Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5348
2026-08-20
Strafrecht
21-001393-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Dodelijk verkeersongeval Oldehove. Twee doden en zwaar lichamelijk letsel door schuld. Rijden onder invloed van alcohol en drugs. Doorrijden na een verkeersongeval. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Tevens ontzegt het hof hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2024:1398 Hoge Raad 15-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (41.822 tekens)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001393-25
Uitspraakdatum: 20 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 17 maart 2025 met parketnummer 18-206802-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.T. Huisman, hebben aangevoerd.
Tot slot heeft het hof kennisgenomen van wat door het slachtoffer en de nabestaanden naar voren is gebracht.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten:
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en/of
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en/of drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en/of
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en/of
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, althans niet of te laat heeft geremd en/of niet is uitgeweken voor die voetgangers,
als gevolg waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in botsing of aanrijding is gekomen met meerdere voetgangers waardoor een ander, genaamd:
[slechtoffer 1] werd gedood
[slachtoffer 2] werd gedood
[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere laceraties in het gelaat en onderarm links, traumatisch schedel-hersenletsel en/of bekkenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] ,
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en/of
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en/of drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en/of
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en/of
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, althans niet of te laat heeft geremd en/of niet is uitgeweken voor die voetgangers,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol in combinatie met een van deze aangewezen stoffen, te weten THC (cannabis), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol tussen de 0,54 tot 0,83 milligram ethanol per milliliter bloed en/of 1,4 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
3.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , gemeente [gemeente] , op/aan [straat] , op of omstreeks 31 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten
[slechtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 3] letsel en/of schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft zij aangevoerd dat verdachte, als hij alert was geweest en voldoende op de weg had gelet, het ongeval had kunnen voorkomen door tijdig te remmen. Uit de reconstructie blijkt dat hij de personen met de partytent op de weg op ruime afstand had kunnen zien en tijdig tot stilstand had kunnen komen. Verdachte was echter niet alert. Daarbij was hij onder invloed van alcohol en THC. Het is dan ook aan de ernstige schuld van verdachte te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bij verdachte geen sprake is van schuld. Er is geen sprake van een grove verkeersfout, onoplettendheid of onvoorzichtig rijgedrag. Hem kan niet worden verweten dat hij zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad. Evenmin kan hem worden verweten dat hij de personen met de partytent op de weg niet tijdig heeft opgemerkt. Het was donker en het zicht van verdachte werd nadelig beïnvloed door een groot vuur langs de kant van de weg. De personen met de partytent waren slecht zichtbaar. Verdachte had hen daar ook niet hoeven te verwachten. Bij de reconstructie is geen rekening gehouden met het vuur. Ook kan niet worden vastgesteld dat de lichtomstandigheden tijdens de reconstructie gelijk waren aan die op het moment van het ongeval. Bij het berekenen van de stopafstand is de politie uitgegaan van een onjuiste afstand waarop de persoon met de reflecterende jas voor het eerst zichtbaar was. Volgens de politie was deze persoon op een afstand van ongeveer 88 meter al redelijk zichtbaar, terwijl op de foto’s van de reconstructie is te zien dat dit pas op een afstand van 44 meter het geval was. Bij het berekenen van de stopafstand moet dan ook van die afstand worden uitgegaan. Toen verdachte de personen met de partytent voor het eerst zag was een aanrijding niet meer te vermijden. Het gebruik van een geringe hoeveelheid alcohol en het restant THC in zijn bloed zijn hierop niet van invloed geweest. Zonder het gebruik van die middelen zou een aanrijding ook niet te vermijden zijn geweest. De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen volgens de raadsman wel worden bewezen.
Oordeel van het hof
Met betrekking tot feit 1 primair
Bewijsmiddelen
Het hof past de volgende wettige bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Ik heb op 31 december 2023 met mijn auto gereden op [straat] te [plaats 1] . Ik had kort voordat ik in de auto stapte alcohol gedronken, te weten een blik bier met daarin een halve liter Gulpener Gladiator en een slok uit een tweede blik daarvan. De rest van het tweede blik heb ik na het ongeluk opgedronken. Twee dagen daarvoor had ik een joint gerookt. Ik heb de personen die met een partytent op de weg liepen niet gezien. Ik heb mijn snelheid niet geminderd en ik heb ook niet geremd. Het moment waarop ik ze voor het eerst zag was het moment waarop ik ze aanreed.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier met nummer 2024003247, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisanten:
Toedracht
Op zondag 31 december 2023, omstreeks 17:11 uur, liep een groep van 7 personen op de rijbaan van [straat] ter hoogte van perceel 3 te [plaats 1] . De groep was bezig een partytent te verplaatsen vanaf een nabijgelegen weiland naar een schuur op perceel 3 aan genoemde weg. Gezien in de looprichting van de groep (oostelijke richting) bevonden zich aan de rechterzijde van de partytent 4 personen en aan de linkerzijde 3 personen. Alle personen hadden een verticale buis van het buizenframe, waarop de partytent was bevestigd, beet. Omdat het naast de rijbaan gelegen (brom)fietspad deels door een tractor met aanhangwagen werd geblokkeerd liep de groep op de rijbaan. De bestuurder van de auto reed met het door hem bestuurde voertuig op hetzelfde moment over de rijbaan van [straat] in oostelijke richting. Ter hoogte van de genoemde stilstaande tractor werden de achterste drie van de vier personen rechts in de partytent door de voorzijde van de auto aangereden. Daarbij werden deze drie personen door de voorwaartse snelheid van de auto naar voren geworpen en kwamen ze allen op het wegdek van de rijbaan terecht.
Oorzaak
Het ongeval vond 33 minuten na het tijdstip van zonsondergang plaats. Op de ongevalslocatie was geen openbare straatverlichting aanwezig. Uit de gehouden reconstructie bleek dat zowel de partytent als de personen in de tent matig zichtbaar waren. De persoon welke zich linksachter in de tent bevond was door zijn retro reflecterende jas eerder zichtbaar. Uit de reconstructie bleek dat de bestuurder van de auto bij een snelheid van 80 km/h zijn voertuig tijdig tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was op het moment dat hij de groep personen en de tent kon waarnemen.
Gevolg
De drie aangereden personen raakten allen ernstig gewond. [slechtoffer 1] overleed op de plaats van het ongeval en [slachtoffer 2] overleed één dag na het ongeval.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt aanvullend proces-verbaal Herberekening stopafstand, als los document gevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant:
Nu is gebleken dat de maximum snelheid op [straat] te [plaats 1] op de datum van het ongeval, 31 december 2023, niet 80 km/h was, maar 60 km/h bleek te zijn, is de eerder berekende stopafstand niet juist. Bij een juiste berekening zou de auto op ruime afstand (± 40 meter) vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden.
4. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3], opgenomen op pagina 209 van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door zorgverlener [zorgverlener] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
A. Uitwendig waargenomen letsel:
hematoom achterhoofd
diverse laceraties gelaat en onderarm links
Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja
B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
C. Storingen in het bewustzijn? Ja
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 31 december 2023
E. Overige van belang zijnde informatie:
traumatisch schedel-hersenletsel
bekkenletsel
F. Geschatte duur van genezing: onbekend.
5. De verklaring van [slachtoffer 3], afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Nadat ik op 31 december 2023 was aangereden heb ik twee dagen in coma gelegen. Toen ik daaruit ontwaakte kon ik eerst helemaal niets. Langzaam begon de revalidatie. Ik ondervind nog steeds elke dag last van de gevolgen van het ongeval, zowel psychisch als lichamelijk. Door het opgelopen hersenletsel moest ik stoppen met mijn studie. De linkerhelft van mijn gezicht voelt nog steeds doof aan. Ook heb ik nog steeds last van mijn heup en voel ik constant een steek rond mijn middel.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisanten:
Op 31 december 2023 is van verdachte bloed afgenomen. Ik heb de buisjes bloed voorzien van een SIN-sticker met het nummer ACM0051NL en verzonden naar het [ziekenhuis] te [plaats 2] .
7. Een geschrift, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer van het [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met SIN-nummer TACM0051 NL:
Aangewezen stof
Meetbare stof:
Grenswaarde indien in combinatie gebruikt
Eindresultaat in bloed TACM0051NL
Rapportage eenheid
Alcohol
Ethanol
0.20
1,02
milligram per milliliter
Cannabis
THC
1.0
1.4
microgram per liter
8. Een deskundigenrapport Herberekening bloedalcoholconcentratie van [verdachte], opgemaakt door [naam 2] MSc, apotheker-toxicoloog, gerechtelijk deskundige forensische toxicologie bij het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Zonder de inname van een halve liter Gulpener Gladiator na het voorval zou de bloedalcoholconcentratie ten tijde van het voorval tussen 0,54 tot 0,83 mg/ml zijn geweest.
Bewijsoverwegingen
Schuld
Het hof dient te beoordelen of het aan de schuld van verdachte is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de slachtoffers zijn overleden en zwaar gewond zijn geraakt.
Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin (vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398).
Feitelijke toedracht
Verdachte reed op 31 december 2023 als bestuurder van een personenauto over [straat] in [plaats 1] . Hij kwam uit de richting van [plaats 1] . Ter hoogte van de boerderij aan [straat] is hij in botsing gekomen met drie voetgangers: [slachtoffer 3] , [slechtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij maakten deel uit van een vriendengroep die na een feestje aan het opruimen was. Met zeven personen verplaatsten zij een partytent vanaf een nabijgelegen weiland naar een schuur. Omdat het naast de rijbaan gelegen (brom)fietspad deels door een tractor met aanhangwagen werd geblokkeerd liepen zij over de rijbaan.
Slachtoffers
[slechtoffer 1] is als gevolg van de botsing ter plekke overleden. [slachtoffer 2] overleed één dag later. [slachtoffer 3] heeft door de botsing onder meer traumatisch schedel-hersenletsel en bekkenletsel opgelopen. Dit letsel moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan en de zeer lange periode van herstel, waarbij nog altijd sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen, zoals is gebleken uit de verklaring die [slachtoffer 3] ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd.
Invloed alcohol en THC (cannabis)
Verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, en THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed. Deze waarden zijn hoger dan de grenswaarde voor combinatiegebruik. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van deze middelen het reactievermogen negatief beïnvloedt. Het verweer van de verdediging dat het gebruik van deze middelen niet van invloed is geweest op de aanrijding wordt om die reden dan ook verworpen.
Zichtbaarheid voetgangers met partytent
Verdachte heeft de personen die met een partytent op de weg liepen niet (tijdig) opgemerkt. Beoordeeld dient te worden of dit hem kan worden verweten en zo ja, in welke mate.
Op 1 februari 2024 is op de ongevalslocatie door de politie een reconstructie uitgevoerd om de zichtbaarheid van de voetgangers met partytent op de rijbaan vanuit de personenauto vast te stellen. Tijdens de reconstructie is het voertuig op verschillende afstanden van de partytent gepositioneerd, waarna vanaf de bestuurdersplaats een foto werd gemaakt. Hierbij heeft de politie vastgesteld dat de persoon linksachter in de partytent door zijn reflecterende jas op een afstand van ongeveer 88 meter voor het eerst redelijk zichtbaar was. De politie heeft daarom deze afstand als uitgangspunt genomen voor het berekenen van de stopafstand. Hiervan uitgaande zou de auto van verdachte bij een snelheid van 80 km/h op een afstand van ongeveer 14 meter vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden. Bij een snelheid van 60 km/h zou de auto op een afstand van ongeveer 40 meter vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden.
De raadsman stelt zich aan de hand van de foto’s die tijdens de reconstructie zijn genomen op het standpunt dat de reflecterende jas pas bij een afstand van 44 meter goed zichtbaar was en dat voor het berekenen van de stopafstand daarom van die afstand moet worden uitgegaan. Het hof gaat hierin niet mee en overweegt daartoe het volgende.
Op basis van de foto’s van de reconstructie kan niet worden vastgesteld hoe donker het was ten tijde van het ongeval. Foto’s kunnen namelijk donkerder uitvallen dan de werkelijkheid. Ook kan niet worden vastgesteld of de lichtomstandigheden tijdens de reconstructie gelijk waren aan die tijdens het ongeval. De reconstructie is weliswaar aangevangen op hetzelfde moment als het ongeval, namelijk om 33 minuten na zonsondergang, maar op een ander moment in het jaar. Bovendien heeft de reconstructie langer geduurd dan het ongeval en was het tijdens het nemen van de foto’s dus donkerder dan tijdens het ongeval. Over de lichtomstandigheden op het moment van het ongeval hebben meerdere getuigen verklaard dat het wel al schemerig was, maar nog niet volledig donker. Eén van de getuigen heeft verklaard dat hij de trekkers bij een bedrijf dat op een afstand van ruim 600 meter was gelegen nog kon zien staan. Twee andere getuigen hebben verklaard dat ze in de verte nog een (rode) auto zagen aankomen. Het hof hecht voor wat betreft de lichtomstandigheden tijdens het ongeval meer waarde aan de verklaringen van deze getuigen dan aan de foto’s van de reconstructie. Op grond daarvan stelt het hof vast dat verdachte de voetgangers en de partytent ruim van tevoren moet hebben kunnen zien en dat verdachte zijn voertuig dus tijdig tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien. Dat hij hen niet (tijdig) heeft opgemerkt kan hem dan ook worden verweten. Voor zover het zicht van verdachte nadelig werd beïnvloed door het vuur langs de kant van de weg, verontschuldigt dit hem niet. Indien hierdoor sprake zou zijn van een verminderd zicht zou verdachte zijn rijgedrag hierop hebben moeten aanpassen en zijn snelheid hebben moeten minderen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte, die onder invloed was van alcohol en THC (cannabis), niet (tijdig) heeft opgemerkt dat er voetgangers op de weg liepen met een partytent, terwijl hij hen wel tijdig had kunnen zien en zijn voertuig op ruime afstand van hen tot stilstand had kunnen brengen. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof zodanig onvoorzichtig gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de slachtoffers zijn overleden en zwaar gewond zijn geraakt. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen.
Mate van schuld
Anders dan de rechtbank, die heeft geoordeeld dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, is het hof van oordeel dat het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt. Hiermee wijkt het hof tevens af van het standpunt van de advocaat-generaal die zich net als de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ernstige schuld.
Met betrekking tot de feiten 2 en 3
Omdat de verdachte de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten heeft bekend en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, zal het hof op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals hieronder weergegeven.
Feit 2
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
3. Een geschrift, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer van het [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog;
4. Een deskundigenrapport Herberekening bloedalcoholconcentratie van [naam 3] , opgemaakt door [naam 2] MSc, apotheker-toxicoloog, gerechtelijk deskundige forensische toxicologie bij het Nederlands Forensisch Instituut.
Feit 3
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 103 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair.hij op 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten:
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet is uitgeweken voor die voetgangers,
als gevolg waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in botsing is gekomen met meerdere voetgangers waardoor een ander, genaamd:
[slechtoffer 1] werd gedood
[slachtoffer 2] werd gedood
[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere laceraties in het gelaat en onderarm links, traumatisch schedel-hersenletsel en bekkenletsel, werd toegebracht,
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.hij op 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol in combinatie met een van deze aangewezen stoffen, te weten THC (cannabis), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol tussen de 0,54 tot 0,83 milligram ethanol per milliliter bloed en 1,4 microgram THC per liter bloed bedroeg;
3.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , gemeente [gemeente] , op [straat] , op 31 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten
[slechtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 3] letsel en/of schade was toegebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd.
en
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld. Hij heeft op oudejaarsdag onder invloed van alcohol en THC (cannabis) een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij twee voetgangers van respectievelijk 21 en 18 jaar zijn overleden en één voetganger van 19 jaar zwaar gewond is geraakt. Jonge slachtoffers die nog een heel leven voor zich hadden. Zij maakten deel uit van een vriendengroep die na een feestje een partytent aan het opruimen was en daarmee over de weg liep. Wat een feestelijke dag had moeten zijn, is geëindigd in een afschuwelijk drama. Na het veroorzaken van het verkeersongeval heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten zonder zich om de slachtoffers te bekommeren.
Met het overlijden van de slachtoffers is een groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden die hiermee hun leven lang geconfronteerd zullen blijven. Dit blijkt ook uit de indringende verklaringen die ter terechtzitting in hoger beroep door de nabestaanden zijn voorgelezen. Zij missen hun dierbare nog iedere dag en zullen het verlies de rest van hun leven met zich mee moeten dragen. Ook het leven van het slachtoffer dat zwaargewond is geraakt zal nooit meer hetzelfde zijn. Hun vriendengroep zal nooit meer compleet zijn. Ten slotte is ook de samenleving ernstig geschokt door dit ongeval.
Het hof zoekt bij de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot het veroorzaken van een verkeersongeval. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop, waarbij sprake is van alcohol- en drugsgebruik en van ernstige schuld, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren.
Ondanks dat het hof een lagere mate van schuld bewezen acht sluit het hof aan bij bovengenoemd oriëntatiepunt, nu verdachte tevens de plaats van het ongeval heeft verlaten en komt het hof tot eenzelfde straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.
Verder houdt het hof bij de strafoplegging rekening met het reclasseringsrapport van 21 januari 2025. Hieruit blijkt dat bij verdachte problemen spelen op diverse gebieden, waaronder op het gebied van relatie, partner en gezin, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Geadviseerd wordt de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Het hof ziet hierin aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Verdachte meldt zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest bij de bureaudienst van Reclassering Nederland [telfoonnummer] en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. Daarbij volgt hij de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering worden gegeven voor zover niet in andere voorwaarden al benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor verdachte zich in zal zetten deze te behalen.
Ambulante behandeling
Verdachte werkt mee aan diagnostiek en laat zich indien geïndiceerd behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding door de reclassering en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Meewerken aan middelencontrole
Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles betreffen.
Van rechtswege gelden hierbij de volgende voorwaarden:
Verdachte werkt mee aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan.
Verdachte werkt mee aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. Beswerda, mr. E. de Witt en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. K.R. Starreveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 augustus 2026.
Parketnummer: 21-001393-25
Uitspraakdatum: 20 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 17 maart 2025 met parketnummer 18-206802-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.T. Huisman, hebben aangevoerd.
Tot slot heeft het hof kennisgenomen van wat door het slachtoffer en de nabestaanden naar voren is gebracht.
Het vonnis
De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten:
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en/of
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en/of drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en/of
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en/of
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, althans niet of te laat heeft geremd en/of niet is uitgeweken voor die voetgangers,
als gevolg waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in botsing of aanrijding is gekomen met meerdere voetgangers waardoor een ander, genaamd:
[slechtoffer 1] werd gedood
[slachtoffer 2] werd gedood
[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere laceraties in het gelaat en onderarm links, traumatisch schedel-hersenletsel en/of bekkenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] ,
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en/of THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en/of
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en/of drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en/of
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en/of
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en/of
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, althans niet of te laat heeft geremd en/of niet is uitgeweken voor die voetgangers,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.hij op of omstreeks 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol in combinatie met een van deze aangewezen stoffen, te weten THC (cannabis), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol tussen de 0,54 tot 0,83 milligram ethanol per milliliter bloed en/of 1,4 microgram THC per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
3.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , gemeente [gemeente] , op/aan [straat] , op of omstreeks 31 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten
[slechtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 3] letsel en/of schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde heeft zij aangevoerd dat verdachte, als hij alert was geweest en voldoende op de weg had gelet, het ongeval had kunnen voorkomen door tijdig te remmen. Uit de reconstructie blijkt dat hij de personen met de partytent op de weg op ruime afstand had kunnen zien en tijdig tot stilstand had kunnen komen. Verdachte was echter niet alert. Daarbij was hij onder invloed van alcohol en THC. Het is dan ook aan de ernstige schuld van verdachte te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat bij verdachte geen sprake is van schuld. Er is geen sprake van een grove verkeersfout, onoplettendheid of onvoorzichtig rijgedrag. Hem kan niet worden verweten dat hij zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad. Evenmin kan hem worden verweten dat hij de personen met de partytent op de weg niet tijdig heeft opgemerkt. Het was donker en het zicht van verdachte werd nadelig beïnvloed door een groot vuur langs de kant van de weg. De personen met de partytent waren slecht zichtbaar. Verdachte had hen daar ook niet hoeven te verwachten. Bij de reconstructie is geen rekening gehouden met het vuur. Ook kan niet worden vastgesteld dat de lichtomstandigheden tijdens de reconstructie gelijk waren aan die op het moment van het ongeval. Bij het berekenen van de stopafstand is de politie uitgegaan van een onjuiste afstand waarop de persoon met de reflecterende jas voor het eerst zichtbaar was. Volgens de politie was deze persoon op een afstand van ongeveer 88 meter al redelijk zichtbaar, terwijl op de foto’s van de reconstructie is te zien dat dit pas op een afstand van 44 meter het geval was. Bij het berekenen van de stopafstand moet dan ook van die afstand worden uitgegaan. Toen verdachte de personen met de partytent voor het eerst zag was een aanrijding niet meer te vermijden. Het gebruik van een geringe hoeveelheid alcohol en het restant THC in zijn bloed zijn hierop niet van invloed geweest. Zonder het gebruik van die middelen zou een aanrijding ook niet te vermijden zijn geweest. De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen volgens de raadsman wel worden bewezen.
Oordeel van het hof
Met betrekking tot feit 1 primair
Bewijsmiddelen
Het hof past de volgende wettige bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Ik heb op 31 december 2023 met mijn auto gereden op [straat] te [plaats 1] . Ik had kort voordat ik in de auto stapte alcohol gedronken, te weten een blik bier met daarin een halve liter Gulpener Gladiator en een slok uit een tweede blik daarvan. De rest van het tweede blik heb ik na het ongeluk opgedronken. Twee dagen daarvoor had ik een joint gerookt. Ik heb de personen die met een partytent op de weg liepen niet gezien. Ik heb mijn snelheid niet geminderd en ik heb ook niet geremd. Het moment waarop ik ze voor het eerst zag was het moment waarop ik ze aanreed.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier met nummer 2024003247, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisanten:
Toedracht
Op zondag 31 december 2023, omstreeks 17:11 uur, liep een groep van 7 personen op de rijbaan van [straat] ter hoogte van perceel 3 te [plaats 1] . De groep was bezig een partytent te verplaatsen vanaf een nabijgelegen weiland naar een schuur op perceel 3 aan genoemde weg. Gezien in de looprichting van de groep (oostelijke richting) bevonden zich aan de rechterzijde van de partytent 4 personen en aan de linkerzijde 3 personen. Alle personen hadden een verticale buis van het buizenframe, waarop de partytent was bevestigd, beet. Omdat het naast de rijbaan gelegen (brom)fietspad deels door een tractor met aanhangwagen werd geblokkeerd liep de groep op de rijbaan. De bestuurder van de auto reed met het door hem bestuurde voertuig op hetzelfde moment over de rijbaan van [straat] in oostelijke richting. Ter hoogte van de genoemde stilstaande tractor werden de achterste drie van de vier personen rechts in de partytent door de voorzijde van de auto aangereden. Daarbij werden deze drie personen door de voorwaartse snelheid van de auto naar voren geworpen en kwamen ze allen op het wegdek van de rijbaan terecht.
Oorzaak
Het ongeval vond 33 minuten na het tijdstip van zonsondergang plaats. Op de ongevalslocatie was geen openbare straatverlichting aanwezig. Uit de gehouden reconstructie bleek dat zowel de partytent als de personen in de tent matig zichtbaar waren. De persoon welke zich linksachter in de tent bevond was door zijn retro reflecterende jas eerder zichtbaar. Uit de reconstructie bleek dat de bestuurder van de auto bij een snelheid van 80 km/h zijn voertuig tijdig tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was op het moment dat hij de groep personen en de tent kon waarnemen.
Gevolg
De drie aangereden personen raakten allen ernstig gewond. [slechtoffer 1] overleed op de plaats van het ongeval en [slachtoffer 2] overleed één dag na het ongeval.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt aanvullend proces-verbaal Herberekening stopafstand, als los document gevoegd bij voornoemd dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisant:
Nu is gebleken dat de maximum snelheid op [straat] te [plaats 1] op de datum van het ongeval, 31 december 2023, niet 80 km/h was, maar 60 km/h bleek te zijn, is de eerder berekende stopafstand niet juist. Bij een juiste berekening zou de auto op ruime afstand (± 40 meter) vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden.
4. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3], opgenomen op pagina 209 van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door zorgverlener [zorgverlener] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
A. Uitwendig waargenomen letsel:
hematoom achterhoofd
diverse laceraties gelaat en onderarm links
Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja
B. Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
C. Storingen in het bewustzijn? Ja
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 31 december 2023
E. Overige van belang zijnde informatie:
traumatisch schedel-hersenletsel
bekkenletsel
F. Geschatte duur van genezing: onbekend.
5. De verklaring van [slachtoffer 3], afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Nadat ik op 31 december 2023 was aangereden heb ik twee dagen in coma gelegen. Toen ik daaruit ontwaakte kon ik eerst helemaal niets. Langzaam begon de revalidatie. Ik ondervind nog steeds elke dag last van de gevolgen van het ongeval, zowel psychisch als lichamelijk. Door het opgelopen hersenletsel moest ik stoppen met mijn studie. De linkerhelft van mijn gezicht voelt nog steeds doof aan. Ook heb ik nog steeds last van mijn heup en voel ik constant een steek rond mijn middel.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verbalisanten:
Op 31 december 2023 is van verdachte bloed afgenomen. Ik heb de buisjes bloed voorzien van een SIN-sticker met het nummer ACM0051NL en verzonden naar het [ziekenhuis] te [plaats 2] .
7. Een geschrift, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer van het [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met SIN-nummer TACM0051 NL:
Aangewezen stof
Meetbare stof:
Grenswaarde indien in combinatie gebruikt
Eindresultaat in bloed TACM0051NL
Rapportage eenheid
Alcohol
Ethanol
0.20
1,02
milligram per milliliter
Cannabis
THC
1.0
1.4
microgram per liter
8. Een deskundigenrapport Herberekening bloedalcoholconcentratie van [verdachte], opgemaakt door [naam 2] MSc, apotheker-toxicoloog, gerechtelijk deskundige forensische toxicologie bij het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Zonder de inname van een halve liter Gulpener Gladiator na het voorval zou de bloedalcoholconcentratie ten tijde van het voorval tussen 0,54 tot 0,83 mg/ml zijn geweest.
Bewijsoverwegingen
Schuld
Het hof dient te beoordelen of het aan de schuld van verdachte is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de slachtoffers zijn overleden en zwaar gewond zijn geraakt.
Volgens vaste rechtspraak wordt onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Verder verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de hier bedoelde zin (vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398).
Feitelijke toedracht
Verdachte reed op 31 december 2023 als bestuurder van een personenauto over [straat] in [plaats 1] . Hij kwam uit de richting van [plaats 1] . Ter hoogte van de boerderij aan [straat] is hij in botsing gekomen met drie voetgangers: [slachtoffer 3] , [slechtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij maakten deel uit van een vriendengroep die na een feestje aan het opruimen was. Met zeven personen verplaatsten zij een partytent vanaf een nabijgelegen weiland naar een schuur. Omdat het naast de rijbaan gelegen (brom)fietspad deels door een tractor met aanhangwagen werd geblokkeerd liepen zij over de rijbaan.
Slachtoffers
[slechtoffer 1] is als gevolg van de botsing ter plekke overleden. [slachtoffer 2] overleed één dag later. [slachtoffer 3] heeft door de botsing onder meer traumatisch schedel-hersenletsel en bekkenletsel opgelopen. Dit letsel moet naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan en de zeer lange periode van herstel, waarbij nog altijd sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen, zoals is gebleken uit de verklaring die [slachtoffer 3] ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd.
Invloed alcohol en THC (cannabis)
Verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, en THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed. Deze waarden zijn hoger dan de grenswaarde voor combinatiegebruik. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van deze middelen het reactievermogen negatief beïnvloedt. Het verweer van de verdediging dat het gebruik van deze middelen niet van invloed is geweest op de aanrijding wordt om die reden dan ook verworpen.
Zichtbaarheid voetgangers met partytent
Verdachte heeft de personen die met een partytent op de weg liepen niet (tijdig) opgemerkt. Beoordeeld dient te worden of dit hem kan worden verweten en zo ja, in welke mate.
Op 1 februari 2024 is op de ongevalslocatie door de politie een reconstructie uitgevoerd om de zichtbaarheid van de voetgangers met partytent op de rijbaan vanuit de personenauto vast te stellen. Tijdens de reconstructie is het voertuig op verschillende afstanden van de partytent gepositioneerd, waarna vanaf de bestuurdersplaats een foto werd gemaakt. Hierbij heeft de politie vastgesteld dat de persoon linksachter in de partytent door zijn reflecterende jas op een afstand van ongeveer 88 meter voor het eerst redelijk zichtbaar was. De politie heeft daarom deze afstand als uitgangspunt genomen voor het berekenen van de stopafstand. Hiervan uitgaande zou de auto van verdachte bij een snelheid van 80 km/h op een afstand van ongeveer 14 meter vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden. Bij een snelheid van 60 km/h zou de auto op een afstand van ongeveer 40 meter vóór de partytent tot stilstand gebracht kunnen worden.
De raadsman stelt zich aan de hand van de foto’s die tijdens de reconstructie zijn genomen op het standpunt dat de reflecterende jas pas bij een afstand van 44 meter goed zichtbaar was en dat voor het berekenen van de stopafstand daarom van die afstand moet worden uitgegaan. Het hof gaat hierin niet mee en overweegt daartoe het volgende.
Op basis van de foto’s van de reconstructie kan niet worden vastgesteld hoe donker het was ten tijde van het ongeval. Foto’s kunnen namelijk donkerder uitvallen dan de werkelijkheid. Ook kan niet worden vastgesteld of de lichtomstandigheden tijdens de reconstructie gelijk waren aan die tijdens het ongeval. De reconstructie is weliswaar aangevangen op hetzelfde moment als het ongeval, namelijk om 33 minuten na zonsondergang, maar op een ander moment in het jaar. Bovendien heeft de reconstructie langer geduurd dan het ongeval en was het tijdens het nemen van de foto’s dus donkerder dan tijdens het ongeval. Over de lichtomstandigheden op het moment van het ongeval hebben meerdere getuigen verklaard dat het wel al schemerig was, maar nog niet volledig donker. Eén van de getuigen heeft verklaard dat hij de trekkers bij een bedrijf dat op een afstand van ruim 600 meter was gelegen nog kon zien staan. Twee andere getuigen hebben verklaard dat ze in de verte nog een (rode) auto zagen aankomen. Het hof hecht voor wat betreft de lichtomstandigheden tijdens het ongeval meer waarde aan de verklaringen van deze getuigen dan aan de foto’s van de reconstructie. Op grond daarvan stelt het hof vast dat verdachte de voetgangers en de partytent ruim van tevoren moet hebben kunnen zien en dat verdachte zijn voertuig dus tijdig tot stilstand had kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien. Dat hij hen niet (tijdig) heeft opgemerkt kan hem dan ook worden verweten. Voor zover het zicht van verdachte nadelig werd beïnvloed door het vuur langs de kant van de weg, verontschuldigt dit hem niet. Indien hierdoor sprake zou zijn van een verminderd zicht zou verdachte zijn rijgedrag hierop hebben moeten aanpassen en zijn snelheid hebben moeten minderen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande kan worden bewezen dat verdachte, die onder invloed was van alcohol en THC (cannabis), niet (tijdig) heeft opgemerkt dat er voetgangers op de weg liepen met een partytent, terwijl hij hen wel tijdig had kunnen zien en zijn voertuig op ruime afstand van hen tot stilstand had kunnen brengen. Hiermee heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof zodanig onvoorzichtig gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor de slachtoffers zijn overleden en zwaar gewond zijn geraakt. Het onder 1 primair tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen.
Mate van schuld
Anders dan de rechtbank, die heeft geoordeeld dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, is het hof van oordeel dat het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt. Hiermee wijkt het hof tevens af van het standpunt van de advocaat-generaal die zich net als de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van ernstige schuld.
Met betrekking tot de feiten 2 en 3
Omdat de verdachte de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten heeft bekend en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, zal het hof op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, zoals hieronder weergegeven.
Feit 2
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
3. Een geschrift, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer van het [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door [naam 1] , ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog;
4. Een deskundigenrapport Herberekening bloedalcoholconcentratie van [naam 3] , opgemaakt door [naam 2] MSc, apotheker-toxicoloog, gerechtelijk deskundige forensische toxicologie bij het Nederlands Forensisch Instituut.
Feit 3
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026, zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting;
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 103 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten;
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van de verbalisanten.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair.hij op 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten:
terwijl hij onder invloed was van alcohol, te weten tussen de 0,54 tot 0,83 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed en THC (cannabis), te weten 1,4 microgram per liter bloed, in elk geval hoger dan 1 microgram THC (cannabis) per liter bloed, en
terwijl hij, mede door het gebruik van alcoholhoudende drank en drugs, verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist, en
zijn aandacht niet steeds op de weg heeft gehad, en
niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat er meerdere voetgangers op [straat] liepen met bij hun een grote partytent, en
zijn snelheid (vervolgens) niet zodanig heeft aangepast of geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en niet is uitgeweken voor die voetgangers,
als gevolg waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in botsing is gekomen met meerdere voetgangers waardoor een ander, genaamd:
[slechtoffer 1] werd gedood
[slachtoffer 2] werd gedood
[slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere laceraties in het gelaat en onderarm links, traumatisch schedel-hersenletsel en bekkenletsel, werd toegebracht,
zulks terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.hij op 31 december 2023 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol in combinatie met een van deze aangewezen stoffen, te weten THC (cannabis), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol tussen de 0,54 tot 0,83 milligram ethanol per milliliter bloed en 1,4 microgram THC per liter bloed bedroeg;
3.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats 1] , gemeente [gemeente] , op [straat] , op 31 december 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten
[slechtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht en/of is gedood
[slachtoffer 3] letsel en/of schade was toegebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd.
en
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dood en zwaar lichamelijk letsel door schuld. Hij heeft op oudejaarsdag onder invloed van alcohol en THC (cannabis) een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, waarbij twee voetgangers van respectievelijk 21 en 18 jaar zijn overleden en één voetganger van 19 jaar zwaar gewond is geraakt. Jonge slachtoffers die nog een heel leven voor zich hadden. Zij maakten deel uit van een vriendengroep die na een feestje een partytent aan het opruimen was en daarmee over de weg liep. Wat een feestelijke dag had moeten zijn, is geëindigd in een afschuwelijk drama. Na het veroorzaken van het verkeersongeval heeft verdachte de plaats van het ongeval verlaten zonder zich om de slachtoffers te bekommeren.
Met het overlijden van de slachtoffers is een groot en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden die hiermee hun leven lang geconfronteerd zullen blijven. Dit blijkt ook uit de indringende verklaringen die ter terechtzitting in hoger beroep door de nabestaanden zijn voorgelezen. Zij missen hun dierbare nog iedere dag en zullen het verlies de rest van hun leven met zich mee moeten dragen. Ook het leven van het slachtoffer dat zwaargewond is geraakt zal nooit meer hetzelfde zijn. Hun vriendengroep zal nooit meer compleet zijn. Ten slotte is ook de samenleving ernstig geschokt door dit ongeval.
Het hof zoekt bij de strafoplegging aansluiting bij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot het veroorzaken van een verkeersongeval. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop, waarbij sprake is van alcohol- en drugsgebruik en van ernstige schuld, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren.
Ondanks dat het hof een lagere mate van schuld bewezen acht sluit het hof aan bij bovengenoemd oriëntatiepunt, nu verdachte tevens de plaats van het ongeval heeft verlaten en komt het hof tot eenzelfde straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.
Verder houdt het hof bij de strafoplegging rekening met het reclasseringsrapport van 21 januari 2025. Hieruit blijkt dat bij verdachte problemen spelen op diverse gebieden, waaronder op het gebied van relatie, partner en gezin, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Geadviseerd wordt de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daarbij de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Het hof ziet hierin aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.
Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wetsartikelen
De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Verdachte meldt zich binnen twee werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest bij de bureaudienst van Reclassering Nederland [telfoonnummer] en blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. Daarbij volgt hij de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering worden gegeven voor zover niet in andere voorwaarden al benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waarvoor verdachte zich in zal zetten deze te behalen.
Ambulante behandeling
Verdachte werkt mee aan diagnostiek en laat zich indien geïndiceerd behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na aanmelding door de reclassering en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Meewerken aan middelencontrole
Verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles betreffen.
Van rechtswege gelden hierbij de volgende voorwaarden:
Verdachte werkt mee aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan.
Verdachte werkt mee aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. Beswerda, mr. E. de Witt en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. K.R. Starreveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 20 augustus 2026.