Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5240

2026-08-11 Civiel recht 200.352.516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-11
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.352.516
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geschil over inhoud mondeling gemaakte afspraken tussen ondernemers in de siervissen- en vijverbranche. Bewijsopdracht.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.461 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht, handel



zaaknummer gerechtshof: 200.352.516/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden: 194429)





arrest van 11 augustus 2026





in de zaak van






[appellant] ( [appellant] )

die handelde onder de naam [naam1]
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. P.W.M. Steenbergen



en





[geïntimeerde] ( [geïntimeerde] )

die handelt onder de namen [naam2] en [naam3]
die woont en zaken doet in [woonplaats2]
advocaat: mr. E. van Meulen






1Het verloop van het geding in hoger beroep


1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:- de appeldagvaarding van 27 februari 2025


de memorie van grieven


de memorie van antwoord





1.2
Op 1 juli 2026 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgehad. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt, dat deel uitmaakt van het procesdossier.



1.3
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd. Daarna heeft het hof een datum voor arrest bepaald.






2De feiten


2.1

[appellant] heeft een onderneming gedreven op het gebied van vijveraanleg, Koi karpers en landschapsverzorging. Hij had ook een winkel.



2.2

[geïntimeerde] drijft een eenmanszaak onder de naam [naam2] die zich onder andere bezighoudt met de kweek en verkoop van siervissen.


2.3

[appellant] is in 2021 op zoek gegaan naar een potentiële koper voor zijn winkel. Hij heeft daarvoor [geïntimeerde] benaderd.



2.4
Vervolgens heeft tussen partijen meermaals overleg en appverkeer via Whatsapp plaatsgevonden.



2.5

[appellant] heeft zijn bedrijfsactiviteiten eind 2021 gestaakt.



2.6
Op 28 april 2022 hebben [appellant] en [geïntimeerde] contact met elkaar gehad via Whatsapp:



[11:14 uur: [appellant] ] Kan jij mij al wat meer vertellen voor het contact. Ze willen het afmaken maar dan moet het er natuurlijk wel instaan. Gr [appellant]


[11:19 uur: [geïntimeerde] ] Ja ben ik mee bezig, wat had jij in gedachten? 1.850,- eerst starten?


[14:27 uur: [appellant] ] Dat zou kunnen maar dan gaat dit 8 jaar duren met dit bedrag per maand.


[14:32 uur: [geïntimeerde] ] Was ook starten en vrij inleggen toch?





2.7
Op een gegeven moment is op het Facebook-account van [naam2] het een bericht geplaatst waarin onder meer wordt vermeld:



De deal is rond [naam1] en ik zijn naar een aantal maanden overleg eruit gekomen en wij hebben deze fantastische koizaak waarin erg hoge kwaliteit zwemt over gekocht.





2.8
Partijen hebben afspraken gemaakt over door [geïntimeerde] aan [appellant] te verrichten betalingen. In de periode van 15 juni 2022 tot en met 20 mei 2023 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] € 13.431,- betaald.



2.9
Op 12 mei 2023 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een appbericht gestuurd over de betaling van openstaande facturen:



[20:30 uur: [appellant] ] Ik heb rekening gehouden met elke maand mijn geld te ontvangen van de verkoop van mijn winkel. Er zijn nu 12 maanden voorbij en er zijn er 5 betaald en staan er nog 7 open nu.




Daarop heeft [geïntimeerde] op 15 mei 2023 aan [appellant] geantwoord:




[21.27 uur: [geïntimeerde] ] Hey [appellant] , ik zat even in een lastige situatie, is het goed dat ik je morgen even bel, we komen er wel uit. Misschien moeten we het even anders opzetten. Gr. [geïntimeerde]





2.10
Partijen hebben nadien opnieuw afspraken gemaakt over door [geïntimeerde] aan [appellant] te verrichten betalingen. [geïntimeerde] heeft in de periode van 21 juli 2023 tot en met 7 december 2023 in totaal € 4.114,- aan [appellant] betaald.



2.11
Op de facturen die [appellant] aan [geïntimeerde] heeft verstuurd staat onder meer vermeld: “maandelijks bedrag aankoop winkel inventaris (…)”.



2.12

[geïntimeerde] heeft in totaal € 17.545,- aan [appellant] betaald.



2.13
Op 12 februari 2024 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] per brief in gebreke gesteld en hem gesommeerd om binnen acht dagen € 215.080,73 te betalen (inclusief incassokosten en wettelijke handelsrente).



2.14

[geïntimeerde] heeft hier per e-mail van 13 februari 2024 op gereageerd en aangegeven tot een oplossing te willen komen.



2.15

[geïntimeerde] heeft het bedrag van € 215.080,73 niet aan [appellant] betaald.



2.16


[naam4] , een voormalig medewerker van [appellant] , heeft in een verklaring van
14 november 2024 geschreven:




Begin december was ik werkzaam in de koishop van [appellant] . (…) [appellant] en [geïntimeerde] waren samen in gesprek over de winkel ik stond op dat moment naast [appellant] . Wat ik heb opgevangen uit hun gesprek is wat er allemaal bij de koop hoorden. Er werd door [appellant] een bedrag genoemd van 150.000 zonder de btw voor de complete winkel. [geïntimeerde] heeft niet onderhandeld over de prijs. Hij vond de prijs goed.








3Het geschil en de beslissing in eerste aanleg


3.1

[appellant] heeft bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, betaling door [geïntimeerde] gevorderd van € 163.955,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente en kosten, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.



3.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 5 februari 2025 [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] een bedrag van € 12.455,- te betalen, vermeerderd met wettelijke handelsrente. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.






4De vorderingen en grieven van [appellant]


4.1
vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen alsnog (integraal) toewijst en [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties veroordeelt.



4.2

[appellant] heeft het vonnis bestreden met een achttal grieven, die tot toewijzing van zijn vorderingen moeten leiden.



4.3
Het hof zal hierna de grieven zoveel mogelijk thematisch/gebundeld behandelen. De beslissing zal zijn dat het hof nog geen eindbeslissing kan geven en [appellant] zal toelaten tot bewijslevering. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.






5De beoordeling



Feitenvaststelling door de rechtbank




5.1
Voor zover door [appellant] mocht zijn beoogd ook grieven aan te voeren tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, overweegt het hof als volgt. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld, zodat [appellant] in zoverre bij de behandeling van daartegen gerichte grieven geen belang heeft. Inhoudelijke bezwaren en stellingen over de waardering en interpretatie van de feiten komen waar nodig hierna aan de orde. Voor zover het hof die bezwaren en stellingen niet specifiek behandelt worden die bezwaren geacht te zijn verworpen of als voor de beoordeling niet relevant geacht.



Hoor en wederhoor





5.2
Met zijn eerste grief komt [appellant] ertegen op dat de rechtbank jegens hem het recht op hoor en wederhoor niet in acht zou hebben genomen, onder meer – zo begrijpt het hof – door hem niet in de gelegenheid te stellen na de mondelinge behandeling van 19 november 2024 een antwoordakte te nemen. Voor zover [appellant] zijn recht op hoor en wederhoor al onvoldoende in eerste aanleg zou hebben kunnen uitoefenen, geldt dat een dergelijk verzuim in hoger beroep kan worden hersteld, hetgeen ook is gebeurd. Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn standpunten in het hoger beroep toe te lichten, zodat in deze zaak hoor en wederhoor op genoegzame wijze heeft plaatsgevonden. Grief I faalt.



Welke afspraken zijn door partijen gemaakt?





5.3
Kern van het geschil is of tussen partijen een overeenkomst is gesloten met de inhoud, zoals door [appellant] betoogd, te weten de koop en verkoop aan [geïntimeerde] van zijn gehele winkelinventaris voor een bruto koopprijs van € 181.500,- (netto € 150.000,-). Met zijn grieven II tot en met V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat een overeenkomst met deze inhoud tussen partijen is gesloten.



5.4
De beantwoording van de vraag of tussen twee of meer partijen een overeenkomst met bepaalde inhoud tot stand is gekomen, vindt in een zaak als deze plaats aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het komt er daarom op aan welke betekenis de betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.



5.5
Weliswaar is voor het tot stand komen van een overeenkomst als hier aan de orde niet vereist dat deze schriftelijk wordt vastgelegd, maar bij gebreke van een dergelijke vastlegging zullen door degene op wie de stelplicht en bewijslast rust (in dit geval [appellant] ) voldoende feiten en omstandigheden moeten worden aangevoerd die wijzen op het gesloten zijn van de gestelde overeenkomst dan wel erop wijzen dat er gerechtvaardigd op is vertrouwd dat dit het geval is (vgl. art. 3:35 BW).



5.6
In het licht van dit een en ander oordeelt het hof als volgt.



5.7
Partijen zijn het erover eens dat [appellant] [geïntimeerde] in het najaar van 2021 heeft benaderd in verband met zijn voornemen om de door hem gedreven winkel op te doeken en de wens om zijn winkelinventaris van de hand te doen. Ook zijn zij het erover eens dat [geïntimeerde] op enig moment nadien bij [appellant] in de winkel is geweest. Volgens [appellant] is er in zijn winkel in het bijzijn van (in elk geval) zijn toenmalige medewerker [naam4] op 7 december 2021 mondeling overeenstemming bereikt over de overname door [geïntimeerde] van de gehele winkelinventaris voor een bruto koopprijs van € 181.500,- (netto € 150.000,-). [geïntimeerde] ontkent niet dat hij op uitnodiging van [appellant] diens winkel heeft bezocht, maar hij heeft daar, zo verklaarde hij ter zitting in hoger beroep, enkel - vergezeld door zijn vrouw en een vriend ( [naam5] ) - een rondgang door de winkel gemaakt om te zien of er iets van zijn gading bij zat. Van een tussen hem en [appellant] gemaakte afspraak over de overname van de complete winkelinventaris tegen betaling van het onder 5.3 genoemde bedrag is geen sprake geweest; wel heeft hij met [appellant] (naar het hof begrijpt: tijdens dit bezoek dan wel bij een andere ontmoeting met [appellant] in dezelfde periode) kortgesloten dat wat hem als voor zijn eigen onderneming bruikbaar en geschikt voorkwam, met de aanhanger door hem in etappes zou (kunnen) worden opgehaald en dat hij en [appellant] over de prijs van wat per keer opgehaald was, naderhand afspraken zouden maken. [geïntimeerde] heeft nooit toegezegd of afgesproken dat hij de hele winkelinventaris zou overnemen; hij zou delen overnemen, en voor het deel dat hij overnam zou ook betaald worden. Dat [appellant] in zijn appbericht van 28 april 2022 spreekt van betalingen gedurende een periode van acht jaar, komt – aldus [geïntimeerde] – kennelijk doordat [appellant] er daarbij van uitging dat [geïntimeerde] alsnog de hele winkel zou overnemen, maar tot een overname van de hele winkel is het nooit gekomen. Volgens [geïntimeerde] kon hij overigens, als partijen het uiteindelijk toch niet eens zouden worden over de prijs voor bepaalde spullen, die spullen ook altijd weer terugbrengen naar [appellant] . In reactie op vragen van het hof over de door hem geschetste gang van zaken heeft [geïntimeerde] toegelicht dat deze werkwijze van partijen was ingegeven door het feit dat hij het (ook) toentertijd financieel niet breed had, waardoor voor het halen van nieuwe spullen bij [appellant] bij hem pas weer ruimte ontstond, indien en zodra de vorige lading spullen door hem was verkocht en hij daarmee genoeg geld had verdiend om een nieuwe partij spullen van [appellant] af te kunnen nemen.



5.8
Nu het [appellant] is die zich in dit geding op de rechtsgevolgen beroept van de door hem gestelde overeenkomst, draagt hij ingevolge artikel 150 Rv te dien aanzien de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast. Omdat [geïntimeerde] blijkens het voorgaande gemotiveerd heeft betwist dat een contractuele afspraak met de door [appellant] gestelde inhoud is gemaakt, kan het hof op dit punt nog geen inhoudelijke knopen doorhakken. Omdat [appellant] voldoende heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten en zijn aanbod daartoe ook voldoende specifiek en ter zake dienend is, zal het hof hem in de gelegenheid stellen bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen een overeenkomst met de door hem gestelde inhoud is gesloten.



De e-mail van 27 februari 2024





5.9
Voor het geval [appellant] erin mocht slagen om het hiervoor bedoelde bewijs te leveren, merkt het hof nu alvast op dat het [geïntimeerde] niet volgt in diens subsidiaire betoog dat de door hem betwiste overeenkomst per e-mail van 27 november 2024 partieel is ontbonden door (de raadsman van) [appellant] . De e-mail waarop [geïntimeerde] zich beroept, bevindt zich niet bij de gedingstukken, maar is geciteerd in de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof door de raadsman van [geïntimeerde] overgelegde pleitnota. De raadsman van [appellant] heeft bij het aan de orde komen ervan ter zitting niet weersproken deze e-mail met deze inhoud inderdaad te hebben verstuurd. Evenmin is van de kant van [appellant] bezwaar gemaakt tegen het ter zitting aan de orde gesteld en besproken worden van de e-mail. Desgevraagd heeft de raadsman van [appellant] aan het hof te kennen gegeven de door [geïntimeerde] aan de e-mail gegeven uitleg niet te onderschrijven en er destijds niet mee te hebben beoogd de overeenkomst namens zijn cliënt eenzijdig resp. definitief partieel te ontbinden.



5.10
De vraag hoe de inhoud van een e-mail als hier aan de orde moet worden uitgelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer, zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de in de e-mail gebruikte bewoordingen, ook niet als uitgangspunt. Met inachtneming van deze maatstaf volgt het hof [geïntimeerde] niet in zijn opvatting dat met deze brief zou zijn beoogd de overeenkomst namens [appellant] partieel te ontbinden. Weliswaar kan aan [geïntimeerde] worden nagegeven dat (het in de pleitnota van zijn raadsman weergeven deel van) de e-mail opent met de mededeling “Namens cliënt ontbind ik bij deze gedeeltelijk het koopcontract tussen partijen voor het gedeelte van de aan dhr. [geïntimeerde] verkochte maar niet door hem opgehaalde 120 koi karpers.”, maar verderop in het bericht valt daarentegen te lezen: “Dit is een logische stap, want dhr. [geïntimeerde] weigert om deze vissen nog op te halen (en te betalen), maar tevens gunstig voor dhr. [geïntimeerde] omdat de koopprijs hierdoor met 15% daalt. Graag verneem ik dan ook per omgaande dat dhr. [geïntimeerde] hiermee akkoord gaat“ en aan het slot wordt vervolgens aangegeven: “Op basis van instemming van dhr. [geïntimeerde] met voormelde gedeeltelijke contract-ontbinding is cliënt bereid een schikking in deze zaak te treffen onder de volgende voorwaarden: (…) Gaarne verneem ik vóór zaterdag a.s. van u.” Gelet op deze na de openingszin volgende passages, die veeleer de indruk wekken dat een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst afhankelijk wordt gesteld van nog te verkrijgen instemming van [geïntimeerde] respectievelijk van diens akkoord gaan met een schikking onder de door [appellant] gestelde voorwaarden, mocht [geïntimeerde] niet op basis van enkel deze e-mail erop vertrouwen dat door (de raadsman van) [appellant] - onverschillig welke reactie op de e-mail zou volgen - werd beoogd een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst te bewerkstelligen. Aan [geïntimeerde] betoog te dezen wordt daarom door het hof voorbijgegaan.



Tot slot





5.11
De overige grieven van [appellant] zullen door het hof worden behandeld nadat bewijslevering als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.



5.12
Het hof geeft partijen hier tot slot nog in overweging om te bezien of zij op basis van wat hiervoor is overwogen en gelet op de met bewijslevering gewoonlijk gepaard gaande tijd en kosten, alsnog tot een minnelijke regeling kunnen komen.






6De beslissing


Het hof, rechtdoende in hoger beroep:



6.1
draagt [appellant] op bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen hem en [geïntimeerde] een overeenkomst is gesloten tot overname van zijn volledige winkelinventaris tegen een door [geïntimeerde] te betalen koopprijs van € 150.000, te vermeerderen met btw (oftewel € 181.500 inclusief btw);



6.2
bepaalt dat, indien [appellant] bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. P.S. Bakker - dan wel, bij diens ontstentenis, een ander lid van het hof - die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 te 8911 BS Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;



6.3
bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen in de periode september t/m december 2026 van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de rol van 8 september 2026, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;



6.4
bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;



6.5
houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, A.A.J. Smelt en A.L. Goederee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
11 augustus 2026.






HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319.


Vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 343 alsmede de conclusie van A-G Drijber d.d. 20 januari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:91.