Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5549

2026-08-27 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.353.164/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.353.164/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Na tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld, anders dan de kantonrechter, dat de curator/bewindvoerder niet tekort is geschoten in de zorg als goed curator en bewindvoerder.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.175 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.353.164
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11289224 UT VERZ 24-9327)




beschikking van 27 augustus 2026




inzake





[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: tot 16 juni 2025 mr. J. de Jong de Lier,
nu zonder advocaat,



en





[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. A.J. Verweij.






1Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1
Voor het verloop van het geding tot 16 april 2026 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum. In de beschikking van 16 april 2026 heeft het hof, gezien de gang van zaken in eerste aanleg en omdat [verzoeker] in hoger beroep wederom niet was verschenen, [verzoeker] en [naam1] B.V. in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 1 mei 2026 hun verhinderdata aan het hof door te geven voor de maanden mei, juni en juli 2026, zodat een nieuwe zitting kon worden gepland en is iedere verdere beslissing aangehouden.



1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van [verzoeker] van 29 april 2026;
- een brief van [verzoeker] van 9 mei 2026;
- een brief van [verzoeker] van 13 mei 2026;
- een brief van [verzoeker] van 22 mei 2026.



1.3
Op 16 juni 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
- [verzoeker] en zijn persoonlijke assistente;
- [naam1] , namens de bewindvoerder, en mr. Verweij en haar kantoorgenoot, mr. J.B. Hoeve.





2De feiten


2.1
In de beschikking van 20 december 2006 heeft de rechtbank [verzoeker] tot opvolgend curator benoemd over de (toekomstige) goederen van [naam2] (hierna ook: [naam2] ) wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van [naam2] . [naam2] en [verzoeker] zijn broer en zus van elkaar. Eerder was de vader van [naam2] haar curator.



2.2
In de beschikking van 28 februari 2019 heeft de rechtbank ambtshalve de curatele opgeheven en is er bewind en mentorschap ingesteld over de (toekomstige) goederen van [naam2] , wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [verzoeker] tot bewindvoerder en mentor.



2.3
De rechtbank heeft op 12 mei 2021 [verzoeker] ontslagen als bewindvoerder per 1 juni 2021, onder gelijktijdige benoeming van [geïntimeerde] tot opvolgend bewindvoerder.






3De omvang van het geschil


3.1
De kantonrechter heeft – op verzoek van de bewindvoerder – voor recht verklaard dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de zorg van een goed curator en in de zorg van een goed bewindvoerder. De kantonrechter heeft [verzoeker] veroordeeld om een bedrag van € 159.455,24 aan [geïntimeerde] terug te betalen als de bewindvoerder van [naam2] .



3.2

[verzoeker] komt met vijf grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de bewindvoerder af te wijzen.



3.3
De bewindvoerder voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.






4De motivering van de beslissing



Ontvankelijkheid




4.1
De bewindvoerder stelt primair dat [verzoeker] in al zijn grieven niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [verzoeker] niet voldaan heeft aan de op hem rustende stelplicht en bewijslast in de zin van artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 150 Rv.



4.2
Om te kunnen beoordelen of [verzoeker] aan de stelplicht en - bij voldoende betwisting - de bewijslast heeft voldaan, zal het hof de zaak inhoudelijk moeten beoordelen. Indien [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht (en bewijslast), volgt een afwijzing van zijn verzoek in hoger beroep en geen niet-ontvankelijkheid. Het hof zal de zaak dus inhoudelijk beoordelen.




Inhoudelijke beoordeling





Wat staat in de wet?





Curatele




4.3
Op grond van de artikelen 1:386 en 1:337 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de curator het bewind over het vermogen van de rechthebbende als een goed curator voeren. Bij slecht bewind is de curator voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk. Op grond van de artikelen 1:386 en 1:362 BW kan de kantonrechter op verzoek van de andere curator of ambtshalve de schade vaststellen die de rechthebbende blijkens de rekening door slecht bewind van de curator geleden heeft en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen. Van slecht bewind is sprake als de curator tekortschiet in de zorg die van een goed curator ten aanzien van het bewind mag worden verwacht, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.



Bewind




4.4
Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (artikel 1:444 BW). De kantonrechter kan de schade vaststellen die de rechthebbende heeft geleden door het tekortschietende bewind van de bewindvoerder en de bewindvoerder veroordelen die schade aan de rechthebbende te vergoeden (artikel 1:445 lid 5 BW in combinatie met artikel 1:362 BW).



Wat vindt [verzoeker] ?





4.5

[verzoeker] stelt, samengevat, dat hij niet is tekortgeschoten in de zorg van een goed curator/bewindvoerder en dat hij ten onrechte is veroordeeld om een schadevergoeding te betalen aan [naam2] . Volgens [verzoeker] heeft hij een bedrag van € 72.285,49 van [naam2] geleend en dit bedrag moet hij aan haar terugbetalen. [verzoeker] erkent dit in zijn beroepschrift en heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. [verzoeker] is naar eigen zeggen in geldnood gekomen door verschillende juridische procedures over de vraag of hij wel of niet bevoegd was melk van een bepaalde categorie koeien te verhandelen voor humane consumptie. Dat recht heeft volgens [verzoeker] verder alleen één bepaalde multinational. Toezichthoudende organen betwisten dat hij dat recht heeft. Deze juridische strijd heeft weer allerlei andere geschillen veroorzaakt, die [verzoeker] ook veel geld hebben gekost. Volgens [verzoeker] komen hij en [naam2] uit een familietraditie waarin over wederzijdse hulp helemaal niet behoeft te worden nagedacht: het is een vanzelfsprekendheid. Als de één hulp nodig heeft die de ander kan leveren, dan levert die ander die hulp, ook op financieel gebied. [naam2] kon aan [verzoeker] deze hulp leveren: haar vermogen groeit van maand tot maand, omdat haar inkomsten hoger zijn dan haar lasten. Uit de bestreden beschikking kan makkelijk het beeld ontstaan dat [verzoeker] geld naar zichzelf schoof, zonder terugbetalingsbedoeling. Maar dat beeld is volgens [verzoeker] niet juist. Hij had en heeft niet alleen een terugbetalingsbedoeling, maar hij betaalt ook daadwerkelijk terug, op dit moment met € 50,- per maand. Het is niet fraai dat hij geld heeft geleend van [naam2] , die door hemzelf werd vertegenwoordigd, aldus [verzoeker] . Maar er is geen sprake van een toerekenbaar tekortschieten in de zorg die van een goed curator/bewindvoerder mag worden verwacht. [verzoeker] dacht dat wat hij deed na zijn uitleg in 2017 bij de kantonrechter door de kantonrechter door de vingers werd gezien.




Wat vindt de bewindvoerder?





4.6
De bewindvoerder voert, samengevat, aan dat de kantonrechter in de beschikking van 12 mei 2021 heeft overwogen dat [verzoeker] zonder toestemming van de kantonrechter in totaal € 125.107,- heeft onttrokken aan het vermogen van [naam2] . De beschikking en daarmee de vaststelling van de onrechtmatig onttrokken gelden door [verzoeker] van ten minste € 125.107,- is volgens de bewindvoerder onherroepelijk geworden. [verzoeker] kan de hoogte van de onttrokken gelden daarom niet meer betwisten. In opdracht van de kantonrechter heeft de bewindvoerder onderzocht welke bedragen [verzoeker] nog meer onrechtmatig heeft onttrokken en toen is gebleken dat nog € 25.855,92 en € 8.492,32 is onttrokken. Volgens de bewindvoerder is geen sprake van een geldleningsovereenkomst. [verzoeker] heeft geen geldleningsovereenkomst overgelegd, laat staan een geldleningsovereenkomst die door de toezichthoudende kantonrechter is geaccordeerd. [verzoeker] heeft een handgeschreven briefje overgelegd en dit document geeft geen aanleiding om als geldleningsovereenkomst te worden gekwalificeerd, en evenmin als een wederkerige overeenkomst. Omdat geen sprake is van een geldleningsovereenkomst, kan er enkel nog sprake zijn van een onrechtmatige daad. Daarom is de vordering niet gebaseerd op terugbetaling van een geldlening tussen [verzoeker] als geldnemer en Berdina als geldgever, maar op tekortschieten door [verzoeker] in zijn taken. Volgens de bewindvoerder onderbouwt [verzoeker] geen van zijn stellingen met verifieerbare bewijsstukken. Nergens valt uit op te maken dat er bij [verzoeker] verwarring is ontstaan en dat [verzoeker] er op mocht vertrouwen dat zijn handelswijze wel door de vingers zou worden gezien door de kantonrechter.



Hoe oordeelt het hof?





4.7
Aan het hof ligt de vraag voor of [verzoeker] in de zorg van een goed curator dan wel een goed bewindvoerder (toerekenbaar) is tekortgeschoten en, zo ja, of hij de als gevolg daarvan ontstane schade aan [naam2] dient te vergoeden.



4.8
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken op de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat [verzoeker] toerekenbaar in de zorg van een goed curator dan wel een goed bewindvoerder te kort is geschoten. Hieronder zal worden toegelicht hoe het hof tot dit oordeel is gekomen.



4.9

Niet ter discussie staat dat [verzoeker] geld van [naam2] heeft gebruikt ter voldoening van zijn eigen schulden van (tenminste) € 72.285,49. [verzoeker] erkent dit immers uitdrukkelijk. Hoewel, zoals [verzoeker] zelf stelt, het niet fraai is dat hij geld heeft geleend van [naam2] , die door hemzelf werd vertegenwoordigd, ziet het hof geen aanleiding te concluderen dat [verzoeker] alleen daarom toerekenbaar tekort is geschoten in zijn taken als curator en bewindvoerder. Het hof is van oordeel dat in dit geval bij [verzoeker] gezien de hele gang van zaken zoals deze uit het dossier blijkt het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de kantonrechter de door hem gebruikte bedragen van [naam2] kwalificeerde als een geldlening en dat dit werd geaccepteerd door de kantonrechter. In 2017 is er een gesprek geweest tussen [verzoeker] en de kantonrechter naar aanleiding van geld dat [verzoeker] in 2013 van de rekening van [naam2] had afgeboekt. Er is toen aan [verzoeker] gevraagd een leenovereenkomst, een voorstel voor een rentepercentage en een zekerheidstelling in te dienen. [verzoeker] heeft dat gedaan. Het eerste door [verzoeker] ingediende stuk is niet akkoord bevonden. Daarna is door [verzoeker] een gewijzigd stuk ingebracht, welk stuk ook in hoger beroep is overgelegd. Het hof is niet gebleken dat de kantonrechter met dit gewijzigde stuk niet akkoord is gegaan. Ook uit handelen van de kantonrechter nadien blijkt niet dat er geen vertrouwen was in [verzoeker] als wettelijke vertegenwoordiger van [naam2] . Bij beschikking van 28 februari 2019 heeft de kantonrechter destijds ambtshalve de ondercuratelestelling van [naam2] omgezet in een bewindvoering en mentorschap en is [verzoeker] , die curator was, als bewindvoerder en mentor benoemd. Toen was al geruime tijd sprake van dat [verzoeker] geld gebruikte van [naam2] ter voldoening van zijn eigen schulden - volgens [verzoeker] ten titel van geldlening - en ook dat hij geleende bedragen weer deels aan haar had terugbetaald. Pas in de beschikking van 21 mei 2021 oordeelde de kantonrechter dat [verzoeker] niet heeft gehandeld zoals van een goed bewindvoerder mag worden verwacht, omdat hij geld leende van [naam2] , zonder (voorafgaande) machtiging van de kantonrechter, en [verzoeker] de kantonrechter geen inzicht gaf over de geleende en afgeloste bedragen. Maar ook in deze beschikking kwalificeert de kantonrechter wel de bedragen die [verzoeker] van [naam2] heeft gebruikt als geldlening en is ook volgens de kantonrechter dus geen sprake (geweest) van het toe-eigenen van dat geld door [verzoeker] aan zichzelf zonder terugbetalingsverplichting aan [naam2] .
Bovendien is het hof van oordeel dat [naam2] door het handelen van [verzoeker] niet is geschaad in haar belangen en heeft zij geen schade geleden. [naam2] , die verblijft in een vierentwintig uurs zorginstelling, had zelf het geld dat [verzoeker] heeft geleend niet nodig en omdat sprake is van een geldlening zal [verzoeker] het restant van de geleende bedragen met rente aan haar moeten terugbetalen. [verzoeker] heeft dit ook erkend en lost maandelijks af.




4.10
Bij het hof ligt alleen de vraag voor of [verzoeker] in de zorg van een goed curator dan wel een goed bewindvoerder (toerekenbaar) is tekortgeschoten, maar gelet op de uitvoerige discussie tussen partijen over de hoogte van het bedrag dat [verzoeker] heeft opgenomen van de bankrekening(en) van [naam2] , overweegt het hof het volgende. De kantonrechter heeft het bedrag dat [verzoeker] heeft opgenomen van de bankrekening(en) van [naam2] vastgesteld op € 159.455,24, maar volgens [verzoeker] is dit bedrag onjuist. Het geleende bedrag is volgens hem aanzienlijk lager. Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] in hoger beroep voldoende onderbouwing gegeven van de door hem geleende en deels terugbetaalde bedragen. Op basis van de door [verzoeker] overgelegde stukken, die door de bewindvoerder niet dan wel onvoldoende zijn weerlegd, blijkt dat [verzoeker] nog een bedrag van € 72.285,49 is verschuldigd aan [naam2] , te vermeerderen met een daarover verschuldigde rente. Anders dan de bewindvoerder stelt, is het hof van oordeel dat het in de beschikking van de kantonrechter van 21 mei 2021 genoemde geleende bedrag van € 125.107,- niet een vaststaand bedrag is waarover partijen geen discussie meer kunnen voeren. Naast dat dit bedrag niet in het dictum is genoemd stond toen ook niet vast dat dit de hoogte was van het bedrag dat [verzoeker] moest terugbetalen. In de overwegingen van de kantonrechter in die beschikking is juist te lezen dat onbekend is hoeveel [verzoeker] van [naam2] in totaal heeft geleend en wat er al is terugbetaald. Bovendien blijkt uit de bankschriften die door [verzoeker] en door de bewindvoerder zijn overgelegd niet dat de in de beschikking van 21 mei 2021 genoemde bedragen van € 50.000,- in 2015 en € 37.500,- in 2017 door [verzoeker] zijn geleend van [naam2] . Verder is het in deze procedure niet van belang dat terugbetaalde bedragen deels zijn betaald vanaf een rekening op naam van de ouders van [verzoeker] en [naam2] . De afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van [verzoeker] en [naam2] ligt niet ter beoordeling aan het hof voor. Indien [verzoeker] onterecht gelden uit de nalatenschap van de ouders heeft gebruikt voor de terugbetaling aan [naam2] , zal dat in een andere procedure aan de orde moeten worden gesteld.



4.11
Gelet op het vorenstaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maken (vernietigen) en alsnog het verzoek van de bewindvoerder afwijzen. Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van [verzoeker] . Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.






5De beslissing


Het hof:



vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 januari 2025 en opnieuw beschikkende:



wijst het verzoek van de bewindvoerder alsnog af;



compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;



wijst het meer of anders verzochte af.



Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en L.R. Davila Talavera en is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.