Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5727
2026-09-01
Civiel recht
200.364.737/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Leasemaatschappij vordert na opzegging van de leaseovereenkomst wegens het niet door de lessee verzekeren van de auto, om teruggave van haar auto op straffe van verbeurte van een dwangsom alsook een voorschot op de contractuele beëindigingsvergoeding. Verweer dat auto niet kan worden teruggegeven omdat die gestolen zou zijn, wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2000:AA5519 Parket bij de Hoge Raad 14-04-2000
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.915 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.737/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11916499
arrest in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
1 [appellant1] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [appellant1]
en
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant2]
samen te noemen: [appellanten]
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen
en
LPFS B.V.
die is gevestigd in Stadskanaal
hierna: LPFS
advocaat: mr. A.L.S. Verhoog
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, als voorzieningenrechter (hierna: de kantonrechter) op 18 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven van [appellanten]
• de memorie van antwoord van LPFS met drie producties.
1.3
De zaak is vervolgens op de rol van 9 juni 2026 voor ‘beraad partijen’ gesteld als bedoeld in artikel 2.25 van het procesreglement, onder bepaling dat [appellanten] op die rol mogen reageren op de door LPFS bij memorie van antwoord gevoegde producties. [appellanten] hebben zich op die rol niet uitgelaten. LPFS heeft daarop arrest gevraagd. Daarna heeft LPFS haar stukken aan het hof gegeven voor het doen van een uitspraak.
2De kern van de zaak
LPFS heeft een auto in lease gegeven. Omdat de auto niet verzekerd bleek, heeft LPFS het leasecontract beëindigd. LPFS wil nu dat de auto aan haar wordt teruggegeven en dat haar de contractuele beëindigingsvergoeding wordt betaald. De kantonrechter heeft in kort geding die vorderingen toegewezen. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de kantonrechter in stand kan blijven en licht dat hierna toe.
3De vaststaande feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
Op 5 december 2024 is tussen LPFS en [appellant1] een ‘Mantelovereenkomst Operationele Lease’ overeengekomen. In die overeenkomst is bepaald dat het van toepassing is als tussen partijen een individueel leasecontract tot stand komt. Verder is bepaald dat op de overeenkomst de ‘Algemene Bepalingen voor Operationele Lease met kenmerk [nummer1] ’ (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing zijn. Deze overeenkomst is namens [appellant1] ondertekend door [appellant2] .
3.2
Op 5 december 2024 heeft LPFS aan [appellant1] bevestigd, onder vermelding van ‘Opdracht/contractbevestiging 6504’, dat zij op basis van de mantelovereenkomst een individueel leasecontract (hierna: het leasecontract) aangaan voor het voertuig van het merk en type BWM 3-serie met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) voor een leasebedrag van € 618,51 per maand. Tevens is vermeld dat de algemene voorwaarden op de onderling gesloten mantelovereenkomst van toepassing zijn. [appellant2] heeft deze bevestiging op 5 december 2024 voor akkoord ondertekend.
3.3
In het leasecontract van 5 december 2024 is onder het opschrift ‘Inbegrepen kosten en diensten’ achter ‘Verzekering WA/Casco’, ‘Inzittendenverzekering’ en ‘Schadeverzekering inzittenden’ steeds ‘Nee’ vermeld.
3.4
In een ‘Addendum op individueel leasecontract met contractnummer 6504’ is in randnummer 2 vermeld dat [appellant2] in privé naast [appellant1] partij is bij de overeenkomst met dezelfde rechten en verplichtingen en in randnummer 4 dat [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. [appellant2] heeft dit addendum namens [appellant1] en voor zichzelf ondertekend.
3.5
In de algemene bepalingen staat in artikel 17, lid 1 aanhef en onder f. dat LPFS het recht heeft het leasecontract op te zeggen en de auto terug te nemen als voor de auto geen deugdelijke verzekering is afgesloten. In artikel 18 van de algemene bepalingen is vermeld dat de lessee ( [appellanten] ) na beëindiging van het leasecontract de auto terstond aan de lessor (LPFS) moet afleveren. In artikel 17 lid 4 van de algemene bepalingen is onder meer vermeld dat LPFS bij tussentijdse beëindiging aanspraak heeft op een bedrag gelijk aan de resterende maandelijkse leasetermijnen maar dat zij ervoor kan kiezen in plaats daarvan slechts 25% van alle nog niet verschenen leasetermijnen te vorderen.
3.6
In een brief van 31 januari 2025 heeft de RDW aan LPFS bericht dat de auto niet verzekerd was. In een brief van 25 april 2025 aan LPFS heeft RDW die mededeling herhaald.
3.7
Met een emailbericht van 7 februari 2025 aan [appellanten] heeft LPFS de ontbinding van het leasecontract ingeroepen.
3.8
De auto is niet door [appellanten] ingeleverd. Op 21 mei 2025 heeft LPFS daarom aangifte gedaan van verduistering van de auto.
4Het geschil, de beslissing van de kantonrechter en de vordering in hoger beroep
4.1
De oorspronkelijke vordering van LPFS strekt ertoe dat:
[appellanten] wordt geboden de auto met alle papieren en toebehoren aan LPFS af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag, met een maximum van € 30.000;
[appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 13.456,80 aan contractuele beëindigingsvergoeding, vermeerderd met een contractuele rente van 1,5% per maand;
met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure.
4.2
In een verstekvonnis in kort geding van 2 september 2025 heeft de kantonrechter de vorderingen van LPFS toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom is bepaald op € 500 per dag met een maximum van € 30.000.
4.3
[appellanten] zijn op 20 oktober 2025 in verzet gekomen en hebben de afwijzing van de vordering van LPFS bepleit. LPFS heeft in dat verband haar vordering gewijzigd in die zin dat zij voorwaardelijk (in het geval de kantonrechte aanneemt dat de auto is gestolen) vordert dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding van € 18.549,59 wegens verlies van de auto.
4.4
In een verzetvonnis in kort geding van 18 november 2025 heeft de kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigd, met dien verstande dat de dwangsom nader is bepaald op € 500 per dag met een maximum van € 20.000 en dat [appellanten] zijn veroordeeld in de kosten van de verstekprocedure en de procedure in verzet.
4.5
Het hoger beroep van [appellanten] strekt ertoe dat het hof de vorderingen van LPFS alsnog afwijst, met veroordeling van LPFS in de kosten van alle instanties.
5De toelichting op de beslissing van het hof
Omvang van het hoger beroep
5.1
[appellanten] hebben elf bezwaren (grieven) tegen het vonnis van 18 november 2025 opgeworpen. Deze lenen zich voor de volgende thematische bespreking.
Geen nietige dagvaarding
5.2
[appellanten] stellen allereerst dat de kantonrechter ten onrechte hun beroep op nietigheid van de exploten van dagvaarding van 7 ( [appellant2] ) respectievelijk 12 ( [appellant1] ) augustus 2025 heeft verworpen. Het hof stelt vast dat de exploten zijn geadresseerd aan de door hen aan LPFS opgegeven adressen en dat de deurwaarder verklaart op die adressen de respectieve exploten te hebben achtergelaten. Welk gebrek die exploten zouden hebben, is niet door [appellanten] concreet toegelicht. Zij hebben het bij de kantonrechter gelaten bij de enkele stelling dat zij nooit een dagvaarding hebben ontvangen. In hoger beroep hebben zij evenmin duidelijk gemaakt wat aan hun respectieve oproeping zou mankeren. [appellanten] zijn bovendien niet in hun belangen geschaad omdat zij in de verzetprocedure alsnog verweer hebben kunnen voeren tegen de vordering van LPFS.
Wel voldoende spoedeisend belang
5.3
Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening nog steeds een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter heeft het spoedeisend karakter van de vordering aangenomen. [appellanten] bestrijden dat LPFS een spoedeisend belang bij de vordering tot afgifte heeft, maar dat is vergeefs. Uit de aard van de vordering, die ziet op teruggave van een eigendom, vloeit het spoedeisend karakter daarvan voort. Of dat belang ook kan worden aangenomen voor zover de vordering ziet op de geldvordering van LPFS zal bij de bespreking daarvan worden besproken.
[appellant2] is wel partij bij de overeenkomst van LPFS en [appellant1]
5.4
[appellanten] bestrijden dat [appellant2] kan worden aangesproken op het eventueel tegenover LPFS niet nakomen van enige verplichting door [appellant1] . Het feit dat [appellant2] als vertegenwoordiger van [appellant1] stukken van LPFS heeft ondertekend, maakt hem geen contractspartij, aldus [appellanten] Dat betoog miskent dat [appellant2] in het in rov. 3.4 bedoelde Addendum als partij is toegetreden tot de leaseovereenkomst en zich daarbij hoofdelijk heeft verbonden alle verplichtingen van [appellant1] tegenover LPFS na te komen.
Auto was niet verzekerd
5.5
LPFS heeft met een beroep op de berichtgeving van het RDW aangevoerd dat de auto onverzekerd is gebleven, terwijl de verplichting daartoe in de mantelovereenkomst, het leasecontract en de algemene bepalingen op [appellanten] is gelegd. [appellanten] hebben niet uitgelegd dat en per wanneer die verplichting is nagekomen en daar ook geen stukken van overgelegd, wat wel voor de hand had gelegen als de auto wel in de betrokken periode verzekerd was. Zij hebben het in de toelichting op grief 3 gelaten bij een stelling dat er vragen bestaan over ‘de precieze verdeling van verantwoordelijkheden, over de wijze waarop partijen aan de verzekeringsverplichting uitvoering hadden gegeven’ en ‘of en op welk moment daadwerkelijk sprake was van een contractueel relevante onverzekerde situatie’. Dat is onvoldoende gemotiveerde betwisting van wat LPFS onderbouwd heeft aangevoerd. Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat de berichtgeving van het RDW juist is en dat de auto door [appellanten] onverzekerd is gelaten.
Verplichting tot teruggave
5.6
[appellanten] hebben onvoldoende gemotiveerd betwist dat LPFS via een aan [appellant2] gezonden en mede aan [appellant1] gerichte e-mail van 7 februari 2025 het leasecontract heeft beëindigd. Zij hebben ook niet gemotiveerd betwist dat artikel 17 onder f. van de algemene bepalingen LPFS dat recht geeft als de auto onverzekerd is. Gelet daarop en gezien het bepaalde in artikel 18 van de algemene bepalingen kan LPFS dan ook in beginsel aanspraak maken op teruggave van de auto.
5.7
[appellanten] voeren aan dat de auto niet meer in hun bezit is en dat zij de auto niet meer kunnen teruggeven en daarom niet hoeven terug te geven. Van die stelling rust – conform de in artikel 150 Rv gegeven hoofdregel van bewijslastverdeling – op [appellanten] , anders dan zij menen, de stelplicht en bewijslast. Die stelling is immers een bevrijdend verweer en de basis voor hun beroep op het rechtsgevolg ervan, namelijk dat zij niet kunnen worden verplicht om de auto terug te geven. [appellanten] moeten daarom in dit kort geding aannemelijk maken dat sprake is zodanige overmacht dat daarmee de rechtsgrond ontvalt aan een toewijzing van de vordering van LPFS.
5.8
Dat [appellanten] de auto niet meer kunnen teruggeven, is door hen echter onvoldoende onderbouwd. Over de door hen gestelde diefstal van de auto hebben zij geen enkele concrete feitelijkheid of omstandigheid aangevoerd anders dan ‘dat [appellant2] tijdens de diefstal op vakantie was’. Zo is duister gebleven wanneer die diefstal (om en nabij) zou hebben plaatsgevonden, op welke locatie die auto voor het laatst door [appellanten] was geparkeerd, wanneer die diefstal is ontdekt en wanneer wat is gedaan om daarvan aangifte bij de politie te doen. Ook is niet toegelicht waarom van die diefstal dan niet (vrijwel) onmiddellijk na ontdekking daarvan bij LPFS is gemeld of waarom dan de sleutels van de auto niet bij LPFS kunnen worden ingeleverd. Aan de gestelde onmacht en daarmee aan de gestelde overmacht gaat het hof dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij.
5.9
Het hof volgt [appellanten] dan ook niet in hun stelling dat er geen afdwingbare verplichting tot teruggave van de auto bestond. Verder geldt dat de auto onbetwist in eigendom aan LPFS toebehoort en dat vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat vanwege de beëindiging van het leasecontract [appellanten] gehouden zijn die auto terug te geven. Het hof ziet tegen die achtergrond zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in dat de rechter dan nog ‘zelfstandig en kenbaar’ zou moeten onderzoeken of de door LPFS verlangde maatregel (d.i. afgifte op straffe van verbeurte van een dwangsom) ‘in de concrete omstandigheden van het geval een proportionele, zinvolle en feitelijk uitvoerbare voorlopige voorziening vormde’. Dat is naar het oordeel van het hof het geval.
5.10
Hiervoor is al vastgesteld dat [appellant2] als partij is toegetreden tot de overeenkomst van LPFS met [appellant1] zodat ook [appellant2] – naast [appellant1] – kan worden aangesproken op het niet nakomen van de verplichting tot teruggave van de auto. Voor zover [appellanten] van iets anders uitgaan, worden zij daarin niet gevolgd.
Wel een dwangsom
5.11
[appellanten] hebben aan hun bezwaar tegen het opleggen van een dwangsom in de kern ten grondslag gelegd dat zij de auto feitelijk niet kunnen teruggeven. Zoals hiervoor al is besproken, kunnen zij daarin bij gebrek aan onderbouwing niet worden gevolgd. Verder zijn zowel [appellant1] als [appellant2] zelfstandig gehouden de verplichting tot teruggave na te komen. Het verbinden van een dwangsom aan het door hen moeten teruggeven van een roerende zaak als een auto acht het hof in de gegeven omstandigheden passend en geboden. De omstandigheid dat LPFS voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat haar vordering tot teruggave niet zou worden toegewezen, een voorschot op een schadevergoeding had gevorderd, doet daaraan niet af. Het hof ziet geen reden om over de dwangsom anders te beslissen.
Beoordeling voorwaardelijke vordering LPFS niet nodig
5.12
[appellanten] beklagen zich erover dat de kantonrechter de voorwaardelijke vordering van LPFS onbesproken heeft gelaten. Geconstateerd moet worden dat de voorwaarde waaronder de vordering tot toewijzing van een voorschot op een schadevergoeding was ingesteld, niet is vervuld zodat de kantonrechter niet aan de bespreking van die voorwaardelijke vordering kon toekomen. Ook deze grief faalt.
Ook de gevorderde geldsom is toewijsbaar
5.13
Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een voorlopige voorziening die strekt tot betaling van een geldsom, zoals door LPFS in deze procedure gevorderd, terughoudendheid op zijn plaats is. Niet alleen is voor toewijzing van de gevorderde voorziening vereist dat het bestaan van de vordering van LPFS op [appellanten] tot betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding voldoende aannemelijk is, maar ook dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening geboden is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.14
Wat betreft het spoedeisend belang bij geldvorderingen geldt verder dat dit zich ook verhoudt tot de andere wegingsfactoren in kort geding – aannemelijkheid van de vordering en de belangafweging – in die zin dat wel aangenomen wordt dat sprake is van communicerende vaten. Dat wil zeggen: als in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, bijvoorbeeld omdat deze erkend is of qua bestaan en omvang niet betwist wordt, dan is er geen goede grond om enkel op grond van het niet blijken van een spoedeisend belang van de eiser te vergen om een tweede procedure – ditmaal voor de bodemrechter – te voeren om voldoening te krijgen van die vordering, waarvan zeker is dat hem die in de verhouding tot zijn wederpartij toekomt.
5.15
[appellanten] hebben niet bestreden dat LPFS vanwege de tussentijdse beëindiging van de leaseovereenkomst op basis van artikel 17 lid 4 van de algemene bepalingen een beëindigingsvergoeding kan vorderen. LPFS heeft in het kader van de tussentijdse beëindiging de haar toekomende vergoeding berekend op € 13.456,80. [appellanten] hebben dit bedrag niet inhoudelijk betwist. Daarmee is sprake van een geldvordering die zeer aannemelijk is. De kantonrechter heeft – kennelijk als voorschot op een daarvoor in een bodemprocedure toe te wijzen bedrag – dit bedrag ook toegewezen.
5.16
Omdat zeer aannemelijk is dat dit bedrag in een bodemprocedure zal worden toegewezen is, anders dan [appellanten] aanvoeren, een voorschot als gevorderd in dit kort geding toewijsbaar. Een eventueel – maar niet goed denkbaar – restitutierisico maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor wat [appellanten] in dit verband hebben aangevoerd over het al dan niet bestaan van een verzekeringsovereenkomst en dekking daaruit.
De conclusie
5.17
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
6De beslissing in kort geding
Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 18 november 2025;
6.2
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van LPFS:
€ 2.321 aan griffierecht
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van LPFS (1 procespunt × het toepasselijke tarief II)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, M.M.A. Wind en C.P. Lunter en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
Zie Conclusie A-G Bakels voor HR 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519, nr. 2.6; Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/227.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.737/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11916499
arrest in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
1 [appellant1] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [appellant1]
en
2. [appellant2]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant2]
samen te noemen: [appellanten]
advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen
en
LPFS B.V.
die is gevestigd in Stadskanaal
hierna: LPFS
advocaat: mr. A.L.S. Verhoog
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis in kort geding dat kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, als voorzieningenrechter (hierna: de kantonrechter) op 18 november 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven van [appellanten]
• de memorie van antwoord van LPFS met drie producties.
1.3
De zaak is vervolgens op de rol van 9 juni 2026 voor ‘beraad partijen’ gesteld als bedoeld in artikel 2.25 van het procesreglement, onder bepaling dat [appellanten] op die rol mogen reageren op de door LPFS bij memorie van antwoord gevoegde producties. [appellanten] hebben zich op die rol niet uitgelaten. LPFS heeft daarop arrest gevraagd. Daarna heeft LPFS haar stukken aan het hof gegeven voor het doen van een uitspraak.
2De kern van de zaak
LPFS heeft een auto in lease gegeven. Omdat de auto niet verzekerd bleek, heeft LPFS het leasecontract beëindigd. LPFS wil nu dat de auto aan haar wordt teruggegeven en dat haar de contractuele beëindigingsvergoeding wordt betaald. De kantonrechter heeft in kort geding die vorderingen toegewezen. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de kantonrechter in stand kan blijven en licht dat hierna toe.
3De vaststaande feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1
Op 5 december 2024 is tussen LPFS en [appellant1] een ‘Mantelovereenkomst Operationele Lease’ overeengekomen. In die overeenkomst is bepaald dat het van toepassing is als tussen partijen een individueel leasecontract tot stand komt. Verder is bepaald dat op de overeenkomst de ‘Algemene Bepalingen voor Operationele Lease met kenmerk [nummer1] ’ (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing zijn. Deze overeenkomst is namens [appellant1] ondertekend door [appellant2] .
3.2
Op 5 december 2024 heeft LPFS aan [appellant1] bevestigd, onder vermelding van ‘Opdracht/contractbevestiging 6504’, dat zij op basis van de mantelovereenkomst een individueel leasecontract (hierna: het leasecontract) aangaan voor het voertuig van het merk en type BWM 3-serie met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) voor een leasebedrag van € 618,51 per maand. Tevens is vermeld dat de algemene voorwaarden op de onderling gesloten mantelovereenkomst van toepassing zijn. [appellant2] heeft deze bevestiging op 5 december 2024 voor akkoord ondertekend.
3.3
In het leasecontract van 5 december 2024 is onder het opschrift ‘Inbegrepen kosten en diensten’ achter ‘Verzekering WA/Casco’, ‘Inzittendenverzekering’ en ‘Schadeverzekering inzittenden’ steeds ‘Nee’ vermeld.
3.4
In een ‘Addendum op individueel leasecontract met contractnummer 6504’ is in randnummer 2 vermeld dat [appellant2] in privé naast [appellant1] partij is bij de overeenkomst met dezelfde rechten en verplichtingen en in randnummer 4 dat [appellanten] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. [appellant2] heeft dit addendum namens [appellant1] en voor zichzelf ondertekend.
3.5
In de algemene bepalingen staat in artikel 17, lid 1 aanhef en onder f. dat LPFS het recht heeft het leasecontract op te zeggen en de auto terug te nemen als voor de auto geen deugdelijke verzekering is afgesloten. In artikel 18 van de algemene bepalingen is vermeld dat de lessee ( [appellanten] ) na beëindiging van het leasecontract de auto terstond aan de lessor (LPFS) moet afleveren. In artikel 17 lid 4 van de algemene bepalingen is onder meer vermeld dat LPFS bij tussentijdse beëindiging aanspraak heeft op een bedrag gelijk aan de resterende maandelijkse leasetermijnen maar dat zij ervoor kan kiezen in plaats daarvan slechts 25% van alle nog niet verschenen leasetermijnen te vorderen.
3.6
In een brief van 31 januari 2025 heeft de RDW aan LPFS bericht dat de auto niet verzekerd was. In een brief van 25 april 2025 aan LPFS heeft RDW die mededeling herhaald.
3.7
Met een emailbericht van 7 februari 2025 aan [appellanten] heeft LPFS de ontbinding van het leasecontract ingeroepen.
3.8
De auto is niet door [appellanten] ingeleverd. Op 21 mei 2025 heeft LPFS daarom aangifte gedaan van verduistering van de auto.
4Het geschil, de beslissing van de kantonrechter en de vordering in hoger beroep
4.1
De oorspronkelijke vordering van LPFS strekt ertoe dat:
[appellanten] wordt geboden de auto met alle papieren en toebehoren aan LPFS af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag, met een maximum van € 30.000;
[appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 13.456,80 aan contractuele beëindigingsvergoeding, vermeerderd met een contractuele rente van 1,5% per maand;
met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure.
4.2
In een verstekvonnis in kort geding van 2 september 2025 heeft de kantonrechter de vorderingen van LPFS toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom is bepaald op € 500 per dag met een maximum van € 30.000.
4.3
[appellanten] zijn op 20 oktober 2025 in verzet gekomen en hebben de afwijzing van de vordering van LPFS bepleit. LPFS heeft in dat verband haar vordering gewijzigd in die zin dat zij voorwaardelijk (in het geval de kantonrechte aanneemt dat de auto is gestolen) vordert dat [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding van € 18.549,59 wegens verlies van de auto.
4.4
In een verzetvonnis in kort geding van 18 november 2025 heeft de kantonrechter het verstekvonnis bekrachtigd, met dien verstande dat de dwangsom nader is bepaald op € 500 per dag met een maximum van € 20.000 en dat [appellanten] zijn veroordeeld in de kosten van de verstekprocedure en de procedure in verzet.
4.5
Het hoger beroep van [appellanten] strekt ertoe dat het hof de vorderingen van LPFS alsnog afwijst, met veroordeling van LPFS in de kosten van alle instanties.
5De toelichting op de beslissing van het hof
Omvang van het hoger beroep
5.1
[appellanten] hebben elf bezwaren (grieven) tegen het vonnis van 18 november 2025 opgeworpen. Deze lenen zich voor de volgende thematische bespreking.
Geen nietige dagvaarding
5.2
[appellanten] stellen allereerst dat de kantonrechter ten onrechte hun beroep op nietigheid van de exploten van dagvaarding van 7 ( [appellant2] ) respectievelijk 12 ( [appellant1] ) augustus 2025 heeft verworpen. Het hof stelt vast dat de exploten zijn geadresseerd aan de door hen aan LPFS opgegeven adressen en dat de deurwaarder verklaart op die adressen de respectieve exploten te hebben achtergelaten. Welk gebrek die exploten zouden hebben, is niet door [appellanten] concreet toegelicht. Zij hebben het bij de kantonrechter gelaten bij de enkele stelling dat zij nooit een dagvaarding hebben ontvangen. In hoger beroep hebben zij evenmin duidelijk gemaakt wat aan hun respectieve oproeping zou mankeren. [appellanten] zijn bovendien niet in hun belangen geschaad omdat zij in de verzetprocedure alsnog verweer hebben kunnen voeren tegen de vordering van LPFS.
Wel voldoende spoedeisend belang
5.3
Bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening nog steeds een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter heeft het spoedeisend karakter van de vordering aangenomen. [appellanten] bestrijden dat LPFS een spoedeisend belang bij de vordering tot afgifte heeft, maar dat is vergeefs. Uit de aard van de vordering, die ziet op teruggave van een eigendom, vloeit het spoedeisend karakter daarvan voort. Of dat belang ook kan worden aangenomen voor zover de vordering ziet op de geldvordering van LPFS zal bij de bespreking daarvan worden besproken.
[appellant2] is wel partij bij de overeenkomst van LPFS en [appellant1]
5.4
[appellanten] bestrijden dat [appellant2] kan worden aangesproken op het eventueel tegenover LPFS niet nakomen van enige verplichting door [appellant1] . Het feit dat [appellant2] als vertegenwoordiger van [appellant1] stukken van LPFS heeft ondertekend, maakt hem geen contractspartij, aldus [appellanten] Dat betoog miskent dat [appellant2] in het in rov. 3.4 bedoelde Addendum als partij is toegetreden tot de leaseovereenkomst en zich daarbij hoofdelijk heeft verbonden alle verplichtingen van [appellant1] tegenover LPFS na te komen.
Auto was niet verzekerd
5.5
LPFS heeft met een beroep op de berichtgeving van het RDW aangevoerd dat de auto onverzekerd is gebleven, terwijl de verplichting daartoe in de mantelovereenkomst, het leasecontract en de algemene bepalingen op [appellanten] is gelegd. [appellanten] hebben niet uitgelegd dat en per wanneer die verplichting is nagekomen en daar ook geen stukken van overgelegd, wat wel voor de hand had gelegen als de auto wel in de betrokken periode verzekerd was. Zij hebben het in de toelichting op grief 3 gelaten bij een stelling dat er vragen bestaan over ‘de precieze verdeling van verantwoordelijkheden, over de wijze waarop partijen aan de verzekeringsverplichting uitvoering hadden gegeven’ en ‘of en op welk moment daadwerkelijk sprake was van een contractueel relevante onverzekerde situatie’. Dat is onvoldoende gemotiveerde betwisting van wat LPFS onderbouwd heeft aangevoerd. Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat de berichtgeving van het RDW juist is en dat de auto door [appellanten] onverzekerd is gelaten.
Verplichting tot teruggave
5.6
[appellanten] hebben onvoldoende gemotiveerd betwist dat LPFS via een aan [appellant2] gezonden en mede aan [appellant1] gerichte e-mail van 7 februari 2025 het leasecontract heeft beëindigd. Zij hebben ook niet gemotiveerd betwist dat artikel 17 onder f. van de algemene bepalingen LPFS dat recht geeft als de auto onverzekerd is. Gelet daarop en gezien het bepaalde in artikel 18 van de algemene bepalingen kan LPFS dan ook in beginsel aanspraak maken op teruggave van de auto.
5.7
[appellanten] voeren aan dat de auto niet meer in hun bezit is en dat zij de auto niet meer kunnen teruggeven en daarom niet hoeven terug te geven. Van die stelling rust – conform de in artikel 150 Rv gegeven hoofdregel van bewijslastverdeling – op [appellanten] , anders dan zij menen, de stelplicht en bewijslast. Die stelling is immers een bevrijdend verweer en de basis voor hun beroep op het rechtsgevolg ervan, namelijk dat zij niet kunnen worden verplicht om de auto terug te geven. [appellanten] moeten daarom in dit kort geding aannemelijk maken dat sprake is zodanige overmacht dat daarmee de rechtsgrond ontvalt aan een toewijzing van de vordering van LPFS.
5.8
Dat [appellanten] de auto niet meer kunnen teruggeven, is door hen echter onvoldoende onderbouwd. Over de door hen gestelde diefstal van de auto hebben zij geen enkele concrete feitelijkheid of omstandigheid aangevoerd anders dan ‘dat [appellant2] tijdens de diefstal op vakantie was’. Zo is duister gebleven wanneer die diefstal (om en nabij) zou hebben plaatsgevonden, op welke locatie die auto voor het laatst door [appellanten] was geparkeerd, wanneer die diefstal is ontdekt en wanneer wat is gedaan om daarvan aangifte bij de politie te doen. Ook is niet toegelicht waarom van die diefstal dan niet (vrijwel) onmiddellijk na ontdekking daarvan bij LPFS is gemeld of waarom dan de sleutels van de auto niet bij LPFS kunnen worden ingeleverd. Aan de gestelde onmacht en daarmee aan de gestelde overmacht gaat het hof dan ook als onvoldoende onderbouwd voorbij.
5.9
Het hof volgt [appellanten] dan ook niet in hun stelling dat er geen afdwingbare verplichting tot teruggave van de auto bestond. Verder geldt dat de auto onbetwist in eigendom aan LPFS toebehoort en dat vooralsnog voldoende aannemelijk is geworden dat vanwege de beëindiging van het leasecontract [appellanten] gehouden zijn die auto terug te geven. Het hof ziet tegen die achtergrond zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in dat de rechter dan nog ‘zelfstandig en kenbaar’ zou moeten onderzoeken of de door LPFS verlangde maatregel (d.i. afgifte op straffe van verbeurte van een dwangsom) ‘in de concrete omstandigheden van het geval een proportionele, zinvolle en feitelijk uitvoerbare voorlopige voorziening vormde’. Dat is naar het oordeel van het hof het geval.
5.10
Hiervoor is al vastgesteld dat [appellant2] als partij is toegetreden tot de overeenkomst van LPFS met [appellant1] zodat ook [appellant2] – naast [appellant1] – kan worden aangesproken op het niet nakomen van de verplichting tot teruggave van de auto. Voor zover [appellanten] van iets anders uitgaan, worden zij daarin niet gevolgd.
Wel een dwangsom
5.11
[appellanten] hebben aan hun bezwaar tegen het opleggen van een dwangsom in de kern ten grondslag gelegd dat zij de auto feitelijk niet kunnen teruggeven. Zoals hiervoor al is besproken, kunnen zij daarin bij gebrek aan onderbouwing niet worden gevolgd. Verder zijn zowel [appellant1] als [appellant2] zelfstandig gehouden de verplichting tot teruggave na te komen. Het verbinden van een dwangsom aan het door hen moeten teruggeven van een roerende zaak als een auto acht het hof in de gegeven omstandigheden passend en geboden. De omstandigheid dat LPFS voorwaardelijk, namelijk onder de voorwaarde dat haar vordering tot teruggave niet zou worden toegewezen, een voorschot op een schadevergoeding had gevorderd, doet daaraan niet af. Het hof ziet geen reden om over de dwangsom anders te beslissen.
Beoordeling voorwaardelijke vordering LPFS niet nodig
5.12
[appellanten] beklagen zich erover dat de kantonrechter de voorwaardelijke vordering van LPFS onbesproken heeft gelaten. Geconstateerd moet worden dat de voorwaarde waaronder de vordering tot toewijzing van een voorschot op een schadevergoeding was ingesteld, niet is vervuld zodat de kantonrechter niet aan de bespreking van die voorwaardelijke vordering kon toekomen. Ook deze grief faalt.
Ook de gevorderde geldsom is toewijsbaar
5.13
Het hof stelt voorop dat voor toewijzing van een voorlopige voorziening die strekt tot betaling van een geldsom, zoals door LPFS in deze procedure gevorderd, terughoudendheid op zijn plaats is. Niet alleen is voor toewijzing van de gevorderde voorziening vereist dat het bestaan van de vordering van LPFS op [appellanten] tot betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding voldoende aannemelijk is, maar ook dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening geboden is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.14
Wat betreft het spoedeisend belang bij geldvorderingen geldt verder dat dit zich ook verhoudt tot de andere wegingsfactoren in kort geding – aannemelijkheid van de vordering en de belangafweging – in die zin dat wel aangenomen wordt dat sprake is van communicerende vaten. Dat wil zeggen: als in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen, bijvoorbeeld omdat deze erkend is of qua bestaan en omvang niet betwist wordt, dan is er geen goede grond om enkel op grond van het niet blijken van een spoedeisend belang van de eiser te vergen om een tweede procedure – ditmaal voor de bodemrechter – te voeren om voldoening te krijgen van die vordering, waarvan zeker is dat hem die in de verhouding tot zijn wederpartij toekomt.
5.15
[appellanten] hebben niet bestreden dat LPFS vanwege de tussentijdse beëindiging van de leaseovereenkomst op basis van artikel 17 lid 4 van de algemene bepalingen een beëindigingsvergoeding kan vorderen. LPFS heeft in het kader van de tussentijdse beëindiging de haar toekomende vergoeding berekend op € 13.456,80. [appellanten] hebben dit bedrag niet inhoudelijk betwist. Daarmee is sprake van een geldvordering die zeer aannemelijk is. De kantonrechter heeft – kennelijk als voorschot op een daarvoor in een bodemprocedure toe te wijzen bedrag – dit bedrag ook toegewezen.
5.16
Omdat zeer aannemelijk is dat dit bedrag in een bodemprocedure zal worden toegewezen is, anders dan [appellanten] aanvoeren, een voorschot als gevorderd in dit kort geding toewijsbaar. Een eventueel – maar niet goed denkbaar – restitutierisico maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor wat [appellanten] in dit verband hebben aangevoerd over het al dan niet bestaan van een verzekeringsovereenkomst en dekking daaruit.
De conclusie
5.17
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
6De beslissing in kort geding
Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 18 november 2025;
6.2
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van LPFS:
€ 2.321 aan griffierecht
€ 1.290 aan salaris van de advocaat van LPFS (1 procespunt × het toepasselijke tarief II)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, M.M.A. Wind en C.P. Lunter en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
Zie Conclusie A-G Bakels voor HR 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519, nr. 2.6; Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/227.
HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.