Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5353

2026-08-19 Strafrecht 21-004823-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-19
Publicatiedatum
2026-08-19
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-004823-24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van het aanwezig hebben van harddrugs en van medeplegen witwassen. Niet is vast te stellen dat verdachte wetenschap had van de harddrugs in de woning van zijn moeder. Deel van het geld kreeg verdachte onverwachts door zijn broer in de handen gedrukt bij diens arrestatie en niet kan worden vastgesteld dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van het overige geldbedrag in de woning van zijn moeder. Beslissing op inbeslaggenomen geldbedragen en telefoon.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.534 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004823-24
Uitspraakdatum: 19 augustus 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 oktober 2024 met parketnummer 05-039584-23 in de strafzaak tegen:



[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .





Hoger beroep


De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor vermelde vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.





Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Burgers, hebben aangevoerd.





Het vonnis


De politierechter heeft de verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van grote hoeveelheden aan harddrugs (amfetamine, MDMA, cocaïne en heroïne), en het medeplegen van het witwassen van een geldbedrag van € 205.292,13.
De politierechter heeft aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd, met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast heeft de politierechter aan de verdachte een taakstraf van 180 uur opgelegd, met aftrek van voorarrest. Tot slot heeft de politierechter diverse geldbedragen en één telefoontoestel verbeurd verklaard.



Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.





Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:




feit 1:

hij op of omstreeks 7 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in een pand/woning aan de [adres] te [plaats] ) aanwezig heeft gehad


- een (grote) hoeveelheid (te weten ongeveer 4839,32 gram) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en/of


- een (grote) hoeveelheid (te weten ongeveer 9648,42 gram) van een materiaal MDMA, zijnde MDMA,


- een (grote) hoeveelheid (te weten ongeveer 1061,47 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of


- een (grote) hoeveelheid (te weten ongeveer 495,64 gram) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of


- een hoeveelheid (te weten ongeveer 54,03 gram) van een materiaal bevattende 2C-B, zijnde 2C-B,


(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2:

hij op of omstreeks 7 februari 2023, te [plaats] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal (ongeveer) €205.292,13), heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij (en/of zijn mededader(s)) wist(en), althans redelijkerwijs moet/moeten vermoeden dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.






Vrijspraak feit 1 en feit 2



Standpunt van de advocaat-generaal




De advocaat-generaal acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Hiertoe heeft ze onder meer aangevoerd dat de verdachte vreemd gedrag vertoonde toen de politie voor de deur stond, en dat het daardoor leek alsof hij iets te verbergen had. Verder heeft ze aangevoerd dat de aangetroffen drugs en het geld op voor eenieder toegankelijke plekken lagen. Ook heeft ze aangevoerd dat de verdachte zich had moeten onttrekken aan de woning van zijn moeder, nu hij wist dat zijn broer [naam] zich met de verkeerde dingen bezig hield.




Standpunt van de verdediging




De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte van zowel feit 1 als feit 2 integraal dient te worden vrijgesproken.




Oordeel van het hof





Feit 1 (medeplegen van aanwezig hebben harddrugs)




Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet het verboden is middelen als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I aanwezig te hebben. Het met opzet (daaronder begrepen voorwaardelijk opzet) handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld op grond van artikel 10, lid 3 Opiumwet.
Voor de bewezenverklaring van 'aanwezig hebben' is nodig dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen en feitelijke macht over de verdovende middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat de middelen in zijn machtssfeer aanwezig zijn geweest.
Het hof stelt daarnaast voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.



Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
De verdachte was aanwezig op de dag dat de politie een inval deed in de woning van de moeder van verdachte aan de [adres] te [plaats] . Volgens de politie heeft de verdachte tegen hen eerst vanuit het raam verteld dat zijn broer [naam] niet aanwezig was. Volgens verdachte moest hij dit van zijn broer [naam] zeggen toen de politie aan de deur kwam. Vervolgens zou de verdachte de deur hebben proberen te blokkeren voor de politie. In de tussentijd, zo bleek later, probeerden meerdere mensen in het huis spullen te verplaatsen of chemische middelen weg te spoelen. De verdachte heeft verklaard dat hij dagelijks bij zijn moeder op bezoek kwam om haar diabetes te controleren, maar dat hij niet vaak boven kwam (op zijn ‘oude’ slaapkamer).



Het dossier bevat geen voor de verdachte belastende verklaringen van getuigen over zijn wetenschap van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning. In de auto noch op de slaapkamer van de verdachte (aan de [locatie] ) zijn harddrugs aangetroffen. Ook zijn er nergens DNA-sporen van de verdachte op de gevonden harddrugs in de woning aangetroffen. Daarnaast is er geen belastende informatie naar voren gekomen uit het onderzoek naar en aan de telefoon van verdachte en evenmin uit het onderzoek naar de financiën van verdachte.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van en/of beschikkingsmacht had over de aangetroffen harddrugs. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde.




Feit 2 (medeplegen van witwassen)




Voor het - als pleger - ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de precieze omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking op het voorhanden hebben van zo’n voorwerp.



In bijzondere gevallen volstaat de enkele wetenschap van het geld niet voor het oordeel dat verdachte dat geld voorhanden had. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig geld van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van geld van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.



Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af.
In de woning van de moeder van verdachte zijn allerlei geldbedragen aangetroffen, in totaal een bedrag van € 195.292,13. Van deze geldbedragen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid ervan. De verdachte woonde niet in de woning en was daar pas kort voor de doorzoeking gearriveerd. De meeste geldbedragen lagen niet direct in het zicht en uit de stukken volgt dat onder andere de medeverdachte [naam] vlak voordat de politie binnentrad met allerlei geldbedragen in de weer is geweest om deze aan het directe zicht te onttrekken. Niet duidelijk is daarom waar deze geldbedragen zich daarvoor bevonden. Bij de verdachte zelf is een bedrag van € 10.000,00 aangetroffen. Volgens de verdachte kreeg hij dit geldbedrag onverwachts door zijn broer in zijn handen gedrukt toen de politie aan de deur kwam.
De verdachte heeft dit bedrag weliswaar kortstondig voorhanden gehad, maar gelet op de omstandigheden waaronder hij dit geld in handen heeft gekregen kan niet bewezen worden verklaard dat verdachte dit geld aanwezig heeft gehad in de zin van art 420bis lid 1 onder b Sr.



Het hof is daarom – met de raadsvrouw – van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de geldbedragen in de woning. Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde.





Beslag



Standpunt van de advocaat-generaal




De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de in beslag genomen goederen moeten worden verbeurd verklaard.




Standpunt van de verdediging




De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen.




Oordeel van het hof




Het hof zal de inbeslaggenomen geldbedragen, te weten: € 9.900,- en € 100,- verbeurd verklaren, omdat dit voorwerpen betreffen die onmiskenbaar tot het begaan van het door de medeverdachten gepleegde misdrijf zijn vervaardigd of bestemd (artikel 33a lid 1 sub e juncto lid 2 onder a Sr).



Het hof gelast de teruggave van het inbeslaggenomen telefoontoestel (de zwarte iPhone), omdat niet is vast te stellen dat dit telefoontoestel te maken heeft met enig strafbaar feit.








BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.




Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:



9900 EUR ibn 07-02-2023 (PL0600-2023059147-2916232);


100 EUR ibn 07-02-2023 (PL0600-2023059147-2916575).




Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 STK Telefoontoestel (PL0600-2023059147-2916223, zwart, merk: Apple iPhone).



Dit arrest is gewezen door mr. R.W. van Zuijlen, mr. F.A.M. Bakker en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Harsveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 augustus 2026.