Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5243

2026-08-11 Civiel recht 200.360.081/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.360.081/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Externe bestuurdersaansprakelijkheid. De gemeente vordert betaling van een bedrag ter grootte van de leges die een vennootschap verschuldigd is waarvan de bestuurders (deels indirect) het bestuur vormden. De vennootschap die de leges verschuldigd is, biedt geen verhaal. Naar het oordeel van het hof hebben de bestuurders welbewust een voorzienbaar, voor rekening van de vennootschap komend financieel risico op het bord van de gemeente geschoven. Zij zijn daarvoor persoonlijk aansprakelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (22.025 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN





locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.360.081/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 137472





arrest van 11 augustus 2026




in de zaak van





1Beja Beheer B.V.
die is gevestigd in Hoogeveen
2. Behaco B.V.
die is gevestigd in Hoogeveen
3. Cobra B.V.
die is gevestigd in Hoogeveen
4. [appellant4]
die woont in [woonplaats1]
5. [appellant5]

die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. C.J. van Dijk



Samen de bestuurders te noemen



en




Gemeente Utrecht

die is gevestigd in Utrecht
advocaat: mr. H. Dulack






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


De bestuurders hebben bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 7 september 2022, 13 november 2024 en 21 mei 2025 tussen partijen zijn uitgesproken door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de dagvaarding in hoger beroep, de memories van grieven en antwoord en het verslag van de mondelinge behandeling die op 6 juli 2026 is gehouden (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.






De kern van de zaak, vaststaande feiten en de vorderingen





Het geschil in het kort




1.1
In deze procedure vordert de gemeente betaling van een bedrag ter grootte van de leges die een vennootschap verschuldigd is waarvan de bestuurders (indirect) het bestuur vormden. De vennootschap die de leges verschuldigd is, biedt geen verhaal. Dat geschil heeft de volgende, vaststaande feitelijke achtergrond.



De locatie die bedoeld was voor veilige raamprostitutie; de tender





1.2
In 2015 is de gemeente op zoek gegaan naar investeerders voor het financieren en bouwen van een locatie ten behoeve van raamprostitutie in Utrecht (project Het Nieuwe Zandpad). Dit project is opgezet om een ‘schone’ prostitutiesector mogelijk te maken, nadat de locatie het Oude Zandpad vanwege vermoedens van mensenhandel moest worden gesloten. Deze investeerders dienden voor eigen rekening en risico werkruimtes voor raamprostitutie te realiseren op een locatie die zij van de gemeente zouden huren. Direct na het doorlopen van het tenderproces zou de procedure op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur worden toegepast (Wet Bibob). De gemeente zou zich daarbij laten adviseren door het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Bij een negatief besluit zou geen onvoorwaardelijke overeenkomst worden aangegaan. Op basis van de planning in de Selectieleidraad zou de Bibob-procedure moeten zijn afgerond op 24 februari 2016, waarna de definitieve gunning zou moeten plaatsvinden. De Bibob-procedure liep echter vertraging op.



De inschrijving; de huurovereenkomst met Beja Accommodaties





1.3
Op 18 juli 2016 - de Bibob-procedure was nog niet afgerond - heeft de gemeente de hiervoor bedoelde huurovereenkomst gesloten met Beja Accommodaties B.V. Die vennootschap was voor dat doel op 13 mei 2016 opgericht, met appellanten als haar (indirecte) bestuurders. Beja Accommodaties beschikte zelf niet over de benodigde financiële middelen en sloot ten behoeve van het project op 4 juli 2016 een financieringsovereenkomst met Koppel Finance B.V.



1.4
Artikel 36 van de huurovereenkomst bepaalt dat de gemeente de overeenkomst onmiddellijk en naar eigen keuze kan opschorten, ontbinden of beëindigen, zonder gehouden te zijn tot vergoeding van eventuele schade en zonder daarbij een termijn in acht te hoeven nemen, indien en voor zover (i) sprake is van tenminste een mindere mate van gevaar dat mede strafbare feiten zullen worden gepleegd in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft of (ii) sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat Beja Accommodaties in relatie staat tot strafbare feiten. Reeds betaalde of opeisbaar geworden bedragen blijven bij ingeval van ontbinding verschuldigd. Deze bepaling (de Bibob-clausule) is opgenomen omdat ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst nog geen advies vanuit LBB was uitgebracht. De hierna te bespreken ontbinding is gebaseerd op dit artikel.



1.5
Op grond van artikel 25 van de huurovereenkomst kon de gemeente ook besluiten de gunning niet langer gestand te doen en de overeenkomst te ontbinden als de benodigde publiekrechtelijke APV exploitatievergunning(en) niet binnen 12 maanden, na ondertekening van de overeenkomst door de Beja Accommodaties, zou(den) zijn verleend (bijvoorbeeld vanwege een negatief Bibob-advies). Iedere partij zou in dat geval zijn eigen kosten dragen. Van deze mogelijkheid heeft de gemeente geen gebruik gemaakt.



1.6
Vier dagen na het sluiten van de huurovereenkomst, op 22 juli 2016, heeft Beja Accommodaties een omgevingsvergunning aangevraagd. Die is op 27 oktober 2026 verleend. Op 10 november 2016 is hiervoor € 194.659,60 aan leges in rekening gebracht, te voldoen voor 10 december 2016. Na bezwaar is op 27 januari 2017 een creditnota van € 26.849,60 gestuurd, zodat per saldo € 167.810 aan leges verschuldigd was.



De ontbinding van de huurovereenkomst





1.7
Een dag na het sluiten van de huurovereenkomst, en enkele dagen voor de aanvraag van de omgevingsvergunning, op 19 juli 2016, heeft de Gemeente het LBB advies gevraagd over de vastgoedtransactie (de huurovereenkomst) met Beja Accommodaties. Op 18 november 2016 constateerde LBB een ernstig gevaar dat strafbare feiten zouden worden gepleegd met de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking had. De redenering was dat Beja Accommodaties nauw bleek samen te werken met een zekere X, die betrokken leek te zijn bij de feitelijke leiding over het project. Deze X had tussen maart 1999 en april 2012 structureel strafbare feiten begaan, waaronder meerdere geweldsmisdrijven tegen vrouwen. Beja Accommodaties en X stonden volgens het LBB tot elkaar in een zakelijk samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 3 lid 4 aanhef en onder c van de Wet Bibob.



1.8
Op basis van dit advies heeft de gemeente Beja Accommodaties op 1 december 2016 geïnformeerd over haar voornemen de huurovereenkomst te beëindigen op grond van de Bibob-clausule. Nadat daartegen bezwaar was gemaakt, is een aanvullend advies van LBB gevraagd. Ook daarin werd geconcludeerd dat sprake was van een ernstig gevaar dat strafbare feiten zouden worden gepleegd in of met de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking had. Dat was aanleiding voor de gemeente om de overeenkomst op 19 januari 2017 op de in de overeenkomst voorgeschreven wijze te ontbinden. Die beslissing staat inmiddels vast.



Betalingsonmacht van Beja Accommodaties





1.9
Kort na deze ontbinding, op 31 januari 2017, heeft Koppel Finance de financieringsovereenkomst met Beja Accommodaties beëindigd. Beja Accommodaties heeft zich daartegen niet verzet. Door het wegvallen van de financiering was Beja Accommodaties niet meer in staat de leges te betalen.



Het verwijt aan de bestuurders van Beja Accommodaties; de bestreden beslissing





1.10
De gemeente is van oordeel dat de bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld, en heeft bij de rechtbank gevorderd dat zij worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de onbetaald gebleven leges (€ 167.810), vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat alsnog afwijzing van het gevorderde volgt.








2De toelichting op de beslissing van het hof



De te nemen beslissing




2.1
Het hof zal beslissen dat de bestreden vonnissen in stand blijven en licht dat hierna toe.



De grondslag van de vordering





2.2
De vordering is toegewezen omdat de rechtbank bewezen heeft geacht dat de bestuurders een risicovol project zijn aangegaan, terwijl zij wisten of behoorden te begrijpen dat de gemeente schade zou lijden als de Bibob-procedure niet positief zou worden afgerond. Dat oordeelde de rechtbank onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig, en verplichtte de bestuurders (ieder voor zich) de schade te vergoeden die de gemeente daardoor heeft geleden.



De opeisbaarheid van de leges





2.3
De leges moesten voor 10 december 2016 zijn betaald. De bestuurders beroepen zich erop dat deze nog niet opeisbaar waren toen de gemeente ruim een week eerder, op 1 december dat jaar, een vooraankondiging deed. Volgens de bestuurders werd de huurovereenkomst daarmee op die datum ‘de facto’ ontbonden. Toen was immers al sprake van een ‘onafwendbare beëindiging’ ervan, omdat het daarna, gelet op het Bibob-onderzoek en de context (een geschiedenis van mishandeling in relatie tot kwetsbare vrouwen in de prostitutie), uitgesloten was dat door Beja Accommodaties nog bedrijfsruimten voor sekswerkers zouden worden gerealiseerd en geëxploiteerd.



2.4
Deze redenering vindt geen enkele steun in de huurovereenkomst, en is ook niet te verenigen met het bezwaar dat tegen de voorgenomen ontbinding daarvan is gemaakt. De overeenkomst schrijft bovendien in artikel 36 voor dat ontbinding per aangetekend schrijven of deurwaardersexploot dient plaats te vinden. Aan dat vormvoorschrift is pas op 19 januari 2017 voldaan. Tot die tijd gold de overeenkomst dus nog onverkort tussen partijen. Bij het bezwaar dat tegen de voorgenomen ontbinding was ingediend, ging Beja daar ook vanuit: dat bezwaar had juist tot doel de ontbinding te voorkomen.



2.5
Subsidiair is door de bestuurders aangevoerd dat de leges op 19 januari 2019 ook nog niet opeisbaar waren omdat er bezwaar tegen was gemaakt. Pas later, op 27 januari 2017, is een creditnota gestuurd. Tot die tijd was de opeisbaarheid volgens de bestuurders ‘opgeschort’.



2.6
Dat standpunt vindt geen steun in het recht: Artikel 6:16 Awb bepaalt immers dat bezwaar of beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet schorst, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat laatste is niet het geval.



2.7
Ook is de suggestie ongefundeerd dat de gemeente bewust de datum van ontbinding voor zich uit heeft geschoven om zo de factuur als opeisbaar te kunnen kwalificeren. Daarvoor ontbreekt elke aanwijzing. Het argument is bovendien niet te rijmen met het eveneens door de bestuurders aan de gemeente gemaakte verwijt dat deze juist te snel tot ontbinding is overgegaan; dat de huurovereenkomst niet eerder dan op 19 januari 2017 is ontbonden, is juist een gevolg van het feit dat tegen het voornemen tot ontbinding bezwaar door Beja Accommodaties was gemaakt.



Het beroep op het in artikel 25 van de huurovereenkomst geregelde alternatief





2.8
Als de opzegging zou zijn gebaseerd op artikel 25 van de overeenkomst, zouden de contractspartijen ieder de eigen kosten hebben gedragen. Het enkele feit dat de gemeente heeft gekozen voor ontbinding op grond van de Bibob-clausule, terwijl voor haar ook de weg van artikel 25 open stond, moet in de ogen van de bestuurders niet worden gehonoreerd met een voordeel c.q. worden bestraft met een nadeel van ca 167.000.



2.9
Ook dit argument gaat niet op. Het hof herinnert bij de beoordeling van dit verweer aan hetgeen door dit hof in het arrest van 5 maart 2019 in rechtsoverweging 5.20 werd overwogen: de Bibob-clausule zelf geeft de gemeente al het recht een eigen keuze te maken. Weliswaar kent dat artikel ook de mogelijkheid van opschorting, maar een verplichting van de gemeente om daar onder bepaalde omstandigheden toe over te gaan, ontbreekt. Hetzelfde geldt voor de keuze die de gemeente kon maken tussen de ontbindingsbevoegdheid uit artikel 25 en een beroep op de Bibob-clausule. Met de keuze voor artikel 25 zou zij zichzelf benadelen, omdat zij dan met de kosten van de vergunningsaanvraag zou zijn blijven zitten. Er bestond voor de gemeente geen enkele verplichting om dat nadeel te dragen. Integendeel, de Bibob-clausule is juist specifiek in de overeenkomst opgenomen om dat te voorkomen.



De kern van het aan de bestuurders gemaakte verwijt: geen middelen voor betaling van de leges bij het niet doorgaan van het project





2.10
In de ogen van de rechtbank wisten de bestuurders (zij hadden althans moeten begrijpen) dat de financiële verplichting die Beja Accommodaties tegenover de gemeente was aangegaan niet afdoende door externe financiering was gedekt. Die conclusie trekt de rechtbank kort gezegd omdat het volgens de bestuurders zelf duidelijk was dat Koppel Finance zich niet aan de financieringsovereenkomst gebonden zou achten en geen gelden ter beschikking zou stellen als het Bibob-advies negatief zou uitvallen en het project geen doorgang zou vinden. Er zou dan dus ook geen dekking zijn voor opeisbare vorderingen die ten tijde van de ontbinding van de huurovereenkomst inmiddels zouden zijn ontstaan (de leges).



2.11
De bestuurders verzetten zich tegen deze redenering. Dat de financiering niet ter beschikking zou komen, was op het moment van het tekenen van de huurovereenkomst voor hen niet objectief te voorzien, omdat ze niet wisten dat X vrouwen had mishandeld. Voorzienbaar was dus evenmin dat de financiering zou wegvallen en dat de projectvennootschap geen verhaal zou bieden voor de leges. Daarom treft volgens de bestuurders hen geen ernstig verwijt van onrechtmatig handelen jegens de gemeente.



2.12

Deze argumentatie berust op een onjuiste uitleg van het bestreden vonnis. Kern van het door de rechtbank aan de bestuurders gemaakte ernstige verwijt is niet dat zij op de hoogte waren of hadden moeten zijn van het belaste verleden van X, maar dat zij wisten dat als het Bibob-advies negatief zou uitpakken, de financiering voor het project zou wegvallen, waardoor Beja Accommodaties dus ook de leges niet zou kunnen voldoen. Op deze wijze werd door de (indirecte) bestuurders van Beja welbewust een voorzienbaar, voor rekening van Beja Accommodaties komend financieel risico de facto op het bord van de gemeente geschoven. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bestuurders van Beja de voorwaarde waaronder de financiering was verstrekt niet met de gemeente hebben gedeeld. Voor het overige is het oordeel van de rechtbank over het onrechtmatige karakter van dat handelen in hoger beroep niet bestreden. Hierop strandt de in overweging 2.11 weergegeven grief.
Dat de rechtbank dit handelen van de bestuurders onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig jegens de gemeente heeft geoordeeld, acht het hof in het licht van de stukken en de stellingen van partijen bovendien alleszins begrijpelijk.




Het beroep op eigen schuld





2.13
Het beroep op eigen schuld aan de zijde van de gemeente is er onder meer op gebaseerd dat het aangaan van een huurovereenkomst en de Bibob-procedure in tijd gelijk zijn gaan lopen, omdat de gemeente in die procedure telkens met nieuwe vragen kwam. Beja Accommodaties moest daaraan nu eenmaal gehoor geven, en dat heeft tot vertraging geleid. Als die vertraging niet zou zijn ontstaan, zou de uitkomst van het Bibob-onderzoek tot gevolg hebben gehad dat geen huurovereenkomst zou worden gesloten en geen leges verschuldigd zouden zijn geworden. De gemeente kan worden verweten dat zij de huurovereenkomst te vroeg heeft opgesteld en ter ondertekening aan Beja Accommodaties heeft voorgelegd, zo redeneren de bestuurders; met die overeenkomst had gewacht kunnen worden totdat de uitslag van het onderzoek bekend was. De haast van de gemeente heeft ertoe geleid dat de bestuurders nu afgerond € 170.000, rente en kosten moeten ophoesten.



2.14
De bestuurders miskennen bij dit verwijt hun eigen rol. Zij hebben immers destijds zelf ingestemd met het tekenen van de overeenkomst en met het feit dat daarin de Bibob-clausule juist is opgenomen in verband met het feit dat de desbetreffende procedure uitliep en het resultaat ervan toen nog niet bekend was. Dat de gemeente van die vertraging op enigerlei wijze een verwijt van kan worden gemaakt, blijkt nergens uit.



2.15
Daarnaast verwijten de bestuurders de gemeente dat zij geen hoofdelijke mede-aansprakelijkheid van Beja Beheer heeft verlangd toen Beja Accommodaties als uitvoerende contractspartij werd voorgesteld, of een bankgarantie hebben gevraagd; het is ook de gemeente geweest die niet heeft toegezien op het stellen van de in de huurovereenkomst voorziene bankgarantie.



2.16
Het hof ziet zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt - niet in waarom een en ander omstandigheden betreft die aan de gemeente kunnen worden toegerekend.



2.17
Verder wordt door de bestuurders nog het standpunt betrokken dat het ook voor de gemeente destijds duidelijk was, althans had moeten zijn, dat aan de financieringsafspraak met Koppel Finance de impliciete voorwaarde verbonden was dat de toegezegde gelden niet ter beschikking zouden komen als het project niet door zou gaan. Ook dit argument wordt door het hof verworpen. Het hof is het met de gemeente eens dat zij op het bestaan van deze voorwaarde niet bedacht hoefde te zijn, nu de tekst van de financieringsovereenkomst haar daarvoor geen aanleiding gaf en de bestuurders haar van dit voorbehoud niet op de hoogte hebben gesteld.





De hoogte van de vordering





2.18
De bestuurders bestrijden verder dat schade is geleden ter hoogte van de onbetaald gelaten leges. De gemeente moet, naar zij menen, aantonen dat (en in hoeverre) daadwerkelijk vergeefs als schade aan te merken kosten zijn gemaakt in verband met de vergunningverlening. Zij kan haar schadevordering niet baseren op een bedrag aan leges dat is bepaald aan de hand van een daarvoor opgestelde tabel, en dat niet is gebaseerd op de werkelijke vergeefs gemaakte kosten.



2.19
Ook hierin volgt het hof de bestuurders niet. De gemeente heeft bij de onderbouwing van haar vordering terecht vooropgesteld dat uit artikel 229b Gemeentewet volgt dat de geraamde opbrengsten uit leges niet hoger mogen zijn dan de geraamde kosten die worden gemaakt voor de betreffende diensten. De beoordeling van de vraag of deze opbrengstennorm wordt geschonden, vindt plaats op macroniveau. Het gaat dan om de totale legesheffing voor alle in de verordening genoemde diensten. Van individuele diensten wordt (onbestreden) geen urenregistratie bijgehouden; de hoogte van de leges wordt jaarlijks vastgesteld op basis van kostendekkende normbedragen.



2.20
De bestuurders hebben deze uitgangspunten niet bestreden, en hebben ook niet onderbouwd dat en waarom deze norm in dit geval zou zijn geschonden. Gegeven het feit dat het hier volgens alle betrokken partijen om complexe materie gaat (er is nog steeds geen aanbesteding gedaan), en het feit dat met de beoordeling van de vergunningaanvraag maanden gemoeid waren (en niet slechts enkele dagen, zoals de bestuurders suggereren), is er ook geen reden om dat wel aan te nemen. Ook dit verweer faalt dus.



De conclusie





2.21
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de bestuurders in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Nu de bestuurders geen verweer hebben opgeworpen tegen hoofdelijke veroordeling tot het betalen van die kosten, zal het hof hen daartoe veroordelen, op de wijze als in het dictum bepaald.






3De beslissing


Het hof:



3.1
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 7 september 2022, 13 november 2024 en 21 mei 2025;



3.2

veroordeelt de bestuurders hoofdelijk, des dat de een betaalt de ander zal zijn gekweten, tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeente:
€ 6.803 aan procedurele kosten
€ 7.594 aan salaris van de advocaat van de gemeente (2 procespunten x het toepasselijke tarief V)




3.3
wijst af wat verder is gevorderd.



Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, P.S. Bakker en M. Lennarts, is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
11 augustus 2026.









Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2019, ECLI:NL:GHARL: 2019:2010.