Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4982

2026-07-30 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.369.211
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-30
Publicatiedatum
2026-07-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.369.211
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling (art. 1:255 en art. 1:260 BW)

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.266 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem, afdeling civiel



zaaknummer gerechtshof 200.369.211
zaaknummer rechtbank Overijssel 343945




beschikking van 30 juli 2026




over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige]



in de zaak van





[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. R.W. de Gruijl



en



de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI)
die is gevestigd in Hengelo (O)



en





[verweerster] (de vader)die woont in [woonplaats2]advocaat: mr. D. Beuving





1Samenvatting


De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 19 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] Kokkeler verlengd tot 27 februari 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2015.



2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .



2.3.
In een beschikking van 27 februari 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 27 februari 2025 tot 27 februari 2026.



2.4.
In een beschikking van 26 februari 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, met ingang van 26 februari 2026 tot 12 maart 2026. In een beschikking van 11 maart 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader, met ingang van 12 maart 2026 tot 12 september 2026.



2.5.
In een beschikking van 11 maart 2026 heeft de kinderrechter de zorgregeling die op 19 maart 2025 was vastgesteld gewijzigd en als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat er onder regie van de GI gedurende zes maanden begeleide omgang plaatsvindt tussen de moeder en [de minderjarige] .






3De procedure bij de kinderrechter


3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 20 januari 2026 verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar te verlengen.



3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 27 februari 2027.



3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 19 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking).



3.4
In de beschikking is bepaald dat deze direct geldt en blijft gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat (uitvoerbaar bij voorraad).






4De procedure bij het hof


4.1.
De moeder is het niet eens met de bestreden beschikking. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de bestreden beschikking ongedaan maakt en het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen afwijst.



4.2.
De GI en de vader willen dat de bestreden beschikking in stand blijft.



4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:


het beroepschrift ontvangen op 18 mei 2026, met bijlagen;


het verweerschrift van de GI, met bijlagen;


een brief van de GI van 11 juni 2026 met bijlage;


journaalberichten namens de moeder van 16 en 17 juni 2026 met bijlagen;


een email namens de moeder van 17 juni 2026 met bijlage.





4.4.

[de minderjarige] heeft op 22 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Tijdens de zitting is hiervan een samenvatting gegeven.



4.5.
Bij het hof is ook een beroepschrift ingediend door de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel van 11 maart 2026 waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader is verleend. Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting bij het hof op 14 juli 2026.





4.5.
Op de zitting bij het hof op 14 juli 2026 waren aanwezig:


de moeder met haar advocaat


de vader met zijn advocaat


twee vertegenwoordigers van de GI








5Het oordeel van het hof



Wat staat in de wet?




5.1.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.



Standpunten





5.2
De moeder stelt dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] ten onrechte is verlengd en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Volgens de moeder is er geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] en ontbreekt de wettelijke grondslag voor een (verlenging van de) ondertoezichtstelling. Er is een verkeerd beeld ontstaan van de moeder. Zij stelt in staat te zijn een veilige thuissituatie te creëren waarin [de minderjarige] zich kan ontplooien. De moeder staat open voor hulpverlening en zij heeft in de afgelopen periode ook hulpverlening voor haarzelf ingezet. De gesprekken met de kindbehartiger voor [de minderjarige] heeft de moeder stopgezet omdat [de minderjarige] daar zelf niet meer naar toe wilde. [de minderjarige] vertelt steeds verschillende verhalen over situaties en de uitlatingen van [de minderjarige] , ook bij het hof, zijn twijfelachtig. Dat het traject Parallel Solo Ouderschap voor haar niet is gestart komt omdat zij niet de goede begeleider kon vinden en de GI daarna geen stappen meer heeft ondernomen hierin. Voor het incident op school biedt de moeder haar excuses aan.



5.3

De GI is van mening dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling op goede gronden heeft verlengd. Zij voert als verweer, samengevat, het volgende aan.
Er is nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . [de minderjarige] kan zich niet vrij bewegen tussen haar vader en moeder, zit klem tussen haar ouders en heeft last van de strijd tussen haar ouders, waardoor zij in een loyaliteitsconflict zit. Het contact van de GI met de moeder verloopt moeizaam, de samenwerking met de moeder komt niet van de grond. De zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder thuis zijn toegenomen. De moeder laat de GI niet toe bij haar thuis waardoor de GI geen zicht krijgt op de thuissituatie bij de moeder. De GI maakt zich zorgen over dat de moeder [de minderjarige] onder druk zet, belast met volwassenzaken en onderdeel maakt van moeders strijd tegen de vader. Omdat de GI niet in contact kan komen met de moeder kunnen zij dit niet onderzoeken en kunnen zij geen veiligheidsplan opstellen. Op 23 februari 2026 heeft [de minderjarige] aan de GI aangegeven dat zij niet meer terug wil naar de moeder. [de minderjarige] verblijft sindsdien met een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. [de minderjarige] wil op dit moment geen contact met de moeder. Het gaat goed met [de minderjarige] bij de vader, haar spanningsklachten lijken weg. Naar de mening van de GI is er geen reden om te twijfelen aan het verhaal dat [de minderjarige] nu vertelt. De moeder heeft een vertrouwelijke brief van [de minderjarige] ingebracht in de procedure bij de kinderrechter, waarover [de minderjarige] boos is op de moeder. De GI wil werken aan contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] . De moeder zal zelf ook de nodige stappen moeten zetten om tot dit contactherstel te komen.




5.4
De vader voert op de zitting aan dat hij overal aan meewerkt en probeert het beste te doen voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft veel baat bij de gesprekken met de kindbehartiger en gaat er inmiddels weer wekelijks naar toe. Er is een incident geweest op school, waarbij de moeder via een vriendinnetje van [de minderjarige] een gespreksverslag van [de minderjarige] met de gezinsvoogd heeft laten afgeven aan [de minderjarige] , met gele arceringen en post-it briefjes er op met boodschappen van de moeder. De band van [de minderjarige] met het vriendinnetje dat de brief op school heeft afgegeven is hierdoor ernstig beschadigd. De moeder biedt nu wel haar excuses daarvoor aan, maar de vader vraagt zich af of zij dit meent. De moeder is met [de minderjarige] naar de wetswinkel in [plaats] gegaan, dit was heel belastend voor [de minderjarige] . Er is ook een gespreksopname van een uur waaruit blijkt hoe klem [de minderjarige] zit. Dat moeder een vertrouwelijke brief van [de minderjarige] aan de rechtbank heeft gestuurd is een grote vertrouwensbreuk geweest voor [de minderjarige] .



Hoe oordeelt het hof?





5.5
Het hof is net als de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het hof neemt - na eigen onderzoek – de overwegingen van de kinderrechter over en voegt daar nog het volgende aan toe.



5.6
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . In hoger beroep is gebleken dat er ook nadat de bestreden beschikking is uitgesproken nog steeds grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [de minderjarige] . De geconstateerde bedreigingen zijn nog niet weggenomen, sterker nog, er zijn nieuwe zorgen bijgekomen. [de minderjarige] verblijft inmiddels via een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader en heeft geen contact met de moeder. De moeder heeft erkend dat [de minderjarige] klem zit tussen haar ouders.



5.7

Een van de zorgen is dat er geen contact is tussen de moeder en [de minderjarige] sinds [de minderjarige] bij de vader verblijft. Uit de brief van de kindbehartiger blijkt dat [de minderjarige] op dit moment niet openstaat voor contact met de moeder. [de minderjarige] heeft bij de kindbehartiger aangegeven dat zij eerst antwoorden wil op haar vragen en excuses verwacht voor wat er is voorgevallen, alvorens zij open kan staan voor eventueel contactherstel. De kinderrechter heeft in de beschikking van 11 maart 2026 een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vastgesteld, waarbij is bepaald dat er begeleide omgang zal plaatsvinden. De GI heeft de moeder een brief geschreven met daarin de (niet onderhandelbare) voorwaarden waaraan de moeder moet voldoen in het contact met [de minderjarige] . De moeder heeft hier echter nog geen stappen in ondernomen. De organisatie [naam1] heeft geprobeerd om tot een samenwerking te komen met de moeder voor het opstarten van de begeleide omgang. Dit is niet gelukt omdat de moeder haar eigen voorwaarden stelt en haar belangenbehartiger wilde betrekken in de gesprekken.
Ook blijkt uit de stukken dat de moeder blijft weigeren om de ID-kaart van [de minderjarige] af te geven, zelfs nadat zij daartoe een schriftelijke aanwijzing van de GI heeft ontvangen. Het hof heeft de indruk dat het de moeder onvoldoende lukt om haar eigen strijd aan de kant te zetten en te handelen in het belang van [de minderjarige] .




5.8

Een andere zorg is dat er geen zicht is op de thuissituatie bij de moeder. De moeder laat de GI niet toe, zodat de zorgen van de GI over de opvoedsituatie bij de moeder niet ontkracht of afgewend kunnen worden. Hoewel de moeder stelt dat zij openstaat voor hulpverlening, blijkt uit de stukken dat de moeder de nodige hulpverlening afhoudt. Naar het oordeel van het hof lijkt de moeder weinig vertrouwen te hebben in de visies van anderen. Het lijkt er op dat zij alleen hulp accepteert van mensen die het met haar eens zijn en zich omringt met belangenbehartigers die achteraf bezien geen positieve bijdrage hebben kunnen leveren. De moeder erkent haar eigen aandeel in de problematiek rondom [de minderjarige] niet en blijft de verantwoordelijkheid daarvoor buiten zichzelf leggen.
Hoewel de moeder heeft gebroken met haar belangenbehartiger en de hulp heeft ingeroepen van een ambulant begeleidster van [naam2] kan op dit moment de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] nog niet worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, zodat een ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft. Dit blijkt ook uit het feit dat er nog geen stappen zijn gezet door de moeder om aan de vertrouwensbreuk en contactherstel met [de minderjarige] te werken.




5.9
De bestreden beschikking zal in stand blijven (worden bekrachtigd).







6De beslissing


Het hof:



bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 februari 2026.




Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, R. Feunekes en K.A.M. van Os-ten Have, en is op 30 juli 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.












artikel 1:255 lid 1 onder a en b BW


artikel 1:260 lid 1 BW