Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5279
2026-08-13
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.370.820/02
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 360 lid 2 Rv. Het hof heeft het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank, waarbij een gewijzigde voorlopige zorgregeling is vastgesteld, toegewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.004 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.370.820/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577533)
beschikking van 13 augustus 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[appellante]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. I.M. Thieme
en
[geïntimeerde] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. D.N. van Wensen
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 februari 2025 en 21 april 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 21 april 2026 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 18 juni 2026;
- het verweerschrift in de schorsingsprocedure.
2.2
De zitting was op 28 juli 2026. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
3De vaststaande feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020. [minderjarige] woont bij de moeder. De moeder en de vader hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3.2
De moeder en de vader zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 5 juli 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 juni 2021 in de registers van de burgerlijke stand. Het ouderschapsplan van 17 mei 2021 is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Dit plan behelst onder andere een zorgregeling.
3.3
Bij de beschikking van 10 februari 2025 heeft de rechtbank de beschikking van 17 juni 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan gewijzigd voor wat betreft de zorgregeling en als voorlopige zorgregeling, die geldt totdat partijen samen iets anders afspreken, vastgesteld:
- [minderjarige] heeft op vrijdag contact met de vader: de vader haalt [minderjarige] om 15.30 uur
op bij de moeder en brengt hem om 18.30 uur weer terug. De vader onderneemt buiten
aanwezigheid van de moeder met [minderjarige] iets in de buurt van de woning van de
moeder;
- de vader haalt [minderjarige] op zondag om 10.00 uur op bij de moeder en de moeder haalt
[minderjarige] om 18.00 uur op bij de ouders van de vader. De omgang vindt plaats bij de
ouders van de vader,
en de verdere beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank genoemde beschikking van 10 februari 2025 gewijzigd en de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:
Gedurende de eerste vier weken na de beschikking:
- [minderjarige] en de vader hebben in de ene week omgang met elkaar van vrijdag 15.30
uur tot 18.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] van school haalt en de overdracht zal
plaatsvinden om 15.30 uur bij het tankstation aan de [adres] in
[woonplaats1] , en de overdracht om 18.30 uur zal plaatsvinden bij een nader te bepalen
tankstation in de buurt van de vader;
- [minderjarige] en de vader hebben in de andere week omgang met elkaar van zaterdag
10.00
uur tot zondag 10.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij het
tankstation aan de [adres] in [woonplaats1] en de moeder [minderjarige] op
zondag ophaalt bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
Na verloop van vier weken vanaf de datum van de beschikking:
- [minderjarige] en de vader hebben in de ene week omgang met elkaar van vrijdag 15.30
uur tot 18.30 uur, waarbij de moeder Marwan van school haalt en de overdracht zal plaatsvinden om 15.30 uur bij het tankstation aan de [adres] in
[woonplaats1] , en de overdracht om 18.30 uur zal plaatsvinden bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
- [minderjarige] en de vader hebben in de andere week omgang met elkaar van zaterdag
10.00
uur tot zondag 14.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij het
tankstation aan de [adres] in [woonplaats1] en de moeder [minderjarige] op
zondag ophaalt bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing over de zorgregeling aangehouden tot 21 oktober 2026, in afwachting van de uitkomst van een raadsonderzoek naar welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
4De motivering van de beslissing
4.1
Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking voor zover daarbij de gewijzigde voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is vastgesteld, totdat op het hoger beroep zal zijn beslist. De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer en vraagt het verzoek van de moeder af te wijzen.
4.2
Hoger beroep schorst de werking van de beslissing, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.3
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet toegelicht. Het hof kan in dat geval de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de bestreden beschikking en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
4.4
De moeder wil dat de werking van de bestreden beschikking geschorst wordt. Zij vindt het niet verantwoord dat [minderjarige] nu in het weekend gaat overnachten bij de vader en dat er geen begeleiding tijdens de omgangsmomenten met de vader meer nodig is. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt niet goed. De vader kan moeilijk omgaan met de emoties en de agressieregulatieproblematiek van [minderjarige] . Bovendien wordt de vader strafrechtelijk vervolgd op verdenking van huiselijk geweld, dwingende controle en intieme terreur tijdens hun huwelijk. De rechtbank heeft geconstateerd dat er zorgen zijn en heeft de raad voor de kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de omgang. Volgens de moeder staat de beslissing haaks op dit door de rechtbank bepaalde onderzoek. Hoewel de vader, na onderling overleg, heeft toegezegd dat geen uitvoering hoeft te worden gegeven aan de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling totdat op het schorsingsverzoek van de moeder door het hof wordt beslist, voelt de moeder toch steeds de druk van de dreigementen van de vader om de bestreden beschikking wel na te komen.
4.5
De vader wil dat het schorsingsverzoek van de moeder wordt afgewezen. De rechtbank heeft de zaak voldoende aandacht gegeven en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat, in afwachting van het raadsrapport, de in de bestreden beschikking vastgestelde tijdelijke regeling nu al in het belang van [minderjarige] is. De vader ontkent de door de moeder gedane beschuldigingen van huiselijk geweld, dwingende controle en intieme terreur. Opvallend is volgens hem dat de moeder die beschuldigingen, die volgens haar zien op de huwelijkse periode, pas heeft geuit nadat hij het inleidend verzoek bij de rechtbank had ingediend. Bovendien betekent het feit dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd nog niet dat hij ook schuldig is. [minderjarige] geniet van de omgangsmomenten bij de vader en hij vraagt steeds of hij langer bij de vader mag zijn en of hij mag blijven overnachten.
4.6
Het hof zal het verzoek van de moeder om de werking van de bestreden beschikking te schorsen toewijzen. Gebleken is dat partijen op dit moment de in de bestreden beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling niet nakomen. De moeder voelt echter blijkbaar de druk van dreigementen van de vader om de voorlopige zorgregeling alsnog na te komen. De vader heeft de desbetreffende stellingen van de moeder omtrent de gang van zaken na de bestreden beschikking, zoals het weigeren van vervangende toestemming voor een vakantie tenzij de moeder de bestreden beschikking naleeft, niet ontkend. Tijdens de zitting van het hof is duidelijk geworden dat beide ouders een ander beeld hebben van wat [minderjarige] zegt en wil ten aanzien van de omgang met de vader. Het hof ziet daarnaast dat de rechtbank veel aandacht aan deze zaak heeft besteed, maar ziet ook een innerlijke tegenstrijdigheid in de bestreden beschikking. De rechtbank overweegt enerzijds dat er zorgen worden gezien bij de vader, namelijk dat hulpverleningsorganisatie Moviera heeft gemeld over bij de vader aanwezige kenmerken van dwingende controle en dat de rechtbank in de overgelegde geluidsfragmenten hoort dat de vader verbaal agressief tegen de moeder is geweest. De rechtbank overweegt ook dat de vader moet stoppen met negatief over de moeder te spreken met [minderjarige] . Al deze zorgen hebben de rechtbank aanleiding gegeven om een raadsonderzoek te gelasten om duidelijk te krijgen welke zorgregeling in dit geval het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank beslist desondanks anderzijds dat er nu al een voorlopige zorgregeling kan komen waarbij de tijd van [minderjarige] bij de vader wordt uitgebreid, inclusief een overnachting en dat die omgang niet meer begeleid hoeft te worden. Het hof acht het in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek niet in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling op dit moment al wordt uitgebreid zoals in de bestreden beschikking is bepaald. Beide partijen hebben verklaard dat het raadsonderzoek is opgestart en voorspoedig verloopt en zij hebben vernomen dat de raad zijn rapport op korte termijn bij de rechtbank zal indienen. Als de raad in dat rapport adviseert om een volledig andere en mogelijk zelfs een beperktere regeling vast te stellen, zal [minderjarige] al snel weer moeten wennen aan een andere regeling. Dit geeft onrust en is niet in zijn belang.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat het belang van de moeder bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vader bij uitvoering van die beschikking.
4.7
Het hof zal de kosten van deze procedure compenseren omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure hun minderjarige zoon betreft. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
5De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek van de moeder toe:
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 april 2026 voor zover daarin de beschikking van die rechtbank van 10 februari 2025 is gewijzigd en een voorlopige zorgregeling is vastgesteld;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 13 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.370.820/02
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577533)
beschikking van 13 augustus 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[appellante]
(de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. I.M. Thieme
en
[geïntimeerde] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. D.N. van Wensen
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 februari 2025 en 21 april 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 21 april 2026 wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 18 juni 2026;
- het verweerschrift in de schorsingsprocedure.
2.2
De zitting was op 28 juli 2026. Partijen waren daarbij aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
3De vaststaande feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2020. [minderjarige] woont bij de moeder. De moeder en de vader hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3.2
De moeder en de vader zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 5 juli 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 juni 2021 in de registers van de burgerlijke stand. Het ouderschapsplan van 17 mei 2021 is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Dit plan behelst onder andere een zorgregeling.
3.3
Bij de beschikking van 10 februari 2025 heeft de rechtbank de beschikking van 17 juni 2021 en het daaraan gehechte ouderschapsplan gewijzigd voor wat betreft de zorgregeling en als voorlopige zorgregeling, die geldt totdat partijen samen iets anders afspreken, vastgesteld:
- [minderjarige] heeft op vrijdag contact met de vader: de vader haalt [minderjarige] om 15.30 uur
op bij de moeder en brengt hem om 18.30 uur weer terug. De vader onderneemt buiten
aanwezigheid van de moeder met [minderjarige] iets in de buurt van de woning van de
moeder;
- de vader haalt [minderjarige] op zondag om 10.00 uur op bij de moeder en de moeder haalt
[minderjarige] om 18.00 uur op bij de ouders van de vader. De omgang vindt plaats bij de
ouders van de vader,
en de verdere beslissing over de zorgregeling aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hulpverlening.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank genoemde beschikking van 10 februari 2025 gewijzigd en de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:
Gedurende de eerste vier weken na de beschikking:
- [minderjarige] en de vader hebben in de ene week omgang met elkaar van vrijdag 15.30
uur tot 18.30 uur, waarbij de moeder [minderjarige] van school haalt en de overdracht zal
plaatsvinden om 15.30 uur bij het tankstation aan de [adres] in
[woonplaats1] , en de overdracht om 18.30 uur zal plaatsvinden bij een nader te bepalen
tankstation in de buurt van de vader;
- [minderjarige] en de vader hebben in de andere week omgang met elkaar van zaterdag
10.00
uur tot zondag 10.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij het
tankstation aan de [adres] in [woonplaats1] en de moeder [minderjarige] op
zondag ophaalt bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
Na verloop van vier weken vanaf de datum van de beschikking:
- [minderjarige] en de vader hebben in de ene week omgang met elkaar van vrijdag 15.30
uur tot 18.30 uur, waarbij de moeder Marwan van school haalt en de overdracht zal plaatsvinden om 15.30 uur bij het tankstation aan de [adres] in
[woonplaats1] , en de overdracht om 18.30 uur zal plaatsvinden bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
- [minderjarige] en de vader hebben in de andere week omgang met elkaar van zaterdag
10.00
uur tot zondag 14.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij het
tankstation aan de [adres] in [woonplaats1] en de moeder [minderjarige] op
zondag ophaalt bij een nader te bepalen tankstation in de buurt van de vader;
de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de beslissing over de zorgregeling aangehouden tot 21 oktober 2026, in afwachting van de uitkomst van een raadsonderzoek naar welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
4De motivering van de beslissing
4.1
Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking voor zover daarbij de gewijzigde voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] is vastgesteld, totdat op het hoger beroep zal zijn beslist. De vader voert hiertegen gemotiveerd verweer en vraagt het verzoek van de moeder af te wijzen.
4.2
Hoger beroep schorst de werking van de beslissing, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
4.3
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze beslissing niet toegelicht. Het hof kan in dat geval de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de bestreden beschikking en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.
4.4
De moeder wil dat de werking van de bestreden beschikking geschorst wordt. Zij vindt het niet verantwoord dat [minderjarige] nu in het weekend gaat overnachten bij de vader en dat er geen begeleiding tijdens de omgangsmomenten met de vader meer nodig is. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt niet goed. De vader kan moeilijk omgaan met de emoties en de agressieregulatieproblematiek van [minderjarige] . Bovendien wordt de vader strafrechtelijk vervolgd op verdenking van huiselijk geweld, dwingende controle en intieme terreur tijdens hun huwelijk. De rechtbank heeft geconstateerd dat er zorgen zijn en heeft de raad voor de kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van de omgang. Volgens de moeder staat de beslissing haaks op dit door de rechtbank bepaalde onderzoek. Hoewel de vader, na onderling overleg, heeft toegezegd dat geen uitvoering hoeft te worden gegeven aan de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling totdat op het schorsingsverzoek van de moeder door het hof wordt beslist, voelt de moeder toch steeds de druk van de dreigementen van de vader om de bestreden beschikking wel na te komen.
4.5
De vader wil dat het schorsingsverzoek van de moeder wordt afgewezen. De rechtbank heeft de zaak voldoende aandacht gegeven en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat, in afwachting van het raadsrapport, de in de bestreden beschikking vastgestelde tijdelijke regeling nu al in het belang van [minderjarige] is. De vader ontkent de door de moeder gedane beschuldigingen van huiselijk geweld, dwingende controle en intieme terreur. Opvallend is volgens hem dat de moeder die beschuldigingen, die volgens haar zien op de huwelijkse periode, pas heeft geuit nadat hij het inleidend verzoek bij de rechtbank had ingediend. Bovendien betekent het feit dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd nog niet dat hij ook schuldig is. [minderjarige] geniet van de omgangsmomenten bij de vader en hij vraagt steeds of hij langer bij de vader mag zijn en of hij mag blijven overnachten.
4.6
Het hof zal het verzoek van de moeder om de werking van de bestreden beschikking te schorsen toewijzen. Gebleken is dat partijen op dit moment de in de bestreden beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling niet nakomen. De moeder voelt echter blijkbaar de druk van dreigementen van de vader om de voorlopige zorgregeling alsnog na te komen. De vader heeft de desbetreffende stellingen van de moeder omtrent de gang van zaken na de bestreden beschikking, zoals het weigeren van vervangende toestemming voor een vakantie tenzij de moeder de bestreden beschikking naleeft, niet ontkend. Tijdens de zitting van het hof is duidelijk geworden dat beide ouders een ander beeld hebben van wat [minderjarige] zegt en wil ten aanzien van de omgang met de vader. Het hof ziet daarnaast dat de rechtbank veel aandacht aan deze zaak heeft besteed, maar ziet ook een innerlijke tegenstrijdigheid in de bestreden beschikking. De rechtbank overweegt enerzijds dat er zorgen worden gezien bij de vader, namelijk dat hulpverleningsorganisatie Moviera heeft gemeld over bij de vader aanwezige kenmerken van dwingende controle en dat de rechtbank in de overgelegde geluidsfragmenten hoort dat de vader verbaal agressief tegen de moeder is geweest. De rechtbank overweegt ook dat de vader moet stoppen met negatief over de moeder te spreken met [minderjarige] . Al deze zorgen hebben de rechtbank aanleiding gegeven om een raadsonderzoek te gelasten om duidelijk te krijgen welke zorgregeling in dit geval het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank beslist desondanks anderzijds dat er nu al een voorlopige zorgregeling kan komen waarbij de tijd van [minderjarige] bij de vader wordt uitgebreid, inclusief een overnachting en dat die omgang niet meer begeleid hoeft te worden. Het hof acht het in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek niet in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling op dit moment al wordt uitgebreid zoals in de bestreden beschikking is bepaald. Beide partijen hebben verklaard dat het raadsonderzoek is opgestart en voorspoedig verloopt en zij hebben vernomen dat de raad zijn rapport op korte termijn bij de rechtbank zal indienen. Als de raad in dat rapport adviseert om een volledig andere en mogelijk zelfs een beperktere regeling vast te stellen, zal [minderjarige] al snel weer moeten wennen aan een andere regeling. Dit geeft onrust en is niet in zijn belang.
Alles afwegende komt het hof tot het oordeel dat het belang van de moeder bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vader bij uitvoering van die beschikking.
4.7
Het hof zal de kosten van deze procedure compenseren omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en de procedure hun minderjarige zoon betreft. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
5De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek van de moeder toe:
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 april 2026 voor zover daarin de beschikking van die rechtbank van 10 februari 2025 is gewijzigd en een voorlopige zorgregeling is vastgesteld;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, K.A.M. van Os-ten Have en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 13 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)