Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5238
2026-08-11
Civiel recht
200.330.356/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overeenkomst van aanneming van werk is door opzegging geëindigd. Afrekening op de wijze als in artikel 7:764 lid 2 BW bepaald, na deskunidgenbericht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:BY8728 Hoge Raad 12-04-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.144 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.330.356/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 133203
arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap Adelaarsveer B.V. (Adelaarsveer)
die is gevestigd in Coevorden
advocaat: mr. D.A. Westra
en
Elektrotechniek Emmen B.V. (ETE)
die is gevestigd in Emmen
advocaat: mr. J.T. Schlepers
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Ter uitvoering van het arrest van 13 mei 2025 heeft ir. C.P.C. Flipse een deskundigenonderzoek ingesteld. In een beschikking van 11 december 2025 is aan de deskundige een aanvullend voorschot van € 3.630 inclusief btw toegekend.
1.2
Op 11 december 2025 heeft de deskundige zijn rapport uitgebracht. In een begrotingsbeschikking van 19 maart 2026 is de aanspraak van de deskundige wegens loon en schadeloosstelling overeenkomstig het door Adelaarsveer gestorte voorschot vastgesteld op € 13.110,35 inclusief btw.
1.3
Adelaarsveer heeft een memorie na deskundigenbericht genomen en ETE een antwoordmemorie na deskundigenbericht.
2De toelichting op de beslissing van het hofDe bevindingen van de deskundige
2.1
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 29 oktober 2024 geoordeeld dat Adelaarsveer de overeenkomst door opzegging heeft beëindigd en dat zij met Elektrotechniek moet afrekenen op de wijze als in artikel 7:764 lid 2 BW is bepaald. In dat kader heeft het hof in zijn arrest van 13 mei 2025 aan de deskundige de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd: 1. Wat was, in relatie tot de aannemingsovereenkomst en het overeengekomen meer- en
minderwerk, en gelet op de rapportages per woning, ten tijde van de beëindiging van de
aannemingsovereenkomst op 3 juli 2020 de omvang van de werkzaamheden die nog moesten
worden verricht ter afronding en eventueel herstel van de werkzaamheden en welke
materialen dienden in dat verband nog te worden geleverd?
2. Welk bedrag heeft Elektrotechniek zich bespaard doordat zij deze werkzaamheden
niet meer hoefde uit te voeren en materialen niet meer hoefde te leveren?
3. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die naar uw
oordeel van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen?
2.2
De deskundige heeft in een uitgebreid en goed gedocumenteerd rapport verslag gedaan van zijn bevindingen. Daarbij is hij ingegaan op de opmerkingen die partijen naar aanleiding van het conceptrapport hebben gemaakt. De deskundige heeft zijn rapport naar aanleiding van die opmerkingen op onderdelen aangepast. De antwoorden van de deskundige op de hem gestelde vragen luiden als volgt:
“1.Voor de beantwoording van deze vraag verwijst deskundige naar "b2 verzst wrongel oosterw 111225".
In deze verzamelstaat geeft deskundige per punt aan of genoemd punt voor verrekening van kosten in aanmerking komt met in de afzonderlijke tabbladen een overzicht van de specifieke werkzaamheden ten behoeve van herstel, dan wel afronding van de werkzaamheden, met de daarbij behorende kosten.
2. In de verzamelstaat is op het tabblad "totaaloverzicht" onderaan het volgende totaaloverzicht opgenomen:
Totaalkosten
Totalen bnr.1 t/m 10 € 50.253,20
opslag bouwplaatskosten 3,0% € 1.507,60
opslag klein materieel 1,0% € 502,53
subtotaal € 52.263,33
risico 2,0% van € 293.315 € 5.866,30
€ 58.129,63
aanneemsom € 264.315
meerwerk € 29.000€ 293.315
De genoemde bedragen in het overzicht zijn excl. btw.
De uitsplitsing in kosten voor arbeid, materiaal en derden ziet er als volgt uit:
loonkosten 50,3% € 26.313,77
materiaalkosten 39,4% € 20.598,76
kosten derden 10,2% € 5.350,80
€ 52.263,33
risico € 5.866,30
€ 58.129,63
3. Deskundige heeft zich voor wat betreft de bepaling van de verantwoordelijkheid van partijen op een aantal punten gebaseerd op het uitgangspunt "redelijkheid en billijkheid". Dit heeft geleid tot het niet als "bespaarde kosten" kwalificeren van een aantal punten, ondanks dat door ETE niet (strikt) geleverd is wat is overeengekomen. Deskundige heeft zich in die beoordeling mede laten leiden door wat partijen mogelijk zouden hebben afgesproken ingeval er sprake zou zijn geweest van een bestendige relatie en een
constructieve samenwerking. Het is aan de rechter om hier een oordeel over te geven.”
2.3
Partijen hebben in hun memories na deskundigenbericht een aantal bezwaren tegen het deskundigenbericht geuit. Het hof zal die bezwaren bespreken.
2.4
De meest fundamentele bezwaren zijn van ETE. Zij stelt zich op het standpunt dat het hof het deskundigenbericht buiten beschouwing moet laten, althans daaraan slechts beperkte bewijskracht moet toekennen, omdat het rapport berust op een ondeugdelijke basis, de bewijswaarde van de rapportages van Adelaarsveer ontbreekt, fundamentele processuele beginselen zijn geschonden en de berekeningsmethodiek strijdig is met artikel 7:764 BW.Opnamelijsten als uitgangspunt, hoor en wederhoor en equality of arms
2.5
ETE meent dat het deskundigenbericht niet tot bewijs kan dienen voor zover het is gebaseerd op de na 3 juli 2020 eenzijdig door Adelaarsveer vervaardigde opnamelijsten (rapportages). ETE stelt dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad de feitelijke grondslag van de opnamelijsten te verifiëren, aangezien Adelaarsveer haar na 3 juli 2020 de toegang tot het werk heeft ontzegd. Daardoor is volgens ETE zowel sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor als van het beginsel van equality of arms.
2.6
Het hof heeft de deskundige opgedragen de in juli 2020 door Adelaarsveer opgestelde rapportages en de reactie daarop van ETE van 17 juli 2020 als uitgangspunt te nemen voor zijn onderzoek. Dit omdat partijen het werk niet gezamenlijk hadden opgenomen op 3 juli 2020 en het werk inmiddels door een derde was afgemaakt, zodat de deskundige zelf de staat van het werk per datum opzegging overeenkomst niet meer kon vaststellen.
2.7
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat ETE in haar inleidende dagvaarding uiteen heeft gezet dat partijen op 10 juli 2020 met elkaar in gesprek zijn gegaan naar aanleiding van de opzegging van 3 juli 2020. Bij die gelegenheid werd aan de hand van een door een medewerkster van Adelaarsveer opgestelde rapportage betreffende één woning uitgelegd welk punten door Adelaarsveer als ‘fouten’ werden gekwalificeerd. Tussen partijen is toen afgesproken dat van alle woningen een dergelijke rapportage aan ETE zou worden toegezonden. ETE heeft rapportages van andere woningen op 14 juli 2020 ontvangen en heeft daarop gereageerd op 17 juli 2020. In die brief heeft ETE onder meer geschreven:
“Kenmerkend voor alle klachten is dat het feitelijk gaat om punten die als opleveringspunten dienen te worden gekwalificeerd. Hierop zijn enkele uitzonderingen, te weten:- De klachten over de leidingen die elkaar kruisen, waardoor er in uw optiek onvoldoende dekking is. (…)- U stelt dat er diverse werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Zoals u bekend zou er voor 5 mensen nog ongeveer 8 a 9 dagen werk in het project zitten om e.e.a. te realiseren. Het is dus vanzelfsprekend dat op dit moment (nog) niet alle werkzaamheden zijn uitgevoerd. (…)”
2.8
ETE heeft dus betwist dat haar een verwijt kon worden gemaakt ten aanzien van de leidingen in de vloer. Zij heeft echter niet weersproken dat de overige in de rapportage vermelde werkzaamheden nog door haar moesten worden uitgevoerd of hersteld (opleverpunten). In het licht van de brief van 17 juli 2020 gaat het niet aan dat ETE nu stelt dat de opnamelijsten – die naar aanleiding van de op 10 juli 2020 tussen partijen gemaakte afspraak door Adelaarsveer zijn opgesteld – een ondeugdelijke basis voor het deskundigenrapport zijn omdat ETE niet de gelegenheid heeft gehad de opnamelijsten te verifiëren. ETE wist indertijd, twee weken nadat de overeenkomst was opgezegd, uiteraard precies welke werkzaamheden zij al had uitgevoerd en welke zij nog moest verrichten. Dat de deskundige conform de opdracht van het hof de opnamelijsten en de reactie daarop van ETE tot uitgangspunt heeft genomen, levert naar het oordeel van het hof geen schending van de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms op.De systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW
2.9
ETE heeft herhaald dat het handelen van Adelaarsveer, dat ETE het afronden van het werk onmogelijk maakte, kwalificeert als schuldeisersverzuim. Het hof heeft daaraan in het tussenarrest van 29 oktober 2024 al de gevolgtrekking verbonden dat Adelaarsveer niet gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden en dat haar brief van 3 juli 2020 daarom als opzegging van de overeenkomst moet worden beschouwd, zodat het werk overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:764 lid 2 BW moet worden afgerekend.
2.10
Artikel 7:764 BW luidt:
1.De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen.
2.In geval van zulke opzegging zal hij de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten, wordt de door de opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op grondslag van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt.
2.11
Met de voor het gehele werk geldende prijs wordt bedoeld de prijs die is overeengekomen. De term ‘besparingen’ is een “elastisch” begrip. Daaronder vallen volgens de Memorie van Toelichting niet alleen bespaarde kosten van materialen en arbeid die uit de beëindiging van het werk voortvloeien, maar ook een vergoeding voor niet-gelopen risico, voor zover het gebruikelijk is in de begroting van het werk een post daarvoor op te nemen buiten de eigenlijke winst. Verder is van belang dat in geval van een aannemingsovereenkomst met een bepaalde prijs art. 7:764 lid 2 BW meebrengt dat de opdrachtgever (Adelaarsveer) stelplicht en bewijslast heeft van het bestaan en de omvang van die besparingen. In dit verband rust echter op de aannemer (ETE) een belangrijke mededelingsplicht.
2.12
Toepassing van deze uitgangspunten leidt tot het volgende.
2.13
ETE stelt zich op het standpunt dat de deskundige de systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW niet correct heeft toegepast. Enerzijds is volgens ETE sprake van inconsistentie, omdat de deskundige niet alleen de rapportages van juli 2020 heeft gebruikt, maar ook latere opdrachtbonnen, nadere inzichten van Adelaarsveer en forfaitaire correcties in zijn berekening heeft betrokken. Anderzijds heeft de deskundige normatieve maatstaven geïntroduceerd zoals “gebruikelijke verhouding hoofdaannemer/onderaannemer” en “redelijke samenwerking”. Het gaat uitsluitend om feitelijke besparingen en niet om hypothetische redelijkheid, aldus ETE.
2.14
Het hof heeft in zijn arrest van 13 mei 2025 overwogen dat de deskundige voor wat de stand van het werk per 3 juli 2020 betreft de rapportages met punten van kritiek van Adelaarsveer van juli 2020 en de reactie daarop van ETE van 17 juli 2020 als uitgangspunt kan nemen. De deskundige diende zich vervolgens zelfstandig een oordeel te vormen over de meest kostenefficiënte manier waarop ETE de af te ronden werkzaamheden zou hebben uitgevoerd en welk bedrag ETE zich heeft bespaard doordat zij de werkzaamheden niet meer heeft hoeven afronden, daaronder begrepen eventuele kosten van herstel van de door haar tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden, voor zover die in genoemde rapportages zijn benoemd.
2.15
De omstandigheid dat de deskundige de rapportages en de reactie daarop tot uitgangspunt moest nemen wat de stand van het werk betreft, betekent niet dat hij bij de berekening van de bespaarde kosten geen acht mag slaan op andere gegevens.
2.16
Het hof stelt vast dat de deskundige ETE heeft gevraagd om onder meer haar begroting van het werk en installatietekeningen aan te leveren, maar dat ETE niet aan dat verzoek heeft voldaan, terwijl op haar wel een belangrijke mededelingsplicht rust. Nu ETE onvoldoende aan haar mededelingsplicht heeft voldaan, kan zij niet klagen over het feit dat de deskundige zich bij de begroting van de bespaarde kosten ook op andere gegevens heeft moeten baseren. Dat de deskundige daarbij in aanmerking neemt wat in de bouw gebruikelijk is en redelijk en billijk wordt geacht, ligt in de rede.
2.17
De omstandigheid dat opmerkingen van Adelaarsveer op het conceptrapport van de deskundige tot aanpassing van dat rapport hebben geleid, is een logisch gevolg van het beginsel van hoor en wederhoor dat de deskundige dient te respecteren.
2.18
Het hof acht de klachten die ETE over de totstandkoming van het rapport heeft geuit dan ook ongegrond.
2.19
ETE heeft in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht één inhoudelijk bezwaar geuit tegen de berekening van de deskundige. ETE acht de toepassing van een forfaitaire risicopost van 2% over de volledige aanneemsom in strijd met artikel 7:764 BW.
2.20
De deskundige heeft in zijn rapport toegelicht dat hij deze post over de volledige aanneemsom en het meerwerk in aanmerking heeft genomen omdat door beëindiging van de overeenkomst voor ETE de garantieverplichting vervalt.
2.21
Uit de Memorie van Toelichting op artikel 7:764 BW (zie r.o. 2.11 hiervoor) volgt dat onder het begrip “bespaarde kosten” ook een vergoeding voor niet-gelopen risico valt. Van strijdigheid met artikel 7:764 BW is dan ook geen sprake.
2.22
Het hof stelt wel vast dat de deskundige de 2% heeft berekend over de aanneemsom en het meerwerk, maar het minderwerk niet in zijn berekening heeft betrokken. In het tussenarrest van 29 oktober 2024 heeft het hof in rechtsoverweging 4.23 vastgesteld dat het minderwerk 8.250 bedroeg, zodat de prijs voor het hele werk € 285.065 bedroeg. Het risicopercentage dient over laatstgenoemd bedrag te worden berekend en bedraagt dus:€ 5.701,30 in plaats van € 5.866,30. Het hof zal daarom de berekening van de deskundige met een bedrag van € 165 corrigeren.
2.23
Adelaarsveer uit in haar memorie na deskundigenbericht kritiek op de volgende onderdelen van het oordeel van de deskundige. Berekening uurtarief
2.24
Adelaarsveer heeft in reactie op het conceptrapport van de deskundige bezwaar gemaakt tegen het door de deskundige gehanteerde uurtarief omdat dat afweek van het door ETE zelf in (credit)facturen gehanteerde uurtarief van € 55 en € 57. De deskundige heeft in reactie daarop aangegeven dat het in het ene geval ging om een creditfactuur van een ander werk en dat het bovendien een bruto (commercieel) uurtarief (dus inclusief opslagen) betrof. De deskundige heeft in zijn rapport uiteengezet hoe hij tot het door hem bepaalde uurtarief is gekomen en heeft geen aanleiding gezien dat naar aanleiding van dit bezwaar van Adelaarsveer aan te passen.
2.25
In de memorie na deskundigenbericht komt Adelaarsveer met nieuwe argumenten waarom de deskundige het uurtarief niet correct zou hebben bepaald. Dat is te laat. Adelaarsveer was in de gelegenheid te reageren op het conceptdeskundigenbericht en had toen haar bezwaren moeten voorleggen aan de deskundige, zodat hij daarop had kunnen reflecteren. Nu Adelaarsveer dat niet heeft gedaan, gaat het hof aan deze pas achteraf opgeworpen bezwaren voorbij. De deskundige heeft goed gemotiveerd hoe hij tot het door hem bepaalde uurtarief is gekomen, heeft rekening gehouden met de ten aanzien daarvan geformuleerde bezwaren, en het hof zal hem volgen in zijn deskundig oordeel.Algemene kosten AK
2.26
Adelaarsveer heeft verder betoogd dat het redelijk is om een percentage AK van 1,5% als opslag over de nog uit te voeren werkzaamheden als besparing in aanmerking te nemen. Dat zou volgens Adelaarsveer moeten resulteren in een bijtelling van € 748.
2.27
De deskundige heeft in reactie op dit bezwaar van Adelaarsveer aangegeven voor een dergelijke bijtelling geen aanleiding te zien omdat ETE de kosten voor werkvoorbereiding, projectleiding en overige algemene kosten al grotendeels had gemaakt. Het hof volgt de deskundige in dat oordeel.
Optelfout
2.28
Adelaarsveer heeft gesteld dat sprake is van een optelfout in de berekening van de deskundige van € 25 per woning, omdat de door de deskundige genoemde posten optellen tot een bedrag van € 395 per woning. Adelaarsveer miskent daarbij dat de deskundige heeft overwogen dat de post installatietekeningen (installatieschema) van € 25 naar zijn oordeel niet valt onder bespaarde kosten. Van een optelfout is daarom geen sprake. Keuring meterkasten
2.29
Adelaarsveer heeft verder aangevoerd dat de deskundige de kosten van het keuren van de meterkasten te laag heeft begroot omdat de deskundige ten onrechte is uitgegaan van de aanname dat ETE dit zelf kon uitvoeren. Adelaarsveer heeft benadrukt dat die aanname onjuist is omdat ETE na het vertrek van medewerker [naam] geen personeel in dienst had dat gekwalificeerd was om meterkastkeuringen uit te voeren. ETE diende daarvoor een gekwalificeerde onderaannemer in te schakelen. De bespaarde kosten dienen in dat verband met € 100 per woning te worden vermeerderd, aldus Adelaarsveer.
2.30
Het hof stelt vast dat ETE een en ander bij haar antwoordmemorie na deskundigenbericht niet heeft weersproken. Om die reden zal het hof de berekening van de deskundige op dit punt corrigeren met € 100 per woning, dus met een bedrag van € 1000.Installatietekeningen
2.31
Wat de installatietekeningen (installatieschema) betreft maakt de deskundige onderscheid tussen het verstrekken van tekeningen ten behoeve van het opleverdossier – die door hem zijn opgenomen onder de post “sticker, opl. dossier, certificaten etc.” – en het zorgdragen voor papieren installatietekeningen ten behoeve van en gedurende de uitvoering van de werkzaamheden door ETE. De deskundige stelt vast dat dat laatste tijdens de uitvoering niet zo is gedaan en dat uitvoering van die werkzaamheden na juli ook niet meer aan de orde zou zijn geweest en daarom geen besparing opleveren.
2.32
Het hof vindt de uitleg van de deskundige overtuigend en ziet in hetgeen Adelaarsveer daartegen heeft ingebracht geen aanleiding op dit punt toch een besparing aan te nemen.Wandcontactdozen
2.33
Wat de ruggelings aangebracht wandcontactdozen betreft benadrukt Adelaarsveer dat zij – anders dan de deskundige veronderstelt – ETE wel degelijk op dit probleem heeft gewezen, namelijk op 24 maart 2020. Zij verwijst in dat verband naar productie H8, een tekening en productie H9, het verslag van een bespreking van 24 maart 2020, punt 10.
2.34
ETE heeft een en ander niet weersproken. Het hof is gelet daarop van oordeel dat ETE voor herstel had moeten zorgdragen en dat zij, nu zij dat door opzegging van de overeenkomst niet meer heeft hoeven doen, ter zake kosten heeft bespaard. Uit het deskundigenrapport (6e blad, punt 5) en de bijgevoegde berekening (posten 19, 20, 23, 24, 139, 140, 151) blijkt dat het gaat in 23 ruggelings aangebrachte wandcontactdozen en dat de deskundige al rekening heeft gehouden met een besparing van 75 euro per geval. De deskundige heeft aangegeven (17e blad onder volgnummer 19/20/23 enz.) dat bij een volledige vergoeding de extra herstelkosten € 1.150 bedragen. Het hof zal dat bedrag als besparing in aanmerking nemen. Bedrading in loze leidingen
2.35
Adelaarsveer voert verder aan dat ETE ten onrechte bedrading heeft aangebracht in leidingen die loos hadden moeten worden opgeleverd en dat rekening moet worden gehouden met de kosten die ETE heeft bespaard doordat zij deze niet meer heeft hoeven verwijderen.
2.36
De deskundige heeft tot uitgangspunt genomen dat het verwijderen van bedrading (die in een later stadium voor rekening van derden weer wordt aangebracht) in een gebruikelijke relatie hoofdaannemer-onderaannemer niet aan de orde zou zijn geweest.
2.37
Adelaarsveer noemt dat uitgangspunt onbegrijpelijk en wijst erop dat dit alleen opgaat als van tevoren bekend zou zijn welke type kabel iedere koper nodig had (bijvoorbeeld afhankelijk van de gekozen provider) en ook de juiste kabels naar de juiste aansluitpunten waren gebracht. Volgens Adelaarsveer moest van 28 van de 31 aansluitpunten de aangebrachte bedrading worden verwijderd, terwijl de deskundige maar met twee stuks rekening heeft gehouden. Het totaal aan bespaarde kosten moet daarom volgens Adelaarsveer ten aanzien van volgnummer 99 worden vermeerderd met € 266,50 (26 x € 10,25).
2.38
ETE heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Het hof volgt de uitleg van Adelaarsveer en zal daarom een dergelijke correctie toepassen.Rioolontspanning
2.39
Adelaarsveer stelt zich op het standpunt dat de ontluchtingsvoorziening op het dak niet conform de geldende regelgeving is aangebracht en verwijst in dat verband naar het algemeen deel van haar rapportage. Volgens Adelaarsveer voldoet de door ETE aangebrachte voorziening niet aan de normen van NEN3215 die zijn uitgewerkt in het door Wavin opgestelde Technisch Handboek Binnenriolering Afvalwater. De deskundige is hier niet op ingegaan, omdat hij het commentaar kennelijk zo heeft opgevat dat in het geheel geen rioolontluchtingspannen zouden mogen worden toegepast. Dat is volgens de deskundige “in principe” wel toegestaan. De strekking van de klacht van Adelaarsveer is echter dat foutieve rioolontluchtingspannen zijn geplaatst en dat in dit geval dakpijpen hadden moeten worden toegepast. Het had onder die omstandigheden op de weg van ETE gelegen om dat laatste te bestrijden. Dat is niet gebeurd, zodat het hof zal uitgaan van de juistheid van de stellingen van Adelaarsveer en van het evenmin bestreden bedrag van € 2.500 aan ter zake bespaarde kosten.Kleine omissies in berekening
2.40
Adelaarsveer heeft tot slot gewezen op een aantal kleine omissies in de berekening van de bespaarde kosten. In verband daarmee moet het totaal van de bespaarde kosten volgens Adelaarsveer worden vermeerderd met € 310,45.
2.41
ETE heeft dit niet weersproken en het hof stelt vast dat de opmerkingen van Adelaarsveer juist zijn. De correctie van € 310,45 zal daarom worden toegepast. Samenvatting
2.42
Het voorgaande leidt tot de volgende correcties op de berekening van de deskundige:bespaarde kosten volgens het deskundigenrapport € 50.253,20 correcties (165 + 1000 + 1.150 + 266,50 + 2.500 + 310,45 =) € 5.391,95 + totaal € 55.645,15opslag bouwplaatskosten 3% € 1.669,35opslag klein materieel 1% € 556,45 + subtotaal € 57.870,95risico 2% van 285.065 € 5.701,30 + totaal bespaarde kosten € 63.572,25aanneemsom € 264.315meerwerk € 29.000minderwerk € 8.250prijs € 285.065
2.43
Dit betekent dat Adelaarsveer aan ETE verschuldigd is:de overeengekomen prijs voor het werk € 285.065,00verminderd met de besparingen van ETE € 63.572,25 -
per saldo € 221.492,75Adelaarsveer had ttv de opzegging al voldaan € 114.315,00 -resteerde in hoofdsom te voldoen € 107.177,75
2.44
Dit bedrag dient te worden verminderd met het bedrag van € 3.163,91 in verband met de vordering die [naam] op ETE had en op 26 oktober 2020 aan Adelaarsveer heeft gecedeerd, zodat er € 104.013,84 in hoofdsom door Adelaarsveer resteerde te voldoen. Dat bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 november 2020 (conform de geldende betalingstermijn van 30 dagen na de inleidende dagvaarding; het moment waarop ETE haar eindafrekening heeft gepresenteerd). Ook de buitengerechtelijke kosten komen overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking: € 1.815,14. Slotsom
2.45
Het principaal hoger beroep slaagt ten dele. Dat geldt ook voor het incidenteel hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met uitzondering van het dictum onder 5.3 en 5.4. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen en Adelaarsveer veroordelen tot betaling van een bedrag van € 104.013,84 aan ETE, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten.
2.46
Omdat Adelaarsveer op 4 mei 2023 uitvoering heeft gegeven aan het eindvonnis waarvan beroep, zal het hof ETE veroordelen om hetgeen Adelaarsveer ter uitvoering van het thans deels vernietigde vonnis teveel en daarmee onverschuldigd aan ETE heeft voldaan, terug te betalen aan Adelaarsveer, te vermeerderen met de (gewone) wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van terugbetaling.
2.47
In de omstandigheid dat partijen in het hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten van het hoger beroep te compenseren, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep draagt. De proceskostenveroordeling van de procedure in eerste instantie blijft in stand omdat Adelaarsveer de grotendeels in het ongelijk gestelde partij was en blijft.
2.48
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
Het hof:
In het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
3.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 6 januari 2021, behoudens voor zover daarin is geoordeeld dat Adelaarsveer zich niet op de vernietiging van de artikelen 4, 9, 11, 14, 15 en 16 van de algemene voorwaarden van ETE kon beroepen en vernietigt dat vonnis in zoverre;
3.2
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 5 april 2023, behalve de beslissingen onder 5.3 en 5.4, die hierbij worden vernietigd, en beslist in zoverre opnieuw:
3.3
veroordeelt Adelaarsveer tot betaling aan ETE van € 104.013,84 vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 5 november 2020 tot aan de dag van volledige betaling;
3.4
veroordeelt Adelaarsveer tot betaling aan ETE van € 1.815,14 aan buitengerechtelijke kosten:
3.5
veroordeelt ETE om hetgeen Adelaarsveer ter uitvoering van het nu deels vernietigde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen van 5 april 2023 op 4 mei 2023 teveel en daarmee onverschuldigd aan ETE heeft voldaan, terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van terugbetaling door ETE;
3.6
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep dragen;
3.7
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.8
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M.W. Zandbergen en M.F. Eliens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 38-39
HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728 (https://www.inview.nl/document/idea9f6eb5a7d448cdb7e395502359ac84), NJ 2013/225 (https://www.inview.nl/document/id2434312ae1a8402a9d600396c646e1c8), met verwijzing naar TM, Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 39.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.330.356/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 133203
arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap Adelaarsveer B.V. (Adelaarsveer)
die is gevestigd in Coevorden
advocaat: mr. D.A. Westra
en
Elektrotechniek Emmen B.V. (ETE)
die is gevestigd in Emmen
advocaat: mr. J.T. Schlepers
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Ter uitvoering van het arrest van 13 mei 2025 heeft ir. C.P.C. Flipse een deskundigenonderzoek ingesteld. In een beschikking van 11 december 2025 is aan de deskundige een aanvullend voorschot van € 3.630 inclusief btw toegekend.
1.2
Op 11 december 2025 heeft de deskundige zijn rapport uitgebracht. In een begrotingsbeschikking van 19 maart 2026 is de aanspraak van de deskundige wegens loon en schadeloosstelling overeenkomstig het door Adelaarsveer gestorte voorschot vastgesteld op € 13.110,35 inclusief btw.
1.3
Adelaarsveer heeft een memorie na deskundigenbericht genomen en ETE een antwoordmemorie na deskundigenbericht.
2De toelichting op de beslissing van het hofDe bevindingen van de deskundige
2.1
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 29 oktober 2024 geoordeeld dat Adelaarsveer de overeenkomst door opzegging heeft beëindigd en dat zij met Elektrotechniek moet afrekenen op de wijze als in artikel 7:764 lid 2 BW is bepaald. In dat kader heeft het hof in zijn arrest van 13 mei 2025 aan de deskundige de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd: 1. Wat was, in relatie tot de aannemingsovereenkomst en het overeengekomen meer- en
minderwerk, en gelet op de rapportages per woning, ten tijde van de beëindiging van de
aannemingsovereenkomst op 3 juli 2020 de omvang van de werkzaamheden die nog moesten
worden verricht ter afronding en eventueel herstel van de werkzaamheden en welke
materialen dienden in dat verband nog te worden geleverd?
2. Welk bedrag heeft Elektrotechniek zich bespaard doordat zij deze werkzaamheden
niet meer hoefde uit te voeren en materialen niet meer hoefde te leveren?
3. Geeft uw onderzoek u aanleiding tot het maken van opmerkingen die naar uw
oordeel van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het geschil tussen partijen?
2.2
De deskundige heeft in een uitgebreid en goed gedocumenteerd rapport verslag gedaan van zijn bevindingen. Daarbij is hij ingegaan op de opmerkingen die partijen naar aanleiding van het conceptrapport hebben gemaakt. De deskundige heeft zijn rapport naar aanleiding van die opmerkingen op onderdelen aangepast. De antwoorden van de deskundige op de hem gestelde vragen luiden als volgt:
“1.Voor de beantwoording van deze vraag verwijst deskundige naar "b2 verzst wrongel oosterw 111225".
In deze verzamelstaat geeft deskundige per punt aan of genoemd punt voor verrekening van kosten in aanmerking komt met in de afzonderlijke tabbladen een overzicht van de specifieke werkzaamheden ten behoeve van herstel, dan wel afronding van de werkzaamheden, met de daarbij behorende kosten.
2. In de verzamelstaat is op het tabblad "totaaloverzicht" onderaan het volgende totaaloverzicht opgenomen:
Totaalkosten
Totalen bnr.1 t/m 10 € 50.253,20
opslag bouwplaatskosten 3,0% € 1.507,60
opslag klein materieel 1,0% € 502,53
subtotaal € 52.263,33
risico 2,0% van € 293.315 € 5.866,30
€ 58.129,63
aanneemsom € 264.315
meerwerk € 29.000€ 293.315
De genoemde bedragen in het overzicht zijn excl. btw.
De uitsplitsing in kosten voor arbeid, materiaal en derden ziet er als volgt uit:
loonkosten 50,3% € 26.313,77
materiaalkosten 39,4% € 20.598,76
kosten derden 10,2% € 5.350,80
€ 52.263,33
risico € 5.866,30
€ 58.129,63
3. Deskundige heeft zich voor wat betreft de bepaling van de verantwoordelijkheid van partijen op een aantal punten gebaseerd op het uitgangspunt "redelijkheid en billijkheid". Dit heeft geleid tot het niet als "bespaarde kosten" kwalificeren van een aantal punten, ondanks dat door ETE niet (strikt) geleverd is wat is overeengekomen. Deskundige heeft zich in die beoordeling mede laten leiden door wat partijen mogelijk zouden hebben afgesproken ingeval er sprake zou zijn geweest van een bestendige relatie en een
constructieve samenwerking. Het is aan de rechter om hier een oordeel over te geven.”
2.3
Partijen hebben in hun memories na deskundigenbericht een aantal bezwaren tegen het deskundigenbericht geuit. Het hof zal die bezwaren bespreken.
2.4
De meest fundamentele bezwaren zijn van ETE. Zij stelt zich op het standpunt dat het hof het deskundigenbericht buiten beschouwing moet laten, althans daaraan slechts beperkte bewijskracht moet toekennen, omdat het rapport berust op een ondeugdelijke basis, de bewijswaarde van de rapportages van Adelaarsveer ontbreekt, fundamentele processuele beginselen zijn geschonden en de berekeningsmethodiek strijdig is met artikel 7:764 BW.Opnamelijsten als uitgangspunt, hoor en wederhoor en equality of arms
2.5
ETE meent dat het deskundigenbericht niet tot bewijs kan dienen voor zover het is gebaseerd op de na 3 juli 2020 eenzijdig door Adelaarsveer vervaardigde opnamelijsten (rapportages). ETE stelt dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad de feitelijke grondslag van de opnamelijsten te verifiëren, aangezien Adelaarsveer haar na 3 juli 2020 de toegang tot het werk heeft ontzegd. Daardoor is volgens ETE zowel sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor als van het beginsel van equality of arms.
2.6
Het hof heeft de deskundige opgedragen de in juli 2020 door Adelaarsveer opgestelde rapportages en de reactie daarop van ETE van 17 juli 2020 als uitgangspunt te nemen voor zijn onderzoek. Dit omdat partijen het werk niet gezamenlijk hadden opgenomen op 3 juli 2020 en het werk inmiddels door een derde was afgemaakt, zodat de deskundige zelf de staat van het werk per datum opzegging overeenkomst niet meer kon vaststellen.
2.7
Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat ETE in haar inleidende dagvaarding uiteen heeft gezet dat partijen op 10 juli 2020 met elkaar in gesprek zijn gegaan naar aanleiding van de opzegging van 3 juli 2020. Bij die gelegenheid werd aan de hand van een door een medewerkster van Adelaarsveer opgestelde rapportage betreffende één woning uitgelegd welk punten door Adelaarsveer als ‘fouten’ werden gekwalificeerd. Tussen partijen is toen afgesproken dat van alle woningen een dergelijke rapportage aan ETE zou worden toegezonden. ETE heeft rapportages van andere woningen op 14 juli 2020 ontvangen en heeft daarop gereageerd op 17 juli 2020. In die brief heeft ETE onder meer geschreven:
“Kenmerkend voor alle klachten is dat het feitelijk gaat om punten die als opleveringspunten dienen te worden gekwalificeerd. Hierop zijn enkele uitzonderingen, te weten:- De klachten over de leidingen die elkaar kruisen, waardoor er in uw optiek onvoldoende dekking is. (…)- U stelt dat er diverse werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Zoals u bekend zou er voor 5 mensen nog ongeveer 8 a 9 dagen werk in het project zitten om e.e.a. te realiseren. Het is dus vanzelfsprekend dat op dit moment (nog) niet alle werkzaamheden zijn uitgevoerd. (…)”
2.8
ETE heeft dus betwist dat haar een verwijt kon worden gemaakt ten aanzien van de leidingen in de vloer. Zij heeft echter niet weersproken dat de overige in de rapportage vermelde werkzaamheden nog door haar moesten worden uitgevoerd of hersteld (opleverpunten). In het licht van de brief van 17 juli 2020 gaat het niet aan dat ETE nu stelt dat de opnamelijsten – die naar aanleiding van de op 10 juli 2020 tussen partijen gemaakte afspraak door Adelaarsveer zijn opgesteld – een ondeugdelijke basis voor het deskundigenrapport zijn omdat ETE niet de gelegenheid heeft gehad de opnamelijsten te verifiëren. ETE wist indertijd, twee weken nadat de overeenkomst was opgezegd, uiteraard precies welke werkzaamheden zij al had uitgevoerd en welke zij nog moest verrichten. Dat de deskundige conform de opdracht van het hof de opnamelijsten en de reactie daarop van ETE tot uitgangspunt heeft genomen, levert naar het oordeel van het hof geen schending van de beginselen van hoor en wederhoor en equality of arms op.De systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW
2.9
ETE heeft herhaald dat het handelen van Adelaarsveer, dat ETE het afronden van het werk onmogelijk maakte, kwalificeert als schuldeisersverzuim. Het hof heeft daaraan in het tussenarrest van 29 oktober 2024 al de gevolgtrekking verbonden dat Adelaarsveer niet gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden en dat haar brief van 3 juli 2020 daarom als opzegging van de overeenkomst moet worden beschouwd, zodat het werk overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:764 lid 2 BW moet worden afgerekend.
2.10
Artikel 7:764 BW luidt:
1.De opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen.
2.In geval van zulke opzegging zal hij de voor het gehele werk geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten, wordt de door de opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op grondslag van de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt.
2.11
Met de voor het gehele werk geldende prijs wordt bedoeld de prijs die is overeengekomen. De term ‘besparingen’ is een “elastisch” begrip. Daaronder vallen volgens de Memorie van Toelichting niet alleen bespaarde kosten van materialen en arbeid die uit de beëindiging van het werk voortvloeien, maar ook een vergoeding voor niet-gelopen risico, voor zover het gebruikelijk is in de begroting van het werk een post daarvoor op te nemen buiten de eigenlijke winst. Verder is van belang dat in geval van een aannemingsovereenkomst met een bepaalde prijs art. 7:764 lid 2 BW meebrengt dat de opdrachtgever (Adelaarsveer) stelplicht en bewijslast heeft van het bestaan en de omvang van die besparingen. In dit verband rust echter op de aannemer (ETE) een belangrijke mededelingsplicht.
2.12
Toepassing van deze uitgangspunten leidt tot het volgende.
2.13
ETE stelt zich op het standpunt dat de deskundige de systematiek van artikel 7:764 lid 2 BW niet correct heeft toegepast. Enerzijds is volgens ETE sprake van inconsistentie, omdat de deskundige niet alleen de rapportages van juli 2020 heeft gebruikt, maar ook latere opdrachtbonnen, nadere inzichten van Adelaarsveer en forfaitaire correcties in zijn berekening heeft betrokken. Anderzijds heeft de deskundige normatieve maatstaven geïntroduceerd zoals “gebruikelijke verhouding hoofdaannemer/onderaannemer” en “redelijke samenwerking”. Het gaat uitsluitend om feitelijke besparingen en niet om hypothetische redelijkheid, aldus ETE.
2.14
Het hof heeft in zijn arrest van 13 mei 2025 overwogen dat de deskundige voor wat de stand van het werk per 3 juli 2020 betreft de rapportages met punten van kritiek van Adelaarsveer van juli 2020 en de reactie daarop van ETE van 17 juli 2020 als uitgangspunt kan nemen. De deskundige diende zich vervolgens zelfstandig een oordeel te vormen over de meest kostenefficiënte manier waarop ETE de af te ronden werkzaamheden zou hebben uitgevoerd en welk bedrag ETE zich heeft bespaard doordat zij de werkzaamheden niet meer heeft hoeven afronden, daaronder begrepen eventuele kosten van herstel van de door haar tot dan toe uitgevoerde werkzaamheden, voor zover die in genoemde rapportages zijn benoemd.
2.15
De omstandigheid dat de deskundige de rapportages en de reactie daarop tot uitgangspunt moest nemen wat de stand van het werk betreft, betekent niet dat hij bij de berekening van de bespaarde kosten geen acht mag slaan op andere gegevens.
2.16
Het hof stelt vast dat de deskundige ETE heeft gevraagd om onder meer haar begroting van het werk en installatietekeningen aan te leveren, maar dat ETE niet aan dat verzoek heeft voldaan, terwijl op haar wel een belangrijke mededelingsplicht rust. Nu ETE onvoldoende aan haar mededelingsplicht heeft voldaan, kan zij niet klagen over het feit dat de deskundige zich bij de begroting van de bespaarde kosten ook op andere gegevens heeft moeten baseren. Dat de deskundige daarbij in aanmerking neemt wat in de bouw gebruikelijk is en redelijk en billijk wordt geacht, ligt in de rede.
2.17
De omstandigheid dat opmerkingen van Adelaarsveer op het conceptrapport van de deskundige tot aanpassing van dat rapport hebben geleid, is een logisch gevolg van het beginsel van hoor en wederhoor dat de deskundige dient te respecteren.
2.18
Het hof acht de klachten die ETE over de totstandkoming van het rapport heeft geuit dan ook ongegrond.
2.19
ETE heeft in haar antwoordmemorie na deskundigenbericht één inhoudelijk bezwaar geuit tegen de berekening van de deskundige. ETE acht de toepassing van een forfaitaire risicopost van 2% over de volledige aanneemsom in strijd met artikel 7:764 BW.
2.20
De deskundige heeft in zijn rapport toegelicht dat hij deze post over de volledige aanneemsom en het meerwerk in aanmerking heeft genomen omdat door beëindiging van de overeenkomst voor ETE de garantieverplichting vervalt.
2.21
Uit de Memorie van Toelichting op artikel 7:764 BW (zie r.o. 2.11 hiervoor) volgt dat onder het begrip “bespaarde kosten” ook een vergoeding voor niet-gelopen risico valt. Van strijdigheid met artikel 7:764 BW is dan ook geen sprake.
2.22
Het hof stelt wel vast dat de deskundige de 2% heeft berekend over de aanneemsom en het meerwerk, maar het minderwerk niet in zijn berekening heeft betrokken. In het tussenarrest van 29 oktober 2024 heeft het hof in rechtsoverweging 4.23 vastgesteld dat het minderwerk 8.250 bedroeg, zodat de prijs voor het hele werk € 285.065 bedroeg. Het risicopercentage dient over laatstgenoemd bedrag te worden berekend en bedraagt dus:€ 5.701,30 in plaats van € 5.866,30. Het hof zal daarom de berekening van de deskundige met een bedrag van € 165 corrigeren.
2.23
Adelaarsveer uit in haar memorie na deskundigenbericht kritiek op de volgende onderdelen van het oordeel van de deskundige. Berekening uurtarief
2.24
Adelaarsveer heeft in reactie op het conceptrapport van de deskundige bezwaar gemaakt tegen het door de deskundige gehanteerde uurtarief omdat dat afweek van het door ETE zelf in (credit)facturen gehanteerde uurtarief van € 55 en € 57. De deskundige heeft in reactie daarop aangegeven dat het in het ene geval ging om een creditfactuur van een ander werk en dat het bovendien een bruto (commercieel) uurtarief (dus inclusief opslagen) betrof. De deskundige heeft in zijn rapport uiteengezet hoe hij tot het door hem bepaalde uurtarief is gekomen en heeft geen aanleiding gezien dat naar aanleiding van dit bezwaar van Adelaarsveer aan te passen.
2.25
In de memorie na deskundigenbericht komt Adelaarsveer met nieuwe argumenten waarom de deskundige het uurtarief niet correct zou hebben bepaald. Dat is te laat. Adelaarsveer was in de gelegenheid te reageren op het conceptdeskundigenbericht en had toen haar bezwaren moeten voorleggen aan de deskundige, zodat hij daarop had kunnen reflecteren. Nu Adelaarsveer dat niet heeft gedaan, gaat het hof aan deze pas achteraf opgeworpen bezwaren voorbij. De deskundige heeft goed gemotiveerd hoe hij tot het door hem bepaalde uurtarief is gekomen, heeft rekening gehouden met de ten aanzien daarvan geformuleerde bezwaren, en het hof zal hem volgen in zijn deskundig oordeel.Algemene kosten AK
2.26
Adelaarsveer heeft verder betoogd dat het redelijk is om een percentage AK van 1,5% als opslag over de nog uit te voeren werkzaamheden als besparing in aanmerking te nemen. Dat zou volgens Adelaarsveer moeten resulteren in een bijtelling van € 748.
2.27
De deskundige heeft in reactie op dit bezwaar van Adelaarsveer aangegeven voor een dergelijke bijtelling geen aanleiding te zien omdat ETE de kosten voor werkvoorbereiding, projectleiding en overige algemene kosten al grotendeels had gemaakt. Het hof volgt de deskundige in dat oordeel.
Optelfout
2.28
Adelaarsveer heeft gesteld dat sprake is van een optelfout in de berekening van de deskundige van € 25 per woning, omdat de door de deskundige genoemde posten optellen tot een bedrag van € 395 per woning. Adelaarsveer miskent daarbij dat de deskundige heeft overwogen dat de post installatietekeningen (installatieschema) van € 25 naar zijn oordeel niet valt onder bespaarde kosten. Van een optelfout is daarom geen sprake. Keuring meterkasten
2.29
Adelaarsveer heeft verder aangevoerd dat de deskundige de kosten van het keuren van de meterkasten te laag heeft begroot omdat de deskundige ten onrechte is uitgegaan van de aanname dat ETE dit zelf kon uitvoeren. Adelaarsveer heeft benadrukt dat die aanname onjuist is omdat ETE na het vertrek van medewerker [naam] geen personeel in dienst had dat gekwalificeerd was om meterkastkeuringen uit te voeren. ETE diende daarvoor een gekwalificeerde onderaannemer in te schakelen. De bespaarde kosten dienen in dat verband met € 100 per woning te worden vermeerderd, aldus Adelaarsveer.
2.30
Het hof stelt vast dat ETE een en ander bij haar antwoordmemorie na deskundigenbericht niet heeft weersproken. Om die reden zal het hof de berekening van de deskundige op dit punt corrigeren met € 100 per woning, dus met een bedrag van € 1000.Installatietekeningen
2.31
Wat de installatietekeningen (installatieschema) betreft maakt de deskundige onderscheid tussen het verstrekken van tekeningen ten behoeve van het opleverdossier – die door hem zijn opgenomen onder de post “sticker, opl. dossier, certificaten etc.” – en het zorgdragen voor papieren installatietekeningen ten behoeve van en gedurende de uitvoering van de werkzaamheden door ETE. De deskundige stelt vast dat dat laatste tijdens de uitvoering niet zo is gedaan en dat uitvoering van die werkzaamheden na juli ook niet meer aan de orde zou zijn geweest en daarom geen besparing opleveren.
2.32
Het hof vindt de uitleg van de deskundige overtuigend en ziet in hetgeen Adelaarsveer daartegen heeft ingebracht geen aanleiding op dit punt toch een besparing aan te nemen.Wandcontactdozen
2.33
Wat de ruggelings aangebracht wandcontactdozen betreft benadrukt Adelaarsveer dat zij – anders dan de deskundige veronderstelt – ETE wel degelijk op dit probleem heeft gewezen, namelijk op 24 maart 2020. Zij verwijst in dat verband naar productie H8, een tekening en productie H9, het verslag van een bespreking van 24 maart 2020, punt 10.
2.34
ETE heeft een en ander niet weersproken. Het hof is gelet daarop van oordeel dat ETE voor herstel had moeten zorgdragen en dat zij, nu zij dat door opzegging van de overeenkomst niet meer heeft hoeven doen, ter zake kosten heeft bespaard. Uit het deskundigenrapport (6e blad, punt 5) en de bijgevoegde berekening (posten 19, 20, 23, 24, 139, 140, 151) blijkt dat het gaat in 23 ruggelings aangebrachte wandcontactdozen en dat de deskundige al rekening heeft gehouden met een besparing van 75 euro per geval. De deskundige heeft aangegeven (17e blad onder volgnummer 19/20/23 enz.) dat bij een volledige vergoeding de extra herstelkosten € 1.150 bedragen. Het hof zal dat bedrag als besparing in aanmerking nemen. Bedrading in loze leidingen
2.35
Adelaarsveer voert verder aan dat ETE ten onrechte bedrading heeft aangebracht in leidingen die loos hadden moeten worden opgeleverd en dat rekening moet worden gehouden met de kosten die ETE heeft bespaard doordat zij deze niet meer heeft hoeven verwijderen.
2.36
De deskundige heeft tot uitgangspunt genomen dat het verwijderen van bedrading (die in een later stadium voor rekening van derden weer wordt aangebracht) in een gebruikelijke relatie hoofdaannemer-onderaannemer niet aan de orde zou zijn geweest.
2.37
Adelaarsveer noemt dat uitgangspunt onbegrijpelijk en wijst erop dat dit alleen opgaat als van tevoren bekend zou zijn welke type kabel iedere koper nodig had (bijvoorbeeld afhankelijk van de gekozen provider) en ook de juiste kabels naar de juiste aansluitpunten waren gebracht. Volgens Adelaarsveer moest van 28 van de 31 aansluitpunten de aangebrachte bedrading worden verwijderd, terwijl de deskundige maar met twee stuks rekening heeft gehouden. Het totaal aan bespaarde kosten moet daarom volgens Adelaarsveer ten aanzien van volgnummer 99 worden vermeerderd met € 266,50 (26 x € 10,25).
2.38
ETE heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Het hof volgt de uitleg van Adelaarsveer en zal daarom een dergelijke correctie toepassen.Rioolontspanning
2.39
Adelaarsveer stelt zich op het standpunt dat de ontluchtingsvoorziening op het dak niet conform de geldende regelgeving is aangebracht en verwijst in dat verband naar het algemeen deel van haar rapportage. Volgens Adelaarsveer voldoet de door ETE aangebrachte voorziening niet aan de normen van NEN3215 die zijn uitgewerkt in het door Wavin opgestelde Technisch Handboek Binnenriolering Afvalwater. De deskundige is hier niet op ingegaan, omdat hij het commentaar kennelijk zo heeft opgevat dat in het geheel geen rioolontluchtingspannen zouden mogen worden toegepast. Dat is volgens de deskundige “in principe” wel toegestaan. De strekking van de klacht van Adelaarsveer is echter dat foutieve rioolontluchtingspannen zijn geplaatst en dat in dit geval dakpijpen hadden moeten worden toegepast. Het had onder die omstandigheden op de weg van ETE gelegen om dat laatste te bestrijden. Dat is niet gebeurd, zodat het hof zal uitgaan van de juistheid van de stellingen van Adelaarsveer en van het evenmin bestreden bedrag van € 2.500 aan ter zake bespaarde kosten.Kleine omissies in berekening
2.40
Adelaarsveer heeft tot slot gewezen op een aantal kleine omissies in de berekening van de bespaarde kosten. In verband daarmee moet het totaal van de bespaarde kosten volgens Adelaarsveer worden vermeerderd met € 310,45.
2.41
ETE heeft dit niet weersproken en het hof stelt vast dat de opmerkingen van Adelaarsveer juist zijn. De correctie van € 310,45 zal daarom worden toegepast. Samenvatting
2.42
Het voorgaande leidt tot de volgende correcties op de berekening van de deskundige:bespaarde kosten volgens het deskundigenrapport € 50.253,20 correcties (165 + 1000 + 1.150 + 266,50 + 2.500 + 310,45 =) € 5.391,95 + totaal € 55.645,15opslag bouwplaatskosten 3% € 1.669,35opslag klein materieel 1% € 556,45 + subtotaal € 57.870,95risico 2% van 285.065 € 5.701,30 + totaal bespaarde kosten € 63.572,25aanneemsom € 264.315meerwerk € 29.000minderwerk € 8.250prijs € 285.065
2.43
Dit betekent dat Adelaarsveer aan ETE verschuldigd is:de overeengekomen prijs voor het werk € 285.065,00verminderd met de besparingen van ETE € 63.572,25 -
per saldo € 221.492,75Adelaarsveer had ttv de opzegging al voldaan € 114.315,00 -resteerde in hoofdsom te voldoen € 107.177,75
2.44
Dit bedrag dient te worden verminderd met het bedrag van € 3.163,91 in verband met de vordering die [naam] op ETE had en op 26 oktober 2020 aan Adelaarsveer heeft gecedeerd, zodat er € 104.013,84 in hoofdsom door Adelaarsveer resteerde te voldoen. Dat bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 november 2020 (conform de geldende betalingstermijn van 30 dagen na de inleidende dagvaarding; het moment waarop ETE haar eindafrekening heeft gepresenteerd). Ook de buitengerechtelijke kosten komen overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking: € 1.815,14. Slotsom
2.45
Het principaal hoger beroep slaagt ten dele. Dat geldt ook voor het incidenteel hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met uitzondering van het dictum onder 5.3 en 5.4. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen en Adelaarsveer veroordelen tot betaling van een bedrag van € 104.013,84 aan ETE, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten.
2.46
Omdat Adelaarsveer op 4 mei 2023 uitvoering heeft gegeven aan het eindvonnis waarvan beroep, zal het hof ETE veroordelen om hetgeen Adelaarsveer ter uitvoering van het thans deels vernietigde vonnis teveel en daarmee onverschuldigd aan ETE heeft voldaan, terug te betalen aan Adelaarsveer, te vermeerderen met de (gewone) wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van terugbetaling.
2.47
In de omstandigheid dat partijen in het hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het gelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten van het hoger beroep te compenseren, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep draagt. De proceskostenveroordeling van de procedure in eerste instantie blijft in stand omdat Adelaarsveer de grotendeels in het ongelijk gestelde partij was en blijft.
2.48
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
3De beslissing
Het hof:
In het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
3.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 6 januari 2021, behoudens voor zover daarin is geoordeeld dat Adelaarsveer zich niet op de vernietiging van de artikelen 4, 9, 11, 14, 15 en 16 van de algemene voorwaarden van ETE kon beroepen en vernietigt dat vonnis in zoverre;
3.2
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 5 april 2023, behalve de beslissingen onder 5.3 en 5.4, die hierbij worden vernietigd, en beslist in zoverre opnieuw:
3.3
veroordeelt Adelaarsveer tot betaling aan ETE van € 104.013,84 vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 5 november 2020 tot aan de dag van volledige betaling;
3.4
veroordeelt Adelaarsveer tot betaling aan ETE van € 1.815,14 aan buitengerechtelijke kosten:
3.5
veroordeelt ETE om hetgeen Adelaarsveer ter uitvoering van het nu deels vernietigde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland locatie Assen van 5 april 2023 op 4 mei 2023 teveel en daarmee onverschuldigd aan ETE heeft voldaan, terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 mei 2023 tot aan de dag van terugbetaling door ETE;
3.6
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep dragen;
3.7
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.8
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.A. Wind, M.W. Zandbergen en M.F. Eliens, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.
MvT, Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 38-39
HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728 (https://www.inview.nl/document/idea9f6eb5a7d448cdb7e395502359ac84), NJ 2013/225 (https://www.inview.nl/document/id2434312ae1a8402a9d600396c646e1c8), met verwijzing naar TM, Kamerstukken II 1992/93, 23095, nr. 3, p. 39.