaar heeft voorts een interne e-mail van Invoned – de uitvoerder van de invorderingstaken van de gemeente Arnhem – verstrekt waaruit volgt dat op 11 augustus 2023 1490 documenten via een ZIP-bestand succesvol zijn verzonden. Onderdeel van dat ZIP-bestand is een document met nummer ‘155’ van [dossiernummer] . Daarnaast heeft de invorderingsambtenaar een overzicht van Addcom verstrekt dat het volgende vermeldt:
“Invoned heeft op 11 augustus 2023 een databestand aangeleverd voor fysieke verwerking.
Dit bestand heeft 1490 relaties en deze 1490 brieven zijn dezelfde dag geprint, gecouverteerd en aangeboden aan PostNL voor verzending.”
4.5.
Op basis van de door de invorderingsambtenaar gegeven toelichting op de verzending van de naheffingsaanslag (zie 4.3) en de in het dossier aanwezige stukken (zie 4.4) acht het Hof aannemelijk dat de naheffingsaanslag die is opgelegd aan belanghebbende met [dossiernummer] op 11 augustus 2023 per ZIP-bestand bestaande uit 1.490 documenten door Invoned is verzonden aan Addcom. Aangezien Addcom heeft verklaard op die datum evenveel documenten te hebben geprint, gecouverteerd en te hebben aangeboden aan PostNL acht het Hof voorts aannemelijk dat de naheffingsaanslag op 11 augustus 2023 door Addcom via PostNL aan belanghebbende is verzonden. Dit houdt in dat de invorderingsambtenaar in de op hem rustende bewijslast is geslaagd de rechtsgeldige verzending – en daarmee de bekendmaking in de zin van artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht – van de naheffingsaanslag aannemelijk te maken. Nu belanghebbende deze naheffingsaanslag niet binnen de betalingstermijn heeft voldaan, was zij ten tijde van het verzenden van de aanmaning op 25 september 2023 in gebreke. Dat betekent dat de aanmaningskosten terecht aan belanghebbende in rekening zijn gebracht.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(G.J. van de Lagemaat) (R. den Ouden)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.