Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5263

2026-08-11 Civiel recht; Insolventierecht 200.370.405
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.370.405
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 288 Fw. Verzoek om toelating tot de wsnp komt niet voor toewijzing in aanmerking onder meer vanwege een schuld op grond van een schadevergoedingsmaatregel wegens een eerder gepleegd misdrijf, een boete wegens zwartrijden en een boete wegens een snelheidsovertreding. Daarnaast heeft de schuldenaar zonder voorafgaand overleg en zonder noodzaak een auto op zijn naam gezet. Geen toepassing van de hardheidsclausule wegens het ontbreken van een voldoende saneringsgezinde houding. Bovendien is het onvoldoende aannemelijk geworden dat de schuldenaar aan de wsnp verplichtingen zal kunnen voldoen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.042 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.370.405
rekestnummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 2607266




arrest van 11 augustus 2026




in de zaak van





[de schuldenaar] ( [de schuldenaar] )

die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. C.A.M.H. Vink





1De procedure bij de rechtbank


1.1.
Bij vonnis van 11 juni 2026 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen het verzoek van [de schuldenaar] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp) afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.





2De procedure bij het hof


2.1.
Door middel van een op 18 juni 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [de schuldenaar] hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. De bedoeling van het hoger beroep is dat [de schuldenaar] alsnog wordt toegelaten tot de wsnp en wel met ingang van 13 maart 2026.



2.2.
Het hof heeft kennis genomen van:


het beroepschrift met producties


het bericht van mr. Vink van 25 juni 2026 met producties.





2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Hierbij is [de schuldenaar] verschenen bijgestaan door mr. Vink. Daarnaast is verschenen de heer [de beschermingsbewindvoerder] (de beschermingsbewindvoerder). Ter zitting heeft mr. Vink spreekaantekeningen overgelegd.





3De motivering van de beslissing in hoger beroep



De feiten




3.1.

[de schuldenaar] is op 11 oktober 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negentien maanden en twee weken in verband met een misdrijf dat hij in september 2018 heeft gepleegd. Daarbij is ten gunste van het slachtoffer een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan [de schuldenaar] van € 5.520,88 te vermeerderen met wettelijke rente. Tijdens dan wel na afloop van de strafprocedure is [de schuldenaar] enige tijd verbleven in Duitsland. Na zijn terugkeer in Nederland heeft [de schuldenaar] vanaf 12 januari 2024 in detentie gezeten. Op 18 januari 2025 is hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld.



3.2.

[de schuldenaar] volgt naar aanleiding van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling een traject bij de reclassering. De bijzondere voorwaarden rondom de voorwaardelijke invrijheidstelling lopen tot 28 januari 2027.



3.3.

[de schuldenaar] staat sinds 24 april 2025 voor een periode van vijf jaar onder beschermingsbewind van BilancioBudget B.V. Volgens de verklaring van de beschermingsbewindvoerder worden de vaste lasten sinds de aanvang van het bewind tijdig voldaan en houdt [de schuldenaar] hem van de relevante ontwikkelingen op de hoogte.



3.4.

[de schuldenaar] ontvangt een participatiewet uitkering en op 1 juli 2025 heeft hij een woning toegewezen gekregen in de gemeente [gemeentenaam] .



3.5.
Op 26 juni 2025 is [de schuldenaar] opgepakt op verdenking van overtreding van artikel 420bis lid 1 Wetboek van Strafrecht en artikel 18 lid 1 Geneesmiddelen. Hierna heeft hij van 1 juli tot en met 8 juli 2025 in preventieve hechtenis gezeten. [de schuldenaar] heeft verklaard dat hij tot op heden geen bericht heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie (OM) over het verdere verloop van de zaak.



3.6.
Op 13 maart 2026 is [de schuldenaar] toegelaten tot de schuldhulpverlening bij de gemeente [gemeentenaam] .



3.7.
Op 23 maart 2026 is het verzoek om toelating tot de wsnp gedaan. De schuldhulpverlener van [de schuldenaar] heeft verklaard dat er geen minnelijk traject is doorlopen omdat niet duidelijk is of alle schulden in beeld zijn.



3.8.
Het verzoekschrift vermeldt een totale schuldenlast van € 40.364,63. Tot de schulden behoort een vordering van het CJIB van € 5.050,25. Deze is opgebouwd uit een (restant) bedrag van € 4.695,57 van de schadevergoedingsmaatregel voor het in 2018 gepleegde misdrijf, een geldboete van € 119 voor zwartrijden en een WAHV-boete van € 235,68.



3.9.
Op 10 april 2026 heeft [de schuldenaar] , zonder voorafgaande toestemming van de beschermingsbewindvoerder, de auto van zijn vader op zijn naam laten zetten.



Het oordeel van de rechtbank





3.10.
De rechtbank heeft het verzoek van [de schuldenaar] om te worden toegelaten tot de wsnp afgewezen. De reden hiervoor is dat er nog een door het OM te beoordelen strafzaak openstaat en er gegronde vrees bestaat dat [de schuldenaar] de uit de wsnp voortvloeiende verplichtingen niet zal kunnen nakomen.



De stellingen van [de schuldenaar]





3.11.

[de schuldenaar] is het niet eens met de gevolgen die de rechtbank verbindt aan de zaak uit juni 2025 omdat het OM nog geen concrete beslissing heeft genomen over het verdere verloop van die zaak. Hierdoor kan niet worden gezegd dat het aannemelijk is dat hij niet aan de wsnp-verplichtingen zal kunnen voldoen, aldus [de schuldenaar] . Tegen het oordeel van de rechtbank dat hij, door zonder overleg een auto op zijn naam te zetten, niet heeft voldaan aan de informatieplicht, voert [de schuldenaar] aan dat hiervoor een praktische en urgente noodzaak binnen het gezin bestond. Bovendien heeft hij de beschermingsbewindvoerder hiervan dezelfde dag op de hoogte gesteld, aldus [de schuldenaar] . [de schuldenaar] geeft aan dat hij met de hulp die hij heeft ingeschakeld de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen, zodat zijn verzoek om toelating tot de wsnp zo nodig met toepassing van de hardheidsclausule voor toewijzing in aanmerking komt.



Het oordeel van het hof




- Schadevergoedingsmaatregel




3.12.
Met het arrest uit oktober 2022 is de schadevergoedingsmaatregel in verband met het misdrijf uit 2018 onherroepelijk geworden. Dat is binnen een periode van vijf jaar voorafgaand aan het wsnp-verzoek van [de schuldenaar] . Dit betekent dat deze schuld op grond van de schadevergoedingsmaatregel in de weg staat aan een toewijzing van het toelatingsverzoek (artikel 288 lid 2 aanhef en onder c Fw). Het hof rekent het [de schuldenaar] bovendien aan dat hij deze schuld vrijwel de gehele periode onbetaald heeft gelaten. Met uitzondering van de inhoudingen tijdens zijn detentie heeft [de schuldenaar] zich niet ingespannen om op deze schuld uit de opgelegde schadevergoedingsmaatregel af te lossen hetgeen gezien de aard en ernst van het misdrijf zelfs aanleiding kan geven om een langere termijn dan vijf jaar in acht te nemen.


- Nieuwe CJIB schulden




3.13.
Daarnaast heeft [de schuldenaar] een boete wegens zwartrijden. Zo’n boete geldt naar zijn aard als een schuld die niet te goeder trouw is aangegaan en staat gelet op het ontstaansmoment in de weg aan toelating tot de wsnp (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). [de schuldenaar] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij kort na zijn voorlopige invrijheidstelling in januari 2025 heeft zwart gereden omdat hij vanaf zijn huis naar de reclassering in het centrum moest maar geen geld op de OV-chipkaart had staan. Hij had ook geen fiets. Het gebruikmaken van het openbaar vervoer zonder geldig vervoersbewijs is tegen de regels en brengt het risico van een boete mee. Dit getuigt niet van een saneringsgezinde houding.



3.14.
De beschermingsbewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de WAHV-boete betrekking heeft op een snelheidsovertreding die [de schuldenaar] heeft begaan na het instellen van het beschermingsbewind. Deze boete is ook een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan en staat daarmee aan toewijzing van het toelatingsverzoek in de weg (artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Fw). Verder heeft [de schuldenaar] zich niet gehouden aan zijn informatieplicht tegenover zijn beschermingsbewindvoerder. Hij heeft zonder voorafgaande toestemming en zonder noodzaak een auto op zijn naam gesteld. Niet valt in te zien dat er geen tijd was om daarover overleg te plegen met zijn beschermingsbewindvoerder, voordat die auto van zijn vader op zijn naam werd overgeschreven. Bovendien is de reden ervan niet te billijken. Het hof deelt de visie van [de schuldenaar] niet dat er geen andere mogelijkheid bestond dan de auto op zijn naam te zetten. Juist gezien de problematische schuldensituatie is het niet uit te leggen dat [de schuldenaar] een auto op zijn naam zou moeten zetten. De daarmee gepaard gaande maandelijks kosten zou de beschermingsbewindvoerder bijvoorbeeld kunnen sparen in een apart potje voor de schadevergoedingsmaatregel. Bovendien heeft [de schuldenaar] ook nog eens een snelheidsovertreding begaan met deze auto. Een en ander geeft evenmin blijk van een saneringsgezinde houding.



- Geen toepassing van de hardheidsclausule




3.15.
Het valt te prijzen dat [de schuldenaar] sinds zijn voorlopige invrijheidstelling met hulp van diverse instanties een stabiele situatie voor zichzelf heeft weten te creëren. Tegenover de goede stappen die [de schuldenaar] heeft gezet en de tevredenheid bij zijn hulpverleners voor wat betreft zijn inzet, staat hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het ontbreken van een voldoende saneringsgezinde houding. Daarnaast neemt het hof het voorval in juni 2025 in aanmerking, waarbij hij is aangehouden op verdenking van een misdrijf waarvoor hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten. [de schuldenaar] heeft hierover verklaard dat hij zich op het verkeerde moment, op de verkeerde plaats heeft bevonden en dat hij niet wist van enig strafbaar feit. Wat daar van zij, gelet op de onzekerheid of [de schuldenaar] als gevolg hiervan eventuele strafrechtelijke consequenties zal ondervinden, is daarmee niet voldoende aannemelijk geworden dat hij zal kunnen voldoen aan de wsnp-verplichtingen. Bij een eventuele veroordeling kan bovendien niet worden gesproken van een saneringsgezinde houding. Dat [de schuldenaar] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden nog onvoldoende onder controle heeft, blijkt ook uit het feit dat zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling is verlengd om zijn behandeling bij de forensische polikliniek af te ronden. Dit laatste heeft bovendien tot gevolg dat [de schuldenaar] nog niet in staat is om te werken wat bijdraagt aan het oordeel dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat hij zal kunnen voldoen aan de wsnp-verplichtingen.



Conclusie




Op grond van al de hiervoor genoemde omstandigheden komt het verzoek van [de schuldenaar] om toegelaten te worden tot de wsnp niet voor toewijzing in aanmerking, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd.






4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 11 juni 2026.




Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, L.J. de Kerpel-van de Poel en H.M.L. Dings en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2026.









Hoge Raad 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1411