Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5113
2026-08-04
Civiel recht
200.348.401
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Effectenlease. Dexia.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7324 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26-11-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:7752 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.402 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.401
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede , 10681057
arrest van 4 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede , (hierna: de kantonrechter) op 26 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte uitlaten producties van Dexia
de antwoordakte van de afnemer.
2De kern van de zaak
2.1.
Deze zaak gaat over twee effectenleaseovereenkomsten (hierna gezamenlijk: de effectenleaseovereenkomst en afzonderlijk: overeenkomsten I en II) die via een tussenpersoon ( [naam1] Financieel Advies, hierna: de tussenpersoon) tot stand zijn gekomen tussen Dexia en de afnemer. Daarnaast is tussen partijen nog een effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: overeenkomst III). Die speelt in hoger beroep geen rol meer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden.
2.2.
De afnemer heeft bij de kantonrechter onder meer, kort gezegd, gevorderd om voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hem tekort is geschoten, dat de afnemer daardoor schade heeft geleden die Dexia moet vergoeden en Dexia te veroordelen tot voldoening aan hem van hetgeen de afnemer in verband met de effectenleaseovereenkomst heeft voldaan, vermeerderd met rente en kosten. Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst en overeenkomst III aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst onrechtmatig jegens de afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon de afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om de in het vonnis omschreven schadevergoeding en wettelijke rente aan de afnemer te betalen. De kantonrechter heeft verder voor recht verklaard dat de afnemer met betrekking tot overeenkomst III niets meer van Dexia te vorderen heeft. De andere vorderingen van Dexia zijn afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw.
2.4.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
2.5.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia, en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
2.6.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de afnemer en het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
2.7.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
3Het oordeel van het hof
Advisering door de tussenpersoon en wetenschap Dexia
3.1.
Dexia heeft aangevoerd dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst geen vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door de tussenpersoon. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Meer specifiek heeft Dexia in hoger beroep aangevoerd dat van een vergunningplichtig advies (in het kader van beroep of bedrijf) mogelijk geen sprake is: uit de belastingaangifte van 1999 volgt namelijk dat [naam2] de partner van de afnemer is en volgens de eigen stelling van de afnemer (onder 5 e.v. van de dagvaarding) droeg de adviseur ook de naam [naam2] . De afnemer heeft bij memorie van antwoord erkend dat het om dezelfde persoon gaat en [naam2] de partner van de afnemer was maar heeft bij memorie van antwoord zijn stelling gewijzigd: bij overeenkomst I die is gesloten op 2 februari 1999 was zij niet als adviseur betrokken, bij overeenkomst II, die is gesloten op 23 februari 1999 fungeerde zij slechts als doorgeefluik. [naam2] is op 11 februari 1999 in dienst getreden bij de tussenpersoon dus zij kan niet de adviseur zijn geweest met betrekking tot overeenkomst I. Bij overeenkomst II was zij pas net in dienst bij de tussenpersoon en heeft zij slechts het advies van een collega doorgegeven om overeenkomst II af te sluiten om zo tot de gewenste pensioenopbouw te komen. De afnemer heeft er nog op gewezen dat Dexia de aanvraagformulieren waarop de naam van de betrokken adviseur staat, niet in het geding heeft gebracht.
3.2.
Het hof stelt Dexia in de gelegenheid om op dit nadere standpunt van de afnemer bij akte te reageren en haar eigen verweer op dit punt nader te onderbouwen (met stukken). Vervolgens zal de afnemer in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen.
3.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 18 augustus 2026 voor het nemen van een akte door Dexia zoals bedoeld onder rov. 3.2 en bepaalt dat de afnemer vervolgens binnen een termijn van twee weken de gelegenheid krijgt om een antwoordakte te nemen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Aksu en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Voor zover Dexia en/of de afnemer in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd (al dan niet door deponering bij de griffie), stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijke processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of de afnemer bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen. Een en ander geldt niet of niet zonder meer voor de bij een memorandum overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.348.401
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede , 10681057
arrest van 4 augustus 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.
die is gevestigd in Amsterdam
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie
hierna: Dexia
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
en bij de kantonrechter optrad als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie
hierna (in mannelijk enkelvoud): de afnemer
advocaat: mr. J.B. Maliepaard
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Dexia heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede , (hierna: de kantonrechter) op 26 september 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
de akte uitlaten producties van Dexia
de antwoordakte van de afnemer.
2De kern van de zaak
2.1.
Deze zaak gaat over twee effectenleaseovereenkomsten (hierna gezamenlijk: de effectenleaseovereenkomst en afzonderlijk: overeenkomsten I en II) die via een tussenpersoon ( [naam1] Financieel Advies, hierna: de tussenpersoon) tot stand zijn gekomen tussen Dexia en de afnemer. Daarnaast is tussen partijen nog een effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: overeenkomst III). Die speelt in hoger beroep geen rol meer. Centraal staat de vraag of de afnemer door de tussenpersoon is geadviseerd terwijl deze niet over de daarvoor vereiste vergunning beschikte en of Dexia dat wist dan wel behoorde te weten. Indien dat het geval is, is Dexia gehouden de door de afnemer geleden schade volledig te vergoeden.
2.2.
De afnemer heeft bij de kantonrechter onder meer, kort gezegd, gevorderd om voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens hem tekort is geschoten, dat de afnemer daardoor schade heeft geleden die Dexia moet vergoeden en Dexia te veroordelen tot voldoening aan hem van hetgeen de afnemer in verband met de effectenleaseovereenkomst heeft voldaan, vermeerderd met rente en kosten. Dexia heeft bij de kantonrechter gevorderd een verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst en overeenkomst III aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan de afnemer is verschuldigd, alsmede een veroordeling van de afnemer in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot de effectenleaseovereenkomst onrechtmatig jegens de afnemer heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon de afnemer niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om de in het vonnis omschreven schadevergoeding en wettelijke rente aan de afnemer te betalen. De kantonrechter heeft verder voor recht verklaard dat de afnemer met betrekking tot overeenkomst III niets meer van Dexia te vorderen heeft. De andere vorderingen van Dexia zijn afgewezen. In dit hoger beroep behandelt het hof de vorderingen van de afnemer en van Dexia opnieuw.
2.4.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
2.5.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de weergave van de vorderingen van de afnemer en van Dexia, en de grondslagen daarvan. Deze weergave is in hoger beroep niet bestreden.
2.6.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de afnemer en het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
2.7.
De afnemer heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans afwijzing van Dexia’s vorderingen.
3Het oordeel van het hof
Advisering door de tussenpersoon en wetenschap Dexia
3.1.
Dexia heeft aangevoerd dat, anders dan de kantonrechter oordeelde, de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst geen vergunningplichtig advies aan de afnemer heeft gegeven en dat Dexia in elk geval niet wist of behoorde te weten van dergelijke advisering door de tussenpersoon. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Meer specifiek heeft Dexia in hoger beroep aangevoerd dat van een vergunningplichtig advies (in het kader van beroep of bedrijf) mogelijk geen sprake is: uit de belastingaangifte van 1999 volgt namelijk dat [naam2] de partner van de afnemer is en volgens de eigen stelling van de afnemer (onder 5 e.v. van de dagvaarding) droeg de adviseur ook de naam [naam2] . De afnemer heeft bij memorie van antwoord erkend dat het om dezelfde persoon gaat en [naam2] de partner van de afnemer was maar heeft bij memorie van antwoord zijn stelling gewijzigd: bij overeenkomst I die is gesloten op 2 februari 1999 was zij niet als adviseur betrokken, bij overeenkomst II, die is gesloten op 23 februari 1999 fungeerde zij slechts als doorgeefluik. [naam2] is op 11 februari 1999 in dienst getreden bij de tussenpersoon dus zij kan niet de adviseur zijn geweest met betrekking tot overeenkomst I. Bij overeenkomst II was zij pas net in dienst bij de tussenpersoon en heeft zij slechts het advies van een collega doorgegeven om overeenkomst II af te sluiten om zo tot de gewenste pensioenopbouw te komen. De afnemer heeft er nog op gewezen dat Dexia de aanvraagformulieren waarop de naam van de betrokken adviseur staat, niet in het geding heeft gebracht.
3.2.
Het hof stelt Dexia in de gelegenheid om op dit nadere standpunt van de afnemer bij akte te reageren en haar eigen verweer op dit punt nader te onderbouwen (met stukken). Vervolgens zal de afnemer in de gelegenheid worden gesteld om een antwoordakte te nemen.
3.2.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4De beslissing
Het hof:
4.1.
verwijst de zaak naar de roldatum van 18 augustus 2026 voor het nemen van een akte door Dexia zoals bedoeld onder rov. 3.2 en bepaalt dat de afnemer vervolgens binnen een termijn van twee weken de gelegenheid krijgt om een antwoordakte te nemen;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.P. Giesen, M. Aksu en M. Schoemaker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
4 augustus 2026.
Voor zover Dexia en/of de afnemer in hoger beroep bij de memorie als productie een memorandum of een reactie daarop hebben overgelegd (al dan niet door deponering bij de griffie), stelt het hof vast dat deze producties geen bewijsstuk of productie zijn in de zin van artikel 1.2 aanhef en onder c van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR), maar uitgebreide processtukken, met een uitvoerige toelichting op de standpunten, al dan niet onder verwijzing naar verdere bijlagen die bij deze producties zijn gevoegd. Voor het indienen van dergelijke processtukken, naast de memorie die de argumenten van Dexia en/of de afnemer bevat, bestaat geen ruimte. Bovendien is de maximumomvang van een memorie volgens het LPR 25 pagina’s. Overschrijding van die omvang – zoals door dit memorandum en de reactie daarop het geval is – vereist voorafgaande toestemming van het hof, die niet is gevraagd en dus ook niet is verleend. Een procespartij dient zijn bezwaren tegen de uitspraak in beginsel in zijn memorie gepreciseerd en gemotiveerd uiteen te zetten, niet door verwijzing naar een ander stuk. Op zo’n memorandum en de reactie daarop wordt daarom geen acht geslagen. Een en ander geldt niet of niet zonder meer voor de bij een memorandum overgelegde producties. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7324, rov. 2.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7752, rov. 1.2. Een eventueel bij de kantonrechter overgelegd en toegelaten memorandum en een reactie daarop behoren tot het procesdossier en zijn in de beoordeling betrokken.