Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:5009
2026-07-30
Strafrecht
200.363.739/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding. De gemachtigde is te laat verschenen op de zitting van de kantonrechter. In zo’n geval hoeft in beginsel geen punt te worden toegekend voor het verschijnen ter zitting. Er kunnen echter omstandigheden zijn waaronder het redelijk is om hiervoor wel een vergoeding toe te kennen. Dergelijke omstandigheden doen zich hier voor.
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4520 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-06-2020
- ECLI:NL:GHARL:2021:3244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-04-2021
- ECLI:NL:HR:2023:1526 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2025:253 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.184 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.363.739/01
CJIB-nummer
: 248848551
Uitspraak d.d.
: 30 juli 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 16 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan de kantonrechter bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting. Namens de gemachtigde heeft mr. P.C. van den Aarsen ruim anderhalf uur van tevoren gebeld en aangegeven dat hij tien minuten later zou zijn. Hierbij is verzocht om de behandeling aan te houden voor die duur. De bode heeft aangegeven dat dit geen probleem zou zijn, maar is vervolgens vergeten dit door te geven aan de kantonrechter. De kantonrechter stelde bij binnenkomst dat als hij het had geweten, hij heus wel zou hebben gewacht. De zaak was nu al gesloten. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 in plaats van 0,5 heeft toegepast .
2. De kantonrechter heeft geen proceskostenvergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting. Uit de beslissing van de kantonrechter, tevens proces-verbaal van de zitting, blijkt dat de betrokkene en de gemachtigde niet zijn verschenen. Hierin is verder opgenomen dat, nadat de kantonrechter uitspraak had gedaan, P.C. van den Aarsen is verschenen en dat de gemachtigde heeft verzocht om in de uitspraak op te nemen dat hij heeft medegedeeld dat het op de klok in de zittingszaal 13:12 uur was toen hij naar binnen liep. Uit het dossier blijkt verder dat de gemachtigde is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 16 oktober 2025 om 13:10 uur.
3. Namens de betrokkene is niemand verschenen op de zitting van de kantonrechter zodat voor het verschijnen ter zitting in beginsel geen punt hoeft te worden toegekend. Er kunnen echter omstandigheden zijn waaronder het redelijk is om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4. Dat een gemachtigde te laat bij een zitting verschijnt, komt in beginsel voor rekening van de betrokkene. Het hof acht het in dit geval aannemelijk dat namens de gemachtigde anderhalf uur voor de zitting is gebeld met de rechtbank en dat de bode niet aan de kantonrechter heeft doorgegeven dat de vertegenwoordiger van de gemachtigde verwacht tien minuten later te zijn en heeft verzocht de zaak aan te houden voor die duur. Dit mocht wel worden verwacht. Van den Aarsen is, uiteindelijk maar twee minuten te laat, verschenen in de veronderstelling dat hij ter zitting in de gelegenheid zou worden gesteld zijn standpunt toe te lichten. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het niet redelijk is dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van de betrokkene blijven.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast, omdat de sanctie uitsluitend wordt gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De kantonrechter verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad, waarin voor belastingzaken bij de berekening van een proceskostenvergoeding bij toekenning van een immateriële schadevergoeding de wegingsfactor 0,25 als uitgangspunt wordt gehanteerd.
6. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dat de toekenning van een schadevergoeding betreft.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter gelet op het voorgaande vernietigen voor zover is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de vergoeding opnieuw berekenen.
8. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakte proceskosten tot een bedrag € 934,- (= 2 x € 934,- x 0,5).
9. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in hoger beroep tot een bedrag van € 23,35 (= 1 x € 934,- x 0,25 x 0,1).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 957,35.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
vgl. de arresten van het hof van 15 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4520 en 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3244.
10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
vgl. het arrest van het hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.363.739/01
CJIB-nummer
: 248848551
Uitspraak d.d.
: 30 juli 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWest-Brabant van 16 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 226,75.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan de kantonrechter bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting. Namens de gemachtigde heeft mr. P.C. van den Aarsen ruim anderhalf uur van tevoren gebeld en aangegeven dat hij tien minuten later zou zijn. Hierbij is verzocht om de behandeling aan te houden voor die duur. De bode heeft aangegeven dat dit geen probleem zou zijn, maar is vervolgens vergeten dit door te geven aan de kantonrechter. De kantonrechter stelde bij binnenkomst dat als hij het had geweten, hij heus wel zou hebben gewacht. De zaak was nu al gesloten. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 in plaats van 0,5 heeft toegepast .
2. De kantonrechter heeft geen proceskostenvergoeding toegekend voor het verschijnen ter zitting. Uit de beslissing van de kantonrechter, tevens proces-verbaal van de zitting, blijkt dat de betrokkene en de gemachtigde niet zijn verschenen. Hierin is verder opgenomen dat, nadat de kantonrechter uitspraak had gedaan, P.C. van den Aarsen is verschenen en dat de gemachtigde heeft verzocht om in de uitspraak op te nemen dat hij heeft medegedeeld dat het op de klok in de zittingszaal 13:12 uur was toen hij naar binnen liep. Uit het dossier blijkt verder dat de gemachtigde is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 16 oktober 2025 om 13:10 uur.
3. Namens de betrokkene is niemand verschenen op de zitting van de kantonrechter zodat voor het verschijnen ter zitting in beginsel geen punt hoeft te worden toegekend. Er kunnen echter omstandigheden zijn waaronder het redelijk is om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4. Dat een gemachtigde te laat bij een zitting verschijnt, komt in beginsel voor rekening van de betrokkene. Het hof acht het in dit geval aannemelijk dat namens de gemachtigde anderhalf uur voor de zitting is gebeld met de rechtbank en dat de bode niet aan de kantonrechter heeft doorgegeven dat de vertegenwoordiger van de gemachtigde verwacht tien minuten later te zijn en heeft verzocht de zaak aan te houden voor die duur. Dit mocht wel worden verwacht. Van den Aarsen is, uiteindelijk maar twee minuten te laat, verschenen in de veronderstelling dat hij ter zitting in de gelegenheid zou worden gesteld zijn standpunt toe te lichten. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het niet redelijk is dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van de betrokkene blijven.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat de wegingsfactor 0,25 wordt toegepast, omdat de sanctie uitsluitend wordt gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De kantonrechter verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad, waarin voor belastingzaken bij de berekening van een proceskostenvergoeding bij toekenning van een immateriële schadevergoeding de wegingsfactor 0,25 als uitgangspunt wordt gehanteerd.
6. Naar het oordeel van het hof bestaat in dit geval geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zeer licht aan te merken. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dat de toekenning van een schadevergoeding betreft.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter gelet op het voorgaande vernietigen voor zover is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding en de vergoeding opnieuw berekenen.
8. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof zal de advocaat-generaal veroordelen voor de in beroep bij de kantonrechter gemaakte proceskosten tot een bedrag € 934,- (= 2 x € 934,- x 0,5).
9. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 934,-. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten in hoger beroep tot een bedrag van € 23,35 (= 1 x € 934,- x 0,25 x 0,1).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 957,35.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
vgl. de arresten van het hof van 15 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4520 en 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3244.
10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
vgl. het arrest van het hof van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:253.