Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5341
2026-08-12
Civiel recht
200.372.268/02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek moeder tot schorsing van werking bestreden beschikking voor een aantal weken toegewezen. Nieuwe feiten rechtvaardigen dat de uitvoerbaarheid voor een aantal weken wordt geschorst.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.025 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.372.268/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 199108)
beschikking van 12 augustus 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,verzoekster,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
en
[verweerder]
(de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder,
advocaat: mr. R. Smit te Noord-Scharwoude.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden .
1De procedure bij de rechtbank
1.1.
Het hof verwijst voor de procedure bij de rechtbank naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [woonplaats1] , van 30 mei 2025 en 17 juni 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
1.2.
Bij de beschikking van 17 juni 2026 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019;
voor zover hun bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf de start van de zomervakantie in 2026 hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
- de volgende voorlopige zorgregeling bepaald:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de zomervakantie van 2026 de eerste vier weken bij de moeder en de laatste twee weken bij de vader, waarbij de kinderen met ingang van vrijdag 31 juli 2026 12.00 uur tot vrijdag 14 augustus 2026 12.00 uur bij de vader verblijven;
- bepaald dat aansluitend de navolgende reguliere zorgregeling geldt:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven doordeweeks bij de vader;
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder en vervolgens één weekend bij de vader, waarbij de ouders ieder de helft van het halen en brengen van de kinderen voor hun rekening nemen zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.10 van de bestreden beschikking;
- ter vervanging van de toestemming van de moeder aan de vader toestemming verleend om met ingang van het schooljaar 2026/2027 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in te schrijven op de basisschool [naam] in [plaats1] .
De rechtbank heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. De procedure bij het hof in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met bijlage(n), ingekomen op 21 juli 2026;
- het verweerschrift tegen het schorsingsverzoek, tevens houdende een (zo merkt het hof het aan) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep, met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2026;
- een brief van de raad van 6 augustus 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- de stukken van de moeder, ingediend op 7, 10 en 11 augustus 2026, met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beslissingen heeft op 12 augustus 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten (mr. Van Kerkhof via een beeldbelverbinding).
2.3.
Het hof heeft, na een schorsing van de mondelinge behandeling, op grond van artikel 29a lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan.
3De motivering van de beslissing
Verzoeken in hoger beroep
3.1.
Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het betreft de onder 1 genoemde beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de (voorlopige) zorgregeling en de vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op basisschool [naam] in [plaats1] .
3.2.
De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer. Daarnaast verzoekt hij het hof als voorlopige voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep om de moeder te bevelen om binnen 24 uur na afgifte van de in deze te geven beschikking uitvoering te geven aan de bestreden beschikking. Die houdt in dat de kinderen alsnog overeenkomstig de daarin vastgestelde vakantieregeling bij de vader verblijven, waarna de reguliere zorgregeling wordt nageleefd, waarbij de kinderen doordeweeks bij de vader verblijven en de moeder de kinderen volgens de door de rechtbank vastgestelde driewekelijkse zorgregeling bij zich heeft, met inachtneming van de daarbij behorende haal- en brengregeling. Hij wil ook een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000, althans een door het hof te bepalen dwangsom.
Juridisch kader
3.3.
Hoger beroep schorst de werking van de bestreden beschikking, tenzij die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360, lid 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, als hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
3.4.
De rechtbank heeft de hiervoor onder 1.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft deze beslissing toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid daarom alleen schorsen als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust of als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
Overwegingen van het hof
Schorsingsverzoek
3.5.
Het hof stelt voorop dat het feit dat de woning van de vader in [plaats1] verkocht is en hij dus moet verhuizen, geen nieuw feit betreft. Dit is immers tijdens de zitting bij de rechtbank besproken, zo blijkt uit het proces-verbaal, en het staat ook vermeld in de bestreden beschikking.
3.6.
Er hebben zich naar het oordeel van het hof na de bestreden uitspraak echter wel andere nieuwe feiten voorgedaan, waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Het gaat om de volgende nieuwe feiten.
3.7.
Ten eerste de huidige woonsituatie van de vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader op dit moment nog geen definitieve woonruimte tot zijn beschikking heeft. Hij heeft tijdelijk een woonruimte gehuurd in [woonplaats2] , waar hij momenteel verblijft. Daarnaast heeft hij een recreatiewoning gekocht in [plaats2] , waar hij met de kinderen wil gaan wonen, maar die eerst nog verbouwd moet worden.
3.8.
Een ander nieuw feit is dat er op dit moment onzekerheid is of [de minderjarige1] (opnieuw) zal worden toegelaten op de basisschool [naam] in [plaats1] . Dit is de school waar hij en [de minderjarige2] ook naartoe gingen voordat zij met de moeder in 2024 verhuisden naar [woonplaats1] . De vader heeft na de bestreden uitspraak [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ingeschreven op deze school. [de minderjarige2] is in elk geval toegelaten tot de school. Ten aanzien van [de minderjarige1] heeft de school - naar aanleiding van informatie die de school nadien van de moeder heeft ontvangen - besloten een onderzoek te verrichten naar de vraag of de school kan voldoen aan de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften die [de minderjarige1] volgens de moeder nodig heeft. De uitkomst van dit onderzoek zal naar verwachting begin september 2026 bekend zijn.
3.9.
Tot slot is een nieuw feit dat het contact tussen de kinderen en de vader sinds de bestreden uitspraak is verbroken. De kinderen hebben geen omgang met de vader gehad en de volledige zomervakantie bij de moeder verbleven. Zij verblijven daar op dit moment nog altijd.
3.10.
Het hof is van oordeel dat deze nieuwe feiten rechtvaardigen dat tot 15 september 2026 wordt afgeweken van de bestreden beslissingen, althans totdat is voldaan aan de hierna te noemen twee voorwaarden, en dat daarna de bestreden beslissingen moeten worden uitgevoerd. Het hof zal dit hierna toelichten.
3.11.
Met betrekking tot de door de vader gekochte woning in [plaats2] is ter zitting vast komen te staan dat de woning een recreatiewoning betreft. Uit het namens de vader op de zitting voorgelezen e-mailbericht van [de gemeente] (waaronder [plaats2] valt) leidt het hof af dat de vader en de kinderen mogen worden ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. De vader heeft verklaard dat het is toegestaan om daar 365 dagen per jaar te recreëren. Een voorwaarde is volgens de vader dat de kinderen en hij twee weken per jaar niet in de woning verblijven. De vader zal naar eigen zeggen in die periode met vakantie gaan en de kinderen zullen volgens de zorgregeling in elk geval meer dan twee weken per jaar niet in de recreatiewoning verblijven, omdat ze dan bij de moeder zijn.
Echter is ook gebleken dat de vader en de kinderen nu nog niet in deze woning kunnen wonen, omdat deze nog verbouwd moet worden. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat begin september 2026 een woonunit op het perceel naast de huidige recreatiewoning wordt bijgeplaatst en dat die dag de woonunit ook zal worden ingericht.
Gelet op het bovenstaande is het hof er in het kader van deze schorsingsprocedure voldoende van overtuigd geraakt dat de vader met de kinderen in de woonunit bij de recreatiewoning kan wonen zodra de woonunit is geplaatst en de nutsvoorzieningen zijn aangesloten. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij tot die tijd bij de moeder blijven wonen. Dit voorkomt dat de kinderen eerst tijdelijk naar de woning van de vader in [woonplaats2] moeten verhuizen om kort daarna weer te moeten verhuizen.
3.12.
Het hof acht het ook in het belang van [de minderjarige1] dat, alvorens hij (volgens de bestreden beschikking) bij de vader gaat wonen en daar naar school gaat, er duidelijkheid is of er een passende school is voor [de minderjarige1] in [de gemeente] . Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.8 vermeld zal begin september 2026 het door de basisschool [naam] gestarte onderzoek afgerond zijn. Naar het oordeel van het hof moet de uitkomst van dit onderzoek afgewacht worden. Met de uitkomst van dit onderzoek zal er immers duidelijkheid zijn of [de minderjarige1] op de basisschool [naam] of een andere school in [de gemeente] passend onderwijs kan krijgen. Het hof acht het van belang dat [de minderjarige1] in de tussenliggende periode naar school kan blijven gaan in de woonomgeving van de moeder ( [woonplaats1] ).
3.13.
Het hof neemt bij zijn oordeel ook in aanmerking dat wanneer het hof het schorsingsverzoek zou afwijzen, dit tot gevolg zou hebben dat de kinderen twee dagen na de mondelinge uitspraak van het hof op 12 augustus 2026 bij de vader in Noord-Holland zouden moeten gaan wonen en op 17 augustus 2026 daar op school zouden moeten starten. Het hof acht dit, mede gelet op de situatie die na de bestreden beschikking is ontstaan en waarbij de kinderen geen contact met de vader hebben gehad, een te plotselinge wijziging voor de kinderen. Met de beslissing van het hof zullen de kinderen vanaf 15 september 2026 of zodra later aan de hierna onder rechtsoverweging 3.14 te noemen twee voorwaarden is voldaan bij de vader gaan wonen. De moeder heeft hiermee de mogelijkheid om de kinderen de komende periode zorgvuldig, eventueel met behulp van al betrokken hulpverlening, voor te bereiden op de aanstaande veranderingen.
3.14.
Op grond van het bovenstaande zal het hof het verzoek van de moeder om de bestreden beslissingen over het hoofdverblijf en de (voorlopige) zorgregeling te schorsen, toewijzen voor de periode tot 15 september 2026. Als op die datum [de minderjarige1] nog niet definitief is toegelaten op een passende school in [de gemeente] en/of de woonunit van de vader nog niet is geplaatst en is aangesloten op de nutsvoorzieningen, geldt de schorsing van de bestreden beslissingen tot aan het moment waarop alsnog aan die beide voorwaarden is voldaan. Na afloop van deze periode moeten de bestreden beslissingen worden uitgevoerd.
Zorgregeling
3.15.
Het hof moet vervolgens beoordelen welke zorgregeling geldt voor de periode dat de werking van de bestreden beslissingen geschorst is, en de kinderen dus nog bij de moeder verblijven. Het hof verstaat dat voor deze periode als zorgregeling geldt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden bij de vader zijn van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur en vervolgens één weekend bij de moeder. Deze zorgregeling is overeenkomstig de zorgregeling die de rechtbank in de tussenbeschikking van 30 mei 2025 had bepaald voor de duur van het raadsonderzoek, en welke regeling destijds ook werd uitgevoerd. Bovendien wordt met deze zorgregeling alvast het contact tussen de vader en de kinderen hersteld, waardoor de overgang voor de kinderen minder groot zal zijn wanneer de bestreden beslissingen moeten worden uitgevoerd.
Verzoek vader voorlopige voorziening
3.16.
Het hof zal het verzoek van de vader om (kort gezegd) de moeder te bevelen de bestreden beslissingen uit te voeren en hieraan een dwangsom te verbinden, op de hierna te noemen wijze toewijzen. Weliswaar is namens de moeder ter zitting verklaard dat als het hof het schorsingsverzoek afwijst, de moeder dit zal accepteren, maar het hof is er niet van overtuigd geraakt dat de moeder daadwerkelijk zal meewerken aan de uitvoering van de bestreden beslissingen na afloop van de schorsingsperiode. De moeder heeft immers sinds de bestreden beschikking geen uitvoering gegeven aan de betreffende beslissingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de kinderen twee maanden in het geheel geen contact meer hebben gehad met de vader. Het hof acht dit een zorgelijke ontwikkeling en is dan ook van oordeel dat het verbinden van een dwangsom aan de beslissingen nodig is. Het verzoek van de vader zal daarom worden toegewezen voor zover het betreft de uitvoering van de bestreden beslissingen per 15 september 2026, dan wel zodra later aan beide gestelde voorwaarden is voldaan.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden , van 17 juni 2026, voor zover deze de beslissingen over de hoofverblijfplaats en de (voorlopige) zorgregeling betreft én voor zover het de periode tot 15 september 2026 betreft. Als op die dag [de minderjarige1] nog niet is toegelaten op een passende school in [de gemeente] en/of de woning van de vader nog niet is geplaatst en de nutsvoorzieningen nog niet zijn aangesloten, dan duurt de schorsing voort tot het moment waarop alsnog aan beide voorwaarden is voldaan;
4.2.
verstaat dat voor de periode dat de werking van de bestreden beslissingen is geschorst, als zorgregeling geldt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden bij de vader zijn van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur en vervolgens één weekend bij de moeder;
4.3.
beveelt de moeder om na afloop van de schorsing van de werking van de bestreden beslissingen, dus op 15 september 2026 of zodra later alsnog aan de twee voorwaarden is voldaan, uitvoering te geven aan de bestreden beschikking, inhoudende dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt en de reguliere zorgregeling wordt nageleefd, waarbij de kinderen doordeweeks bij de vader verblijven en de moeder de kinderen volgens de door de rechtbank vastgestelde driewekelijkse zorgregeling bij zich heeft, met inachtneming van de daarbij behorende haal- en brengregeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.G. Knot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is op 12 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en is op 18 augustus 2026 schriftelijk vastgelegd.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026).
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.372.268/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 199108)
beschikking van 12 augustus 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,verzoekster,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
en
[verweerder]
(de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
verweerder,
advocaat: mr. R. Smit te Noord-Scharwoude.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden .
1De procedure bij de rechtbank
1.1.
Het hof verwijst voor de procedure bij de rechtbank naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie [woonplaats1] , van 30 mei 2025 en 17 juni 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
1.2.
Bij de beschikking van 17 juni 2026 (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2014; en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019;
voor zover hun bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf de start van de zomervakantie in 2026 hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
- de volgende voorlopige zorgregeling bepaald:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven in de zomervakantie van 2026 de eerste vier weken bij de moeder en de laatste twee weken bij de vader, waarbij de kinderen met ingang van vrijdag 31 juli 2026 12.00 uur tot vrijdag 14 augustus 2026 12.00 uur bij de vader verblijven;
- bepaald dat aansluitend de navolgende reguliere zorgregeling geldt:
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven doordeweeks bij de vader;
- [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur bij de moeder en vervolgens één weekend bij de vader, waarbij de ouders ieder de helft van het halen en brengen van de kinderen voor hun rekening nemen zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.10 van de bestreden beschikking;
- ter vervanging van de toestemming van de moeder aan de vader toestemming verleend om met ingang van het schooljaar 2026/2027 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in te schrijven op de basisschool [naam] in [plaats1] .
De rechtbank heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. De procedure bij het hof in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met bijlage(n), ingekomen op 21 juli 2026;
- het verweerschrift tegen het schorsingsverzoek, tevens houdende een (zo merkt het hof het aan) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep, met bijlagen, ingekomen op 6 augustus 2026;
- een brief van de raad van 6 augustus 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- de stukken van de moeder, ingediend op 7, 10 en 11 augustus 2026, met bijlage(n).
2.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beslissingen heeft op 12 augustus 2026 plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten (mr. Van Kerkhof via een beeldbelverbinding).
2.3.
Het hof heeft, na een schorsing van de mondelinge behandeling, op grond van artikel 29a lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan.
3De motivering van de beslissing
Verzoeken in hoger beroep
3.1.
Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het betreft de onder 1 genoemde beslissingen over de hoofdverblijfplaats, de (voorlopige) zorgregeling en de vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op basisschool [naam] in [plaats1] .
3.2.
De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer. Daarnaast verzoekt hij het hof als voorlopige voorziening voor de duur van het geding in hoger beroep om de moeder te bevelen om binnen 24 uur na afgifte van de in deze te geven beschikking uitvoering te geven aan de bestreden beschikking. Die houdt in dat de kinderen alsnog overeenkomstig de daarin vastgestelde vakantieregeling bij de vader verblijven, waarna de reguliere zorgregeling wordt nageleefd, waarbij de kinderen doordeweeks bij de vader verblijven en de moeder de kinderen volgens de door de rechtbank vastgestelde driewekelijkse zorgregeling bij zich heeft, met inachtneming van de daarbij behorende haal- en brengregeling. Hij wil ook een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000, althans een door het hof te bepalen dwangsom.
Juridisch kader
3.3.
Hoger beroep schorst de werking van de bestreden beschikking, tenzij die beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360, lid 2, tweede volzin, Rv kan de hogere rechter, als hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
3.4.
De rechtbank heeft de hiervoor onder 1.2 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft deze beslissing toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid daarom alleen schorsen als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust of als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
Overwegingen van het hof
Schorsingsverzoek
3.5.
Het hof stelt voorop dat het feit dat de woning van de vader in [plaats1] verkocht is en hij dus moet verhuizen, geen nieuw feit betreft. Dit is immers tijdens de zitting bij de rechtbank besproken, zo blijkt uit het proces-verbaal, en het staat ook vermeld in de bestreden beschikking.
3.6.
Er hebben zich naar het oordeel van het hof na de bestreden uitspraak echter wel andere nieuwe feiten voorgedaan, waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Het gaat om de volgende nieuwe feiten.
3.7.
Ten eerste de huidige woonsituatie van de vader. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader op dit moment nog geen definitieve woonruimte tot zijn beschikking heeft. Hij heeft tijdelijk een woonruimte gehuurd in [woonplaats2] , waar hij momenteel verblijft. Daarnaast heeft hij een recreatiewoning gekocht in [plaats2] , waar hij met de kinderen wil gaan wonen, maar die eerst nog verbouwd moet worden.
3.8.
Een ander nieuw feit is dat er op dit moment onzekerheid is of [de minderjarige1] (opnieuw) zal worden toegelaten op de basisschool [naam] in [plaats1] . Dit is de school waar hij en [de minderjarige2] ook naartoe gingen voordat zij met de moeder in 2024 verhuisden naar [woonplaats1] . De vader heeft na de bestreden uitspraak [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ingeschreven op deze school. [de minderjarige2] is in elk geval toegelaten tot de school. Ten aanzien van [de minderjarige1] heeft de school - naar aanleiding van informatie die de school nadien van de moeder heeft ontvangen - besloten een onderzoek te verrichten naar de vraag of de school kan voldoen aan de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften die [de minderjarige1] volgens de moeder nodig heeft. De uitkomst van dit onderzoek zal naar verwachting begin september 2026 bekend zijn.
3.9.
Tot slot is een nieuw feit dat het contact tussen de kinderen en de vader sinds de bestreden uitspraak is verbroken. De kinderen hebben geen omgang met de vader gehad en de volledige zomervakantie bij de moeder verbleven. Zij verblijven daar op dit moment nog altijd.
3.10.
Het hof is van oordeel dat deze nieuwe feiten rechtvaardigen dat tot 15 september 2026 wordt afgeweken van de bestreden beslissingen, althans totdat is voldaan aan de hierna te noemen twee voorwaarden, en dat daarna de bestreden beslissingen moeten worden uitgevoerd. Het hof zal dit hierna toelichten.
3.11.
Met betrekking tot de door de vader gekochte woning in [plaats2] is ter zitting vast komen te staan dat de woning een recreatiewoning betreft. Uit het namens de vader op de zitting voorgelezen e-mailbericht van [de gemeente] (waaronder [plaats2] valt) leidt het hof af dat de vader en de kinderen mogen worden ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. De vader heeft verklaard dat het is toegestaan om daar 365 dagen per jaar te recreëren. Een voorwaarde is volgens de vader dat de kinderen en hij twee weken per jaar niet in de woning verblijven. De vader zal naar eigen zeggen in die periode met vakantie gaan en de kinderen zullen volgens de zorgregeling in elk geval meer dan twee weken per jaar niet in de recreatiewoning verblijven, omdat ze dan bij de moeder zijn.
Echter is ook gebleken dat de vader en de kinderen nu nog niet in deze woning kunnen wonen, omdat deze nog verbouwd moet worden. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat begin september 2026 een woonunit op het perceel naast de huidige recreatiewoning wordt bijgeplaatst en dat die dag de woonunit ook zal worden ingericht.
Gelet op het bovenstaande is het hof er in het kader van deze schorsingsprocedure voldoende van overtuigd geraakt dat de vader met de kinderen in de woonunit bij de recreatiewoning kan wonen zodra de woonunit is geplaatst en de nutsvoorzieningen zijn aangesloten. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij tot die tijd bij de moeder blijven wonen. Dit voorkomt dat de kinderen eerst tijdelijk naar de woning van de vader in [woonplaats2] moeten verhuizen om kort daarna weer te moeten verhuizen.
3.12.
Het hof acht het ook in het belang van [de minderjarige1] dat, alvorens hij (volgens de bestreden beschikking) bij de vader gaat wonen en daar naar school gaat, er duidelijkheid is of er een passende school is voor [de minderjarige1] in [de gemeente] . Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.8 vermeld zal begin september 2026 het door de basisschool [naam] gestarte onderzoek afgerond zijn. Naar het oordeel van het hof moet de uitkomst van dit onderzoek afgewacht worden. Met de uitkomst van dit onderzoek zal er immers duidelijkheid zijn of [de minderjarige1] op de basisschool [naam] of een andere school in [de gemeente] passend onderwijs kan krijgen. Het hof acht het van belang dat [de minderjarige1] in de tussenliggende periode naar school kan blijven gaan in de woonomgeving van de moeder ( [woonplaats1] ).
3.13.
Het hof neemt bij zijn oordeel ook in aanmerking dat wanneer het hof het schorsingsverzoek zou afwijzen, dit tot gevolg zou hebben dat de kinderen twee dagen na de mondelinge uitspraak van het hof op 12 augustus 2026 bij de vader in Noord-Holland zouden moeten gaan wonen en op 17 augustus 2026 daar op school zouden moeten starten. Het hof acht dit, mede gelet op de situatie die na de bestreden beschikking is ontstaan en waarbij de kinderen geen contact met de vader hebben gehad, een te plotselinge wijziging voor de kinderen. Met de beslissing van het hof zullen de kinderen vanaf 15 september 2026 of zodra later aan de hierna onder rechtsoverweging 3.14 te noemen twee voorwaarden is voldaan bij de vader gaan wonen. De moeder heeft hiermee de mogelijkheid om de kinderen de komende periode zorgvuldig, eventueel met behulp van al betrokken hulpverlening, voor te bereiden op de aanstaande veranderingen.
3.14.
Op grond van het bovenstaande zal het hof het verzoek van de moeder om de bestreden beslissingen over het hoofdverblijf en de (voorlopige) zorgregeling te schorsen, toewijzen voor de periode tot 15 september 2026. Als op die datum [de minderjarige1] nog niet definitief is toegelaten op een passende school in [de gemeente] en/of de woonunit van de vader nog niet is geplaatst en is aangesloten op de nutsvoorzieningen, geldt de schorsing van de bestreden beslissingen tot aan het moment waarop alsnog aan die beide voorwaarden is voldaan. Na afloop van deze periode moeten de bestreden beslissingen worden uitgevoerd.
Zorgregeling
3.15.
Het hof moet vervolgens beoordelen welke zorgregeling geldt voor de periode dat de werking van de bestreden beslissingen geschorst is, en de kinderen dus nog bij de moeder verblijven. Het hof verstaat dat voor deze periode als zorgregeling geldt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden bij de vader zijn van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur en vervolgens één weekend bij de moeder. Deze zorgregeling is overeenkomstig de zorgregeling die de rechtbank in de tussenbeschikking van 30 mei 2025 had bepaald voor de duur van het raadsonderzoek, en welke regeling destijds ook werd uitgevoerd. Bovendien wordt met deze zorgregeling alvast het contact tussen de vader en de kinderen hersteld, waardoor de overgang voor de kinderen minder groot zal zijn wanneer de bestreden beslissingen moeten worden uitgevoerd.
Verzoek vader voorlopige voorziening
3.16.
Het hof zal het verzoek van de vader om (kort gezegd) de moeder te bevelen de bestreden beslissingen uit te voeren en hieraan een dwangsom te verbinden, op de hierna te noemen wijze toewijzen. Weliswaar is namens de moeder ter zitting verklaard dat als het hof het schorsingsverzoek afwijst, de moeder dit zal accepteren, maar het hof is er niet van overtuigd geraakt dat de moeder daadwerkelijk zal meewerken aan de uitvoering van de bestreden beslissingen na afloop van de schorsingsperiode. De moeder heeft immers sinds de bestreden beschikking geen uitvoering gegeven aan de betreffende beslissingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat de kinderen twee maanden in het geheel geen contact meer hebben gehad met de vader. Het hof acht dit een zorgelijke ontwikkeling en is dan ook van oordeel dat het verbinden van een dwangsom aan de beslissingen nodig is. Het verzoek van de vader zal daarom worden toegewezen voor zover het betreft de uitvoering van de bestreden beslissingen per 15 september 2026, dan wel zodra later aan beide gestelde voorwaarden is voldaan.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden , van 17 juni 2026, voor zover deze de beslissingen over de hoofverblijfplaats en de (voorlopige) zorgregeling betreft én voor zover het de periode tot 15 september 2026 betreft. Als op die dag [de minderjarige1] nog niet is toegelaten op een passende school in [de gemeente] en/of de woning van de vader nog niet is geplaatst en de nutsvoorzieningen nog niet zijn aangesloten, dan duurt de schorsing voort tot het moment waarop alsnog aan beide voorwaarden is voldaan;
4.2.
verstaat dat voor de periode dat de werking van de bestreden beslissingen is geschorst, als zorgregeling geldt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] volgens een driewekelijkse cyclus telkens twee weekenden bij de vader zijn van vrijdagmiddag na school tot zondag 17.00 uur en vervolgens één weekend bij de moeder;
4.3.
beveelt de moeder om na afloop van de schorsing van de werking van de bestreden beslissingen, dus op 15 september 2026 of zodra later alsnog aan de twee voorwaarden is voldaan, uitvoering te geven aan de bestreden beschikking, inhoudende dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt en de reguliere zorgregeling wordt nageleefd, waarbij de kinderen doordeweeks bij de vader verblijven en de moeder de kinderen volgens de door de rechtbank vastgestelde driewekelijkse zorgregeling bij zich heeft, met inachtneming van de daarbij behorende haal- en brengregeling, zulks op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.G. Knot, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is op 12 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en is op 18 augustus 2026 schriftelijk vastgelegd.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026).