Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:5139

2026-08-04 Civiel recht 200.363.092/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.363.092/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Koop van een Amerikaanse schoolbus die is uitgerust als camper. Volgens eiseres, die de bus van gedaagde heeft gekocht, is de bus als vrachtwagen geregistreerd en lukt het haar daarom niet de bus te verzekeren. Zij wil de koop ontbinden.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.203 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Leeuwarden, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.363.092/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 180088




arrest van 4 augustus 2026




in de zaak van





[appellante]


die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie
en eiseres in voorwaardelijke reconventie
advocaat: mr. B. Korvemaker



tegen





[geïntimeerde]


die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie
en verweerster is voorwaardelijke reconventie
advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel






1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 10 mei 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Tegen [geïntimeerde] is toen ‘verstek verleend’. Dat betekent dat zij in hoger beroep in eerste instantie geen verweer heeft gevoerd. Het hof heeft vervolgens op 7 mei 2024 onder zaaknummer 200.332.592 arrest gewezen.



1.2

[geïntimeerde] is van deze uitspraak tijdig in verzet gekomen en heeft alsnog geantwoord op de grieven van [appellante] . Daarna heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt (het ‘proces-verbaal’). Ten slotte heeft het hof bepaald dat opnieuw arrest wordt gewezen – in dit geval onder zaaknummer 200.363.092/01.






2De kern van de zaak; vaststaande feiten


2.1
Deze zaak gaat over de koop van een Amerikaanse schoolbus die is uitgerust als camper. Volgens [geïntimeerde] , die de bus van [appellante] heeft gekocht, is de bus als vrachtwagen geregistreerd en lukt het haar daarom niet de bus te verzekeren. Zij wil de koop ontbinden. Dat geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.



2.2

[appellante] is eigenaar van een Amerikaanse schoolbus die zij heeft omgebouwd voor verblijfsdoeleinden. De bus is bijna 11 meter lang, heeft een gewicht van 6.900 kilo en staat bij de RDW geregistreerd in de voertuigcategorie ‘Bedrijfsauto (N3)’ met carrosserietype “Vrachtwagen (BA)”. De bus is WA-verzekerd als onderdeel van de bedrijfsvoorraad van het bedrijf van de partner van [appellante] .



2.3
Omstreeks september 2020 heeft [appellante] de bus op Marktplaats te koop aangeboden in de categorie ‘Caravans en Kamperen’ (subcategorie ‘Campers’). De titel van de advertentie luidde “International Amerikaanse schoolbus, camper, tiny house (betaald)”. In de advertentietekst wordt de bus aangeboden als een “zeer luxueuze en exclusieve International Amerikaanse schoolbus camper/tiny house uit 1997 (…) Om deze bus te mogen besturen is het c rijbewijs dus noodzakelijk… Dit is uw kans om in een excentrieke schoolbus te gaan wonen /reizen.”



2.4
Nadat [geïntimeerde] de bus die maand als particulier had gekocht en een voorschot had betaald, is discussie ontstaan over de koopovereenkomst en de nakoming daarvan door [geïntimeerde] . [appellante] heeft toen conservatoir beslag onder [geïntimeerde] laten leggen en is een procedure tegen haar begonnen. Ter beëindiging van dat geschil hebben partijen afgesproken dat de levering van de bus in februari 2021 zou plaatsvinden.



2.5

[geïntimeerde] heeft vervolgens het restant van de koopsom van in totaal € 81.500 aan [appellante] betaald, maar de bus is niet aan haar geleverd - in eerste instantie omdat partijen het niet eens werden over de plaats van aflevering, in de tweede instantie omdat discussie ontstond over de verzekerbaarheid van de bus in verband met de vrijwaring van [appellante] bij aflevering.



2.6
Op 1 april 2021 heeft de advocaat van [geïntimeerde] de advocaat van [appellante] geschreven dat [geïntimeerde] de camper niet kon verzekeren vanwege het feit dat deze als vrachtwagen bij de RDW stond geregistreerd; “Daarover is cliënte niet geïnformeerd door uw cliënte. Het is dus een feit dat er niet geleverd kan worden wat er verkocht is, namelijk een camper.”



2.7
Op 19 mei 2021 heeft [geïntimeerde] de koopovereenkomst ontbonden en [appellante] om terugbetaling van de koopsom verzocht. [appellante] heeft aan dit verzoek niet voldaan.






3De procedures; het oordeel van het hof in de verstekzaak


3.1
Omdat partijen dit probleem onderling niet konden oplossen, is [geïntimeerde] een procedure begonnen. Daarin heeft zij de rechtbank gevraagd uit te spreken (‘voor recht te verklaren’) dat de koop is ontbonden, met veroordeling van [appellante] de koopsom terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook is een kostenveroordeling gevraagd. Voor het geval die vordering zou worden afgewezen, heeft [appellante] gevorderd dat [geïntimeerde] op straffe van een dwangsom ertoe wordt veroordeeld de bus in Nederland in ontvangst te nemen, onder vrijwaring van [appellante] .



3.2
De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, onder afwijzing van de vordering van [appellante] . De bedoeling van het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld, is dat de toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen en dat die van haar wordt toegewezen.



3.3
In het verstekarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 10 mei 2023 vernietigd en [geïntimeerde] veroordeeld om de bus onvoorwaardelijk in ontvangst te nemen op een door [geïntimeerde] aan te wijzen locatie in Nederland, binnen twee weken nadat [appellante] haar schriftelijk en onder bijvoeging van een bewijsstuk heeft meegedeeld dat de bus als camper bij de RDW is geregistreerd, met gelijktijdige en onvoorwaardelijke tenaamstelling en vrijwaring van [appellante] . Aan die veroordeling heeft het hof een door [geïntimeerde] te verbeuren dwangsom verbonden. [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van [appellante] .



3.4
De vorderingen zullen hierna opnieuw worden beoordeeld, in het licht van het standpunt van [geïntimeerde] in dit hoger beroep inmiddels heeft ingenomen.






4Het oordeel van het hof in deze verzetzaak



Inleiding




4.1
Het hof zal - anders dan in de verstekzaak - oordelen dat het hoger beroep faalt. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft. Dat wordt hierna uitgelegd.



De vorderingen van [geïntimeerde]





4.2
Er is in deze zaak geen discussie over dat [geïntimeerde] de bus als camper wilde gebruiken. Technische gebreken aan die bus of de vraag of de bus praktisch gesproken als camper kan worden gebruikt, spelen niet. Gelet op de formulering van de advertentie mocht [geïntimeerde] er echter in beginsel wel van uitgaan dat dit voertuig particulier kon worden verzekerd. Volgens [appellante] is dat (zij het tegen een ander tarief dan bij een camperverzekering) ook mogelijk bij een bus die als vrachtwagen staat geregistreerd.



4.3
Het hof volgt [appellante] daarin niet. De rechtbank heeft na een uitgebreide discussie hierover namelijk vastgesteld dat dit argument afstuitte op de omstandigheid dat een verzekering voor een vrachtwagen alleen wordt afgesloten voor vervoer van goederen voor een bedrijf. Daarbij heeft de rechtbank onder meer de door [appellante] gestelde omstandigheid meegewogen dat er kennelijk ook bezitters van schoolbussen zijn die net als [appellante] een vrachtautoverzekering (hebben) kunnen afsluiten. [appellante] had hierover echter geen specifieke informatie gegeven, zodat voor de rechtbank niet duidelijk was of in die gevallen sprake is geweest van particulier of bedrijfsmatig gebruik. Daaraan heeft de rechtbank ter verduidelijking terecht toegevoegd dat haar oordeel enkel draait om de vraag of de als camper verkochte schoolbus door een particulier WA-verzekerd kan worden. De rechtbank heeft [appellante] bewijs van haar stelling opgedragen dat zij over een offerte beschikte van een verzekeraar die haar als particulier een verzekering voor de als vrachtwagen geregistreerde camper aanbood. Dit bewijs heeft zij niet kunnen leveren.


4.4
Naar het oordeel van het hof had het tegen deze achtergrond op de weg van [appellante] gelegen om in hoger beroep alsnog gemotiveerd te bestrijden dat de bus bij een registratie als vrachtwagen niet door een particulier kan worden verzekerd. Dat heeft zij niet gedaan. Daarop moet dit verweer stranden.


4.5

[appellante] voert verder aan dat [geïntimeerde] altijd heeft geweten dat de bus als vrachtwagen stond geregistreerd, en heeft daar ook bewijs van aangeboden. Daar gaat het hof eveneens aan voorbij. Op grond van wat [appellante] zelf aanvoert, zou [geïntimeerde] uit een dergelijke algemene opmerking namelijk nog niet hebben hoeven op te maken dat de bus (die zij persoonlijk als camper kocht) voor haar onverzekerbaar zou zijn. Gelet op het voorgaande, en gelet ook op wat hierna volgt, gaat [appellante] daar zelf namelijk niet van uit. Het verweer is daarmee innerlijk tegenstrijdig. Voor zover het als een subsidiair verweer is bedoeld (ervan uitgaande dat de als vrachtwagen geregistreerde bus niet particulier kon worden verzekerd), is de opmerking te algemeen; met een dergelijke opmerking alleen hoefde voor [geïntimeerde] nog niet duidelijk te zijn dat zij de bus niet zou kunnen verzekeren.



4.6

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de bus door haar niet kon worden verzekerd, omdat (die bus ten tijde van de koop als vrachtwagen was geregistreerd en) de bus niet als camper kon worden geregistreerd. Dat laatste bestrijdt [appellante] eveneens. Volgens haar was herregistratie van de bus als camper eenvoudig te realiseren. Het hof zal hierna concluderen dat [appellante] ook dat verweer onvoldoende heeft onderbouwd.



4.7
Vast staat dat [geïntimeerde] [appellante] heeft verzocht de bus als camper te laten registreren en dat [appellante] heeft aangeboden daarvoor te zorgen. Dat is tot op heden echter niet gebeurd – zelfs niet nadat het hof [geïntimeerde] bij verstek had veroordeeld de bus in ontvangst te nemen na herregistratie ‘binnen bekwame tijd’ door [appellante] . Dat arrest dateert inmiddels van ruim twee jaar geleden. Gelet daarop, en omdat het ook onvoldoende steun vindt in de stukken, is onvoldoende verweer gevoerd tegen het uitgangspunt van [geïntimeerde] dat de bus niet als camper geregistreerd kan worden (en dus ook niet als zodanig door haar kan worden verzekerd).



4.8
Volgens [appellante] is [geïntimeerde] in schuldeisersverzuim geraakt, omdat zij de onredelijke eis heeft gesteld dat de bus in België zou worden afgeleverd. Dat verweer kan niet slagen, ten eerste omdat uit de correspondentie blijkt dat [geïntimeerde] (ook) akkoord ging met levering in [woonplaats2] ; ten tweede: ook bij aflevering op een voor [appellante] wel acceptabele locatie zou zij zijn tekortgeschoten in de levering van een bus die aan de overeenkomst voldeed (namelijk een bus die door [geïntimeerde] kon worden verzekerd).



4.9
Op het voorgaande moeten de grieven van [appellante] alsnog stranden.



De vorderingen van [appellante]





4.10
Aan bespreking van de voorwaardelijke vordering van [appellante] komt het hof niet toe, omdat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft kunnen ontbinden. De voorwaarde die zij stelde, hield in dat dat niet het geval was.







De conclusie





4.11
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellante] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.






5De beslissing


Het hof:



verklaart het verzet gegrond;



vernietigt het verstekarrest van 7 mei 2024 met zaaknummer 200.332.592/01;



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van
10 mei 2023;



veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep in de zaken 200.332.592 en 200.332.592/01:



€362 aan procedurele kosten (griffierecht)
€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x appeltarief IV)



bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;



verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst af wat verder is gevorderd.




Dit arrest is gewezen door M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.



Gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2024:3282.


Waarbij zij wisselende standpunten heeft ingenomen welk tarief goedkoper zou zijn.


Rechtsoverweging 4.8 van het vonnis van 17 augustus 2022 en rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.6 van het vonnis van 10 mei 2023.