Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5416
2026-08-21
Strafrecht; Strafprocesrecht
21-000580-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontnemingszaak. Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast en verlaagt de betalingsverplichting aan de staat vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:414 Hoge Raad 14-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.384 tekens)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000580-25
Uitspraakdatum: 21 augustus 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2025 met parketnummer 18-007674-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 7 augustus 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. P.P. van Rhijn, hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 28 januari 2025, waartegen het beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel dat betrokkene heeft genoten als gevolg van het plegen van gewoontewitwassen, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van € 199.844,58.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Oordeel van het hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel
Vordering van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 204.844,58. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 204.844,58 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 199.844,58.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair naar voren gebracht dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank ten onrechte geen enkele rekening is gehouden met (de verklaringen over) de bedragen waarbij betrokkene wel een legale herkomst heeft genoemd. De raadsman noemt in dat kader een schenking van de moeder van betrokkene ad € 20.000,-, het van AEGON verkregen bedrag ad € 17.962,-, een verklaarbaar contant bedrag ad € 12.980,-, een gestort bedrag ad € 20.000,-, inkomsten via [bedrijf] ad € 1.134,80 en een uitkering van € 12.500,- per jaar. Verder moet volgens de raadsman het bedrag worden geminderd vanwege de contante inkomsten die betrokkene uit onder meer de handel in auto’s en onderdelen heeft behaald.
Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat, als al moet worden uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde bedrag, dit evenredig moet worden verlaagd met het oog op een kortere pleegperiode.
Bewijsmiddelen
Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek d.d. 8 november 2022, opgenomen op pagina 376 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R021080 (onderzoek: POCAHONTAS) d.d. 15 november 2022.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van veroordeeld voor (kortgezegd) het gewoontewitwassen van een bedrag van € 204.844,58. Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dit feit financieel voordeel heeft behaald.
Het hof overweegt dat het enkele feit dat is bewezen dat betrokkene het bedrag van € 204.844,58 heeft witgewassen niet meebrengt dat dit bedrag kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. In zijn arrest van 10 december 2024 overweegt de Hoge Raad als volgt:
In de situatie dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de persoon die is veroordeeld voor witwassen, tevens degene is die het gronddelict heeft begaan, staat de mogelijkheid open dat bij deze persoon op grond van artikel 36e lid 2 Sr het wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen dat is verkregen uit dat gronddelict. Maar als onopgehelderd blijft, of onduidelijk is wie dat gronddelict heeft begaan, dan sluit dat niet uit dat ten aanzien van de persoon die is veroordeeld voor witwassen een ontnemingsvordering wordt ingesteld die is gebaseerd op artikel 36e lid 3 Sr. Op die grond kan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel plaatsvinden als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die 'andere strafbare feiten' door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Als ook aan de overige toepassingsvoorwaarden van het derde lid van artikel 36e Sr is voldaan, is het onder omstandigheden mogelijk om op grond van die bepaling wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld wegens witwassen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene de beschikking heeft gekregen over een vermogensbestanddeel terwijl niet blijkt dat dit vermogensbestanddeel een legale herkomst heeft en/of dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard, en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf ‘of andere strafbare feiten’ hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel voor de betrokkene. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke ‘andere strafbare feiten’ op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van zo’n kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414) Het is dus mogelijk dat een vermogensbestanddeel waarover de betrokkene de beschikking heeft en dat het voorwerp vormt ten aanzien waarvan het misdrijf witwassen is begaan – zoals in een geval als dit waarin aan een rechtspersoon kennelijk een startkapitaal dat afkomstig is uit enig misdrijf ter beschikking is gesteld zonder enige reële tegenprestatie – in een kasopstelling wordt betrokken en op die manier meetelt als vermogensbestanddeel van de betrokkene in de berekening van het op grond van het derde lid van artikel 36e Sr te ontnemen voordeel.
Het hof overweegt dat de rechtbank in haar vonnis en het hof bij zijn arrest in aanvulling daarop uitgebreid heeft gemotiveerd dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 24 september 2021 voor een totaalbedrag van € 204.844,58 aan contant en giraal geld bij betrokkene aanwezig is geweest.
Net als de rechtbank is ook het hof van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat dit geld uit andere strafbare feiten afkomstig is. Artikel 36e lid 3 Sr stelt bovendien niet de eis dat die andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof acht dit op grond van het dossier voldoende aannemelijk geworden.
Nu betrokkene hiervoor geen verklaring heeft gegeven, kan het hof niet anders dan vaststellen dat delen van dit bedrag in ieder geval op enig moment in het vermogen van betrokkene terecht zijn gekomen. Er is dus sprake (geweest) van vermogensvermeerdering ter hoogte van voornoemd bedrag.
Nu aan de overige vereisten van artikel 36e lid 3 Sr is voldaan, kan het bedrag van € 204.844,58 worden aangemerkt als te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt verder dat betrokkene niets voldoende concreets heeft aangedragen, ook niet ten aanzien van de door de raadsman genoemde bedragen, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij zich niet met voornoemd bedrag heeft verrijkt. Betrokkene heeft niet verklaard over eventuele kostenposten, zodat het hof geen enkel handvat heeft om voornoemd bedrag te verminderen.
Gelet op het voorgaande en op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 204.844,58.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn met iets meer dan 12 maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, de rechter naar bevind van zaken dient te handelen. Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag, maar dat bedrag verminderen met € 5.000,-.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 199.844,58.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het wijzen van deze beslissing.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 204.844,58 (tweehonderdvierduizend achthonderdvierenveertig euro en achtenvijftig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 199.844,58 (honderdnegenennegentigduizend achthonderdvierenveertig euro en achtenvijftig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 360 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 augustus 2026.
Parketnummer: 21-000580-25
Uitspraakdatum: 21 augustus 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2025 met parketnummer 18-007674-22 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 7 augustus 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. P.P. van Rhijn, hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft bij beslissing van 28 januari 2025, waartegen het beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel dat betrokkene heeft genoten als gevolg van het plegen van gewoontewitwassen, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van € 199.844,58.
Het hof verenigt zich niet met de beslissing. Daarom vernietigt het hof de beslissing. Het hof doet opnieuw recht.
Oordeel van het hof omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel
Vordering van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 204.844,58. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 204.844,58 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 199.844,58.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair naar voren gebracht dat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechtbank ten onrechte geen enkele rekening is gehouden met (de verklaringen over) de bedragen waarbij betrokkene wel een legale herkomst heeft genoemd. De raadsman noemt in dat kader een schenking van de moeder van betrokkene ad € 20.000,-, het van AEGON verkregen bedrag ad € 17.962,-, een verklaarbaar contant bedrag ad € 12.980,-, een gestort bedrag ad € 20.000,-, inkomsten via [bedrijf] ad € 1.134,80 en een uitkering van € 12.500,- per jaar. Verder moet volgens de raadsman het bedrag worden geminderd vanwege de contante inkomsten die betrokkene uit onder meer de handel in auto’s en onderdelen heeft behaald.
Subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat, als al moet worden uitgegaan van het door de rechtbank vastgestelde bedrag, dit evenredig moet worden verlaagd met het oog op een kortere pleegperiode.
Bewijsmiddelen
Het hof baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op het proces-verbaal van bevindingen financieel onderzoek d.d. 8 november 2022, opgenomen op pagina 376 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN3R021080 (onderzoek: POCAHONTAS) d.d. 15 november 2022.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is bij arrest van dit hof van veroordeeld voor (kortgezegd) het gewoontewitwassen van een bedrag van € 204.844,58. Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit dit feit financieel voordeel heeft behaald.
Het hof overweegt dat het enkele feit dat is bewezen dat betrokkene het bedrag van € 204.844,58 heeft witgewassen niet meebrengt dat dit bedrag kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. In zijn arrest van 10 december 2024 overweegt de Hoge Raad als volgt:
In de situatie dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de persoon die is veroordeeld voor witwassen, tevens degene is die het gronddelict heeft begaan, staat de mogelijkheid open dat bij deze persoon op grond van artikel 36e lid 2 Sr het wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen dat is verkregen uit dat gronddelict. Maar als onopgehelderd blijft, of onduidelijk is wie dat gronddelict heeft begaan, dan sluit dat niet uit dat ten aanzien van de persoon die is veroordeeld voor witwassen een ontnemingsvordering wordt ingesteld die is gebaseerd op artikel 36e lid 3 Sr. Op die grond kan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel plaatsvinden als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die 'andere strafbare feiten' door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Als ook aan de overige toepassingsvoorwaarden van het derde lid van artikel 36e Sr is voldaan, is het onder omstandigheden mogelijk om op grond van die bepaling wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen van een betrokkene die is veroordeeld wegens witwassen. Dat is bijvoorbeeld mogelijk wanneer uit een kasopstelling blijkt dat de betrokkene de beschikking heeft gekregen over een vermogensbestanddeel terwijl niet blijkt dat dit vermogensbestanddeel een legale herkomst heeft en/of dat de betrokkene in een bepaalde periode uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale inkomsten kunnen worden verklaard, en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat het bewezenverklaarde misdrijf ‘of andere strafbare feiten’ hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel voor de betrokkene. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke ‘andere strafbare feiten’ op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene het op basis van zo’n kasopstelling geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414) Het is dus mogelijk dat een vermogensbestanddeel waarover de betrokkene de beschikking heeft en dat het voorwerp vormt ten aanzien waarvan het misdrijf witwassen is begaan – zoals in een geval als dit waarin aan een rechtspersoon kennelijk een startkapitaal dat afkomstig is uit enig misdrijf ter beschikking is gesteld zonder enige reële tegenprestatie – in een kasopstelling wordt betrokken en op die manier meetelt als vermogensbestanddeel van de betrokkene in de berekening van het op grond van het derde lid van artikel 36e Sr te ontnemen voordeel.
Het hof overweegt dat de rechtbank in haar vonnis en het hof bij zijn arrest in aanvulling daarop uitgebreid heeft gemotiveerd dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 24 september 2021 voor een totaalbedrag van € 204.844,58 aan contant en giraal geld bij betrokkene aanwezig is geweest.
Net als de rechtbank is ook het hof van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat dit geld uit andere strafbare feiten afkomstig is. Artikel 36e lid 3 Sr stelt bovendien niet de eis dat die andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de betrokkene uit die strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het hof acht dit op grond van het dossier voldoende aannemelijk geworden.
Nu betrokkene hiervoor geen verklaring heeft gegeven, kan het hof niet anders dan vaststellen dat delen van dit bedrag in ieder geval op enig moment in het vermogen van betrokkene terecht zijn gekomen. Er is dus sprake (geweest) van vermogensvermeerdering ter hoogte van voornoemd bedrag.
Nu aan de overige vereisten van artikel 36e lid 3 Sr is voldaan, kan het bedrag van € 204.844,58 worden aangemerkt als te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof overweegt verder dat betrokkene niets voldoende concreets heeft aangedragen, ook niet ten aanzien van de door de raadsman genoemde bedragen, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat hij zich niet met voornoemd bedrag heeft verrijkt. Betrokkene heeft niet verklaard over eventuele kostenposten, zodat het hof geen enkel handvat heeft om voornoemd bedrag te verminderen.
Gelet op het voorgaande en op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof dat voordeel op een bedrag van € 204.844,58.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof stelt vast dat in eerste aanleg sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn met iets meer dan 12 maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, de rechter naar bevind van zaken dient te handelen. Het hof zal de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet opleggen gelijk aan het hiervoor vermelde bedrag, maar dat bedrag verminderen met € 5.000,-.
Het hof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 199.844,58.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van het wijzen van deze beslissing.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 204.844,58 (tweehonderdvierduizend achthonderdvierenveertig euro en achtenvijftig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 199.844,58 (honderdnegenennegentigduizend achthonderdvierenveertig euro en achtenvijftig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 360 dagen.
Deze beslissing is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. A.F. van Kooij en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 augustus 2026.