Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4863
2026-07-24
Strafrecht
21-002922-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdachte en partner hebben tijdens jarenlange functie als mantelzorgers meermalen geldbedragen gestolen van het slachtoffer. In eerste aanleg vrijspraak van verduistering in dienstbetrekking. In hoger beroep veroordeelt het hof verdachte – na aanvulling van de tenlastelegging - ter zake van diefstal in vereniging, door middel van valse sleutels en meermalen gepleegd, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2005:AS9225 Hoge Raad 19-04-2005
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.472 tekens)
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002922-25
Uitspraakdatum: 24 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 19 juni 2025 met parketnummer 18-061152-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 juli 2026 en op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake de haar primair tenlastegelegde in vereniging gepleegde diefstal met valse sleutels tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. De advocaat-generaal vordert niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman,
mr. F.H. Kappelhof, en de benadeelde partij dhr. [benadeelde] , bijgestaan door
dhr. [naam 1] van Slachtofferhulp, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van het haar (in eerste aanleg) tenlastegelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking.
De tenlastelegging is in hoger beroep gewijzigd en het hof komt op grondslag daarvan in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een of meer geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven van de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), te weten (ongeveer)
- € 3.903, ( naar bankrekening van [verdachte] ) en/of
- € 7.692,45 ( naar bankrekening van [medeverdachte] ) en/of
- € 5.190,13 ( betaalde autokosten) en/of
- € 56.163,-( betalingen voor casino's en/of goksites) en/of
- € 56.832,- ( betalingen voor hotels, eetgelegenheden, kluszaken, meubelzaken en/of contante opnames),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan mw. [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar medeverdachte,
terwijl verdachte en/of haar medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld/goed (telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten,
- door gebruik te maken van een (weggenomen) bankpas, waarmee zij, verdachte en/of zijn medeverdachte telkens (zonder toestemming) heeft/hebben gepind en/of
- door het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangscode(s) en/of de bankrekeningnummer(s) van mw. [slachtoffer] , van het online bankieren-programma van mw. [slachtoffer] en/of via dat programma telkens (zonder toestemming) geldbedragen over heeft/hebben geboekt naar (een) bankrekening(en) die aan verdachte en/of haar medeverdachte, in ieder geval een ander dan mw. [slachtoffer] , toebehoorden;
subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven vanaf de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), te weten (ongeveer)
- € 3.903, ( naar bankrekening van [verdachte] ) en/of
- € 7.692,45 ( naar bankrekening van [medeverdachte] ) en/of
- € 5.190,13 ( betaalde autokosten) en/of
- € 56.163,- ( betalingen voor casino's en/of goksites) en/of
- € 56.832,- ( betalingen voor hotels, eetgelegenheden, kluszaken, meubelzaken en/of contante opnames),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan mw. [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, en welk goed verdachte en/of haar mededaders uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als mantelzorgers, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat mevrouw [slachtoffer] toestemming had gegeven voor het halen van geld van haar rekening en het gebruik van haar pinpas, of dit nou expliciet of impliciet was. Uit het dossier blijkt niet dat mevrouw [slachtoffer] haar verstand was verloren en geen toestemming meer kon geven. Verdachten hebben zelf gezegd dat zij in het casino verder zijn gegaan dan zij hadden moeten doen, maar dat betekent niet dat het ook wederrechtelijk is.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met haar partner (medeverdachte [medeverdachte] , hierna: medeverdachte) als mantelzorger voor mevrouw [slachtoffer] heeft gefungeerd. Zij kwamen (zowel samen als alleen) zo’n 5 keer per week bij haar, hielpen haar met alle dagelijkse dingen en betaalden (met de bankpas van mevrouw [slachtoffer] ) bijvoorbeeld haar boodschappen en andere benodigdheden. Verdachte en medeverdachte gingen regelmatig met mevrouw [slachtoffer] op pad. Ze hebben voorts verklaard dat mevrouw [slachtoffer] toestemming aan hen had gegeven om te gokken in het casino met haar geld.
Het hof constateert dat het voor veel van de uit het dossier volgende betalingen – met de pinpas dan wel van de rekening van mevrouw [slachtoffer] – lastig is om te bepalen waar de grens ligt met betrekking tot het wel of niet gegeven zijn van toestemming door mevrouw [slachtoffer] . Gelet op de rol van mantelzorgers neemt het hof aan dat in ieder geval een deel van de betalingen met toestemming zal zijn verricht.
Ten aanzien van de in het casino en op goksites verrichte betalingen overweegt het hof dat, gelet op het dossier en de band die verdachte en medeverdachte met mevrouw [slachtoffer] hadden opgebouwd, aangenomen zou kunnen worden dat een (klein) deel van de bedragen die in het casino zijn uitgegeven, wellicht met toestemming van mevrouw [slachtoffer] plaatsvonden. Echter geldt dat voor het overgrote deel van de bedragen niet. Het hof wijst in verband daarmee op de verklaringen van verdachte (en medeverdachte) zelf, waaruit blijkt dat ze wisten dat ze veel te veel geld uit hadden gegeven in het casino en op goksites en ook veel meer dan waarvan mevrouw [slachtoffer] had gezegd dat het goed was. Daarbij acht het hof van belang dat zelfs in het geval mevrouw [slachtoffer] achteraf (telkens) zou hebben gezegd dat het niet erg was of alleen dat het niet nog eens moest gebeuren, dit niet ongedaan maakt dat verdachte en medeverdachte wisten dat wat zij deden fout was en er toch steeds mee door bleven gaan. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van hun handelen blijkt dat verdachten in nauwe en bewuste samenwerking met elkaar hebben gehandeld.
Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte (meermalen) geld dat aan mevrouw [slachtoffer] toebehoorde met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven van de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), toebehorende aan mw. [slachtoffer] ,
terwijl verdachte en haar medeverdachte dat weg te nemen geld telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten,
- door gebruik te maken van een bankpas, waarmee verdachte en/of haar medeverdachte telkens (zonder toestemming) heeft/hebben gepind en
- door het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangscode(s) en/of de bankrekeningnummer(s) van mw. [slachtoffer] , van het online bankieren-programma van mw. [slachtoffer] en/of via dat programma telkens (zonder toestemming) geldbedragen over heeft/hebben geboekt naar (een) bankrekening(en) die aan verdachte en/of haar medeverdachte, in ieder geval een ander dan mw. [slachtoffer] , toebehoorden.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Gedurende een periode van ongeveer 6 jaren hebben verdachte en haar partner, toen zij fungeerden als mantelzorgers voor mevrouw [slachtoffer] , meermalen geldbedragen gestolen van mevrouw [slachtoffer] , door veel meer geld van haar rekening te halen dan dat de bedoeling is geweest. Hoewel de precieze omvang van het op deze manier weggenomen geldbedrag niet is te bepalen, gaat het hof er bij de strafoplegging van uit dat het om enkele tienduizenden euro’s gaat: hoe dan ook heel veel geld. Het hof baseert die schatting op de becijfering van het bedrag dat naar casino en online gokken is gegaan zoals die is vermeld in het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2025 en waarin voor die post een totaalbedrag van € 52.511,00 is genoteerd.
Het vertrouwen dat mevrouw [slachtoffer] in verdachte en haar partner had, is door hun manier van handelen beschaamd. Bij de strafoplegging weegt het hof tevens in strafverzwarende zin mee dat mevrouw [slachtoffer] voor haar dagelijkse bestaan in belangrijke mate afhankelijk was van verdachte en haar medeverdachte als mantelzorgers.
Uit het strafblad van verdachte van 8 juni 2026 volgt dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis passend en noodzakelijk.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 137.129,68 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich als erfgenaam in het strafproces gevoegd ter zake van door het slachtoffer, de op 13 juli 2022 (voor het begin van onderhavige strafprocedure) overleden mevrouw [slachtoffer] , geleden schade. Erfgenamen kunnen zich in sommige gevallen als benadeelde partij voegen in een strafproces. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt – voor zover hier van belang – in:
Lid 1
Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
Lid 2
Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
Uit de wetsgeschiedenis van art. 51f Sv volgt dat de wetgever, buiten het geval van art. 51f, tweede lid, Sv niet de mogelijkheid heeft willen openen dat in geval van overlijden van het slachtoffer de erfgenamen zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv in het strafproces voegen ter zake van door het slachtoffer geleden schade. Die schade is door de wetgever wat die erfgenamen betreft niet als rechtstreekse schade in de zin van die bepaling beschouwd. Artikel 51f, tweede lid Sv is in onderhavig geval niet van toepassing aangezien het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] , voor aanvang van de strafprocedure – en niet in verband met het bewezenverklaarde feit – is overleden. Zij heeft aldus evenmin zelf een vordering tot schadevergoeding ingediend die – had zij dat wel gedaan - aan de erfgenamen zou zijn overgegaan.
Gelet op het voorgaande acht het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. G.A. Versteeg en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juli 2026.
Bijlage
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 mei 2023, nummer PL0100-2023117227-2, opgenomen op pagina 6 tot en met 9 van het procesdossier met nummer 2023117227, voor zover inhoudende:
als verklaring van aangever [benadeelde]
Op woensdag 13 juli 2022, is mijn tante [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1934, overleden.
(…)
Op vrijdag 15 juli 2022, heb ik onderzoek laten doen door [naam 2] notarissen over wie
de erfgename was van [slachtoffer] . Dit is gedaan bij CTR, centraal testamenten
register. Ik kreeg diezelfde dag een mail van [naam 2] notarissen met het CTR
testament. Ik zag in dit testament dat ik de erfgename was van mijn tante [slachtoffer] .
Het testament overhandig ik aan de politie en deze mag worden gebruikt voor het
opsporingsonderzoek.
(…)
Een week later, de exacte datum weet ik niet meer, ben ik (…) naar de SNS-bank gegaan om het bankrekeningnummer van mijn tante, [slachtoffer] , te laten blokkeren. Wij kwamen
erachter dat er geen geld meer op de spaarrekening en lopende rekening meer stond.
Dit vond ik vreemd, omdat ik wist dat mijn tante wel wat geld had en niet veel geld
uitgaf.
(…)
Op 9 augustus 2022, kreeg ik de verklaring van erfrecht via de post bij mijn eigen
huisadres afgeleverd. Toen ben ik weer naar de SNS-bank geweest. Ik heb het verhaal
uitgelegd van mijn tante en dat ik een vreemd gevoel had over de bankrekeningnummers.
Ik had namelijk het vermoeden dat er wel eens geld van mijn tante haar rekening was
afgehaald. (…)
Ik heb toen gevraagd, aan de medewerker, wat ik moest doen. Ik hoorde dat ik de
bankafschriften van de laatste zes jaren moest opvragen. Dit heb ik gedaan van ongeveer juli 2016 tot juli 2022. Toen ik de facturen van de laatste zes jaren had ontvangen, ben ik naar de facturen gaan kijken. Ik zag dat er veel geld was overgemaakt van af de spaarrekening naar de lopende rekening. Vervolgens zag ik dat er vanuit de lopende rekening bedragen werden overgemaakt aan [verdachte] , tegenrekeningnummer [rekeningnummer 1] en [medeverdachte] , tegenrekeningnummer [rekeningnummer 2] . [verdachte] was de oorspronkelijke mantelzorger van mijn tante. [medeverdachte] is de partner van [verdachte] . Bij deze bedragen zag ik geen duidelijke omschrijving waarom deze bedragen zijn overgemaakt naar de mantelzorger van mijn tante.
(…)
Ook werden er grote bedragen opgenomen bij verschillende casino's in de stad
[plaats 2] en zag ik dat weer bedragen werden overgemaakt op online goksites. De
casino's en goksites zijn bijvoorbeeld de [casino/goksite] , [casino/goksite] , [casino/goksite] en [casino/goksite] .
Alle kosten van deze betalingen zijn omgerekend 56.163 euro.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , nummer PL0100-2023117227-12, opgenomen op pagina 128 tot en met 133 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
V: kan mevr. [slachtoffer] online hebben gegokt?
A: Nee.
V: Wie doet dat wel?
A: Wij, [medeverdachte] en ik zitten wel op goksites.
(…)
Ik wil best toegeven dat ik dingen fout heb gedaan. Ik heb geld uitgegeven voor ons
en niet voor mevr. [slachtoffer] .
(…)
V: Wist jij dat [medeverdachte] geld van de rekening van mevr [slachtoffer] overboekte naar jullie
rekening?
A: Ja, dat wist ik wel.
(…)
We zijn met [slachtoffer] naar de bank geweest in [plaats 3] en daar heeft [slachtoffer] geregeld dat wij konden internetbankieren voor haar. Daar heeft zij voor getekend en [medeverdachte] ook. Dat is allemaal geregeld via de bank. Wij hebben nooit een bankpas gehad.
V: Wat was haar pincode?
A: ja, die wist ik. Maar dat wist iedereen wel. Dat briefje lag gewoon op tafel. In
haar portemonnee zat ook een briefje met daarop haar pincode.
(…)
V: Er zijn betalingen gedaan met de bankpas van mevr. [slachtoffer] bij goksites en bij het
[casino/goksite] en er is geld opgenomen bij pin automaten (…). Mevr. [slachtoffer] had geen computer en zij heeft deze betalingen vast en zeker
niet gedaan. Hoe kan dit?
A: Dat klopt. Die betalingen zijn niet door haar gedaan.
(…)
V: Er is geld van haar spaarrekening overgemaakt naar haar betaal rekening. Wie heeft
dat gedaan?
A: Dat heeft [medeverdachte] gedaan.
(…)
Ik weet dat er dingen, opnames zijn die ik niet had moeten doen.
3. Een proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 juni 2025, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
Wat betreft het casino in [plaats 2] : ja, we gingen daar wel eens heen. Mevrouw [slachtoffer] gaf
expliciet toestemming en zei dat wij daar naartoe mochten gaan op haar kosten. (…)
Ik geef wel toe dat we in het casino zijn doorgeslagen. (…) nu besef ik dat het niet goed was om zoveel uit te geven.
4. Een proces-verbaal van de zitting van het hof van 10 juli 2026, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
Het gokken had niet zo gemoeten, daar ben ik het mee eens.
Mevrouw [slachtoffer] heeft zelf gezegd dat we een spelletje in het casino konden doen met haar geld. Natuurlijk gaven we te veel van haar geld uit.
Wij hebben het altijd aan haar verteld als we terugkwamen uit het casino en te veel geld hadden uitgegeven.
Wij zijn te ver gegaan en dat had niet zo gemoeten.
5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , nummer PL0100-2023117227-13, opgenomen op pagina 142 tot en met 143 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
als verklaring van (mede)verdachte [medeverdachte]
Dus ik ben met [slachtoffer] en [verdachte] naar [plaats 3] geweest naar de bank en daar hebben wij
geregeld dat ik kon Internetbankieren voor [slachtoffer] . Er zijn toen papieren geregeld en
via de bank is alles geregeld.
(…)
V: Er zijn betalingen gedaan met de bankpas van mevr. [slachtoffer] bij goksites en bij het [casino/goksite] en er is geld opgenomen bij pin automaten (…). [slachtoffer] had geen computer en zij heeft deze betalingen vast en zeker niet gedaan. Hoe kan dit?
A: Dat hebben [verdachte] en ik gedaan.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2025, nummer PL0100-2023117227-19, voor zover inhoudende:
Ik, [verbalisant] , heb een transactieoverzicht gemaakt van de aangeleverde SNS-bank bankafschriften en de schriftelijk aangeleverde documenten die de aangever heeft aangeleverd. De rekeningafschriften die aangeleverd zijn, zijn van periode 04 januari 2016 t/m 14 juni 22.
(…)
JAAR 2016
- Betalingen naar casino en online gokken: (45.706,20 euro);
(…)
JAAR 2017
- Betalingen naar casino en online gokken: (3.545,00 euro) ;
(…)
JAAR 2018
- Betalingen naar casino en online gokken: (855,00 euro).
(…)
JAAR 2019
- Betalingen naar casino en online gokken: (1.815,00 euro) ;
(…)
JAAR 2021
- Betalingen naar casino en online gokken: (90,00 euro);
(…)
TOTALE UITGAVEN PER CATEGORIE VAN PERIODE 04 januari 2016 t/m 14 juni 2022
- Betalingen naar casino en online gokken: (52.511,00 euro)
Destijds betrof dit artikel 51a Sv, per 1 januari 2020 is dit artikel 51f Sv geworden.
Zie HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9225 (https://www.inview.nl/document/id34200504190160304admusp).
Parketnummer: 21-002922-25
Uitspraakdatum: 24 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 19 juni 2025 met parketnummer 18-061152-24 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1967 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 10 juli 2026 en op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake de haar primair tenlastegelegde in vereniging gepleegde diefstal met valse sleutels tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. De advocaat-generaal vordert niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman,
mr. F.H. Kappelhof, en de benadeelde partij dhr. [benadeelde] , bijgestaan door
dhr. [naam 1] van Slachtofferhulp, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte vrijgesproken van het haar (in eerste aanleg) tenlastegelegde medeplegen van verduistering in dienstbetrekking.
De tenlastelegging is in hoger beroep gewijzigd en het hof komt op grondslag daarvan in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primair
zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een of meer geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven van de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), te weten (ongeveer)
- € 3.903, ( naar bankrekening van [verdachte] ) en/of
- € 7.692,45 ( naar bankrekening van [medeverdachte] ) en/of
- € 5.190,13 ( betaalde autokosten) en/of
- € 56.163,-( betalingen voor casino's en/of goksites) en/of
- € 56.832,- ( betalingen voor hotels, eetgelegenheden, kluszaken, meubelzaken en/of contante opnames),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan mw. [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar medeverdachte,
terwijl verdachte en/of haar medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld/goed (telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten,
- door gebruik te maken van een (weggenomen) bankpas, waarmee zij, verdachte en/of zijn medeverdachte telkens (zonder toestemming) heeft/hebben gepind en/of
- door het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangscode(s) en/of de bankrekeningnummer(s) van mw. [slachtoffer] , van het online bankieren-programma van mw. [slachtoffer] en/of via dat programma telkens (zonder toestemming) geldbedragen over heeft/hebben geboekt naar (een) bankrekening(en) die aan verdachte en/of haar medeverdachte, in ieder geval een ander dan mw. [slachtoffer] , toebehoorden;
subsidiair
zij in of omstreeks de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven vanaf de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), te weten (ongeveer)
- € 3.903, ( naar bankrekening van [verdachte] ) en/of
- € 7.692,45 ( naar bankrekening van [medeverdachte] ) en/of
- € 5.190,13 ( betaalde autokosten) en/of
- € 56.163,- ( betalingen voor casino's en/of goksites) en/of
- € 56.832,- ( betalingen voor hotels, eetgelegenheden, kluszaken, meubelzaken en/of contante opnames),
in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan mw. [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, en welk goed verdachte en/of haar mededaders uit hoofde van hun persoonlijke dienstbetrekking, te weten als mantelzorgers, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat mevrouw [slachtoffer] toestemming had gegeven voor het halen van geld van haar rekening en het gebruik van haar pinpas, of dit nou expliciet of impliciet was. Uit het dossier blijkt niet dat mevrouw [slachtoffer] haar verstand was verloren en geen toestemming meer kon geven. Verdachten hebben zelf gezegd dat zij in het casino verder zijn gegaan dan zij hadden moeten doen, maar dat betekent niet dat het ook wederrechtelijk is.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat verdachte in de tenlastegelegde periode samen met haar partner (medeverdachte [medeverdachte] , hierna: medeverdachte) als mantelzorger voor mevrouw [slachtoffer] heeft gefungeerd. Zij kwamen (zowel samen als alleen) zo’n 5 keer per week bij haar, hielpen haar met alle dagelijkse dingen en betaalden (met de bankpas van mevrouw [slachtoffer] ) bijvoorbeeld haar boodschappen en andere benodigdheden. Verdachte en medeverdachte gingen regelmatig met mevrouw [slachtoffer] op pad. Ze hebben voorts verklaard dat mevrouw [slachtoffer] toestemming aan hen had gegeven om te gokken in het casino met haar geld.
Het hof constateert dat het voor veel van de uit het dossier volgende betalingen – met de pinpas dan wel van de rekening van mevrouw [slachtoffer] – lastig is om te bepalen waar de grens ligt met betrekking tot het wel of niet gegeven zijn van toestemming door mevrouw [slachtoffer] . Gelet op de rol van mantelzorgers neemt het hof aan dat in ieder geval een deel van de betalingen met toestemming zal zijn verricht.
Ten aanzien van de in het casino en op goksites verrichte betalingen overweegt het hof dat, gelet op het dossier en de band die verdachte en medeverdachte met mevrouw [slachtoffer] hadden opgebouwd, aangenomen zou kunnen worden dat een (klein) deel van de bedragen die in het casino zijn uitgegeven, wellicht met toestemming van mevrouw [slachtoffer] plaatsvonden. Echter geldt dat voor het overgrote deel van de bedragen niet. Het hof wijst in verband daarmee op de verklaringen van verdachte (en medeverdachte) zelf, waaruit blijkt dat ze wisten dat ze veel te veel geld uit hadden gegeven in het casino en op goksites en ook veel meer dan waarvan mevrouw [slachtoffer] had gezegd dat het goed was. Daarbij acht het hof van belang dat zelfs in het geval mevrouw [slachtoffer] achteraf (telkens) zou hebben gezegd dat het niet erg was of alleen dat het niet nog eens moest gebeuren, dit niet ongedaan maakt dat verdachte en medeverdachte wisten dat wat zij deden fout was en er toch steeds mee door bleven gaan. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van hun handelen blijkt dat verdachten in nauwe en bewuste samenwerking met elkaar hebben gehandeld.
Gezien het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte (meermalen) geld dat aan mevrouw [slachtoffer] toebehoorde met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij in de periode van 01 juli 2016 tot en met 01 juli 2022 te [plaats 1] , [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen - op meerdere momenten - (opgenomen en/of betaald van en/of overgeschreven van de bankrekening van mw. [slachtoffer] ), toebehorende aan mw. [slachtoffer] ,
terwijl verdachte en haar medeverdachte dat weg te nemen geld telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten,
- door gebruik te maken van een bankpas, waarmee verdachte en/of haar medeverdachte telkens (zonder toestemming) heeft/hebben gepind en
- door het onbevoegd gebruik, bestaande uit het gebruik van de toegangscode(s) en/of de bankrekeningnummer(s) van mw. [slachtoffer] , van het online bankieren-programma van mw. [slachtoffer] en/of via dat programma telkens (zonder toestemming) geldbedragen over heeft/hebben geboekt naar (een) bankrekening(en) die aan verdachte en/of haar medeverdachte, in ieder geval een ander dan mw. [slachtoffer] , toebehoorden.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Gedurende een periode van ongeveer 6 jaren hebben verdachte en haar partner, toen zij fungeerden als mantelzorgers voor mevrouw [slachtoffer] , meermalen geldbedragen gestolen van mevrouw [slachtoffer] , door veel meer geld van haar rekening te halen dan dat de bedoeling is geweest. Hoewel de precieze omvang van het op deze manier weggenomen geldbedrag niet is te bepalen, gaat het hof er bij de strafoplegging van uit dat het om enkele tienduizenden euro’s gaat: hoe dan ook heel veel geld. Het hof baseert die schatting op de becijfering van het bedrag dat naar casino en online gokken is gegaan zoals die is vermeld in het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2025 en waarin voor die post een totaalbedrag van € 52.511,00 is genoteerd.
Het vertrouwen dat mevrouw [slachtoffer] in verdachte en haar partner had, is door hun manier van handelen beschaamd. Bij de strafoplegging weegt het hof tevens in strafverzwarende zin mee dat mevrouw [slachtoffer] voor haar dagelijkse bestaan in belangrijke mate afhankelijk was van verdachte en haar medeverdachte als mantelzorgers.
Uit het strafblad van verdachte van 8 juni 2026 volgt dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op het voorgaande acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis passend en noodzakelijk.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 137.129,68 ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich als erfgenaam in het strafproces gevoegd ter zake van door het slachtoffer, de op 13 juli 2022 (voor het begin van onderhavige strafprocedure) overleden mevrouw [slachtoffer] , geleden schade. Erfgenamen kunnen zich in sommige gevallen als benadeelde partij voegen in een strafproces. Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt – voor zover hier van belang – in:
Lid 1
Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
Lid 2
Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien de in het eerste lid genoemde persoon ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onder a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.
Uit de wetsgeschiedenis van art. 51f Sv volgt dat de wetgever, buiten het geval van art. 51f, tweede lid, Sv niet de mogelijkheid heeft willen openen dat in geval van overlijden van het slachtoffer de erfgenamen zich op de voet van art. 51f, eerste lid, Sv in het strafproces voegen ter zake van door het slachtoffer geleden schade. Die schade is door de wetgever wat die erfgenamen betreft niet als rechtstreekse schade in de zin van die bepaling beschouwd. Artikel 51f, tweede lid Sv is in onderhavig geval niet van toepassing aangezien het slachtoffer, mevrouw [slachtoffer] , voor aanvang van de strafprocedure – en niet in verband met het bewezenverklaarde feit – is overleden. Zij heeft aldus evenmin zelf een vordering tot schadevergoeding ingediend die – had zij dat wel gedaan - aan de erfgenamen zou zijn overgegaan.
Gelet op het voorgaande acht het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
De benadeelde partij kan de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. G.A. Versteeg en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier mr. J.R. Sotthewes-de Jonge en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 juli 2026.
Bijlage
De door het hof gebezigde bewijsmiddelen
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 mei 2023, nummer PL0100-2023117227-2, opgenomen op pagina 6 tot en met 9 van het procesdossier met nummer 2023117227, voor zover inhoudende:
als verklaring van aangever [benadeelde]
Op woensdag 13 juli 2022, is mijn tante [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1934, overleden.
(…)
Op vrijdag 15 juli 2022, heb ik onderzoek laten doen door [naam 2] notarissen over wie
de erfgename was van [slachtoffer] . Dit is gedaan bij CTR, centraal testamenten
register. Ik kreeg diezelfde dag een mail van [naam 2] notarissen met het CTR
testament. Ik zag in dit testament dat ik de erfgename was van mijn tante [slachtoffer] .
Het testament overhandig ik aan de politie en deze mag worden gebruikt voor het
opsporingsonderzoek.
(…)
Een week later, de exacte datum weet ik niet meer, ben ik (…) naar de SNS-bank gegaan om het bankrekeningnummer van mijn tante, [slachtoffer] , te laten blokkeren. Wij kwamen
erachter dat er geen geld meer op de spaarrekening en lopende rekening meer stond.
Dit vond ik vreemd, omdat ik wist dat mijn tante wel wat geld had en niet veel geld
uitgaf.
(…)
Op 9 augustus 2022, kreeg ik de verklaring van erfrecht via de post bij mijn eigen
huisadres afgeleverd. Toen ben ik weer naar de SNS-bank geweest. Ik heb het verhaal
uitgelegd van mijn tante en dat ik een vreemd gevoel had over de bankrekeningnummers.
Ik had namelijk het vermoeden dat er wel eens geld van mijn tante haar rekening was
afgehaald. (…)
Ik heb toen gevraagd, aan de medewerker, wat ik moest doen. Ik hoorde dat ik de
bankafschriften van de laatste zes jaren moest opvragen. Dit heb ik gedaan van ongeveer juli 2016 tot juli 2022. Toen ik de facturen van de laatste zes jaren had ontvangen, ben ik naar de facturen gaan kijken. Ik zag dat er veel geld was overgemaakt van af de spaarrekening naar de lopende rekening. Vervolgens zag ik dat er vanuit de lopende rekening bedragen werden overgemaakt aan [verdachte] , tegenrekeningnummer [rekeningnummer 1] en [medeverdachte] , tegenrekeningnummer [rekeningnummer 2] . [verdachte] was de oorspronkelijke mantelzorger van mijn tante. [medeverdachte] is de partner van [verdachte] . Bij deze bedragen zag ik geen duidelijke omschrijving waarom deze bedragen zijn overgemaakt naar de mantelzorger van mijn tante.
(…)
Ook werden er grote bedragen opgenomen bij verschillende casino's in de stad
[plaats 2] en zag ik dat weer bedragen werden overgemaakt op online goksites. De
casino's en goksites zijn bijvoorbeeld de [casino/goksite] , [casino/goksite] , [casino/goksite] en [casino/goksite] .
Alle kosten van deze betalingen zijn omgerekend 56.163 euro.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , nummer PL0100-2023117227-12, opgenomen op pagina 128 tot en met 133 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
V: kan mevr. [slachtoffer] online hebben gegokt?
A: Nee.
V: Wie doet dat wel?
A: Wij, [medeverdachte] en ik zitten wel op goksites.
(…)
Ik wil best toegeven dat ik dingen fout heb gedaan. Ik heb geld uitgegeven voor ons
en niet voor mevr. [slachtoffer] .
(…)
V: Wist jij dat [medeverdachte] geld van de rekening van mevr [slachtoffer] overboekte naar jullie
rekening?
A: Ja, dat wist ik wel.
(…)
We zijn met [slachtoffer] naar de bank geweest in [plaats 3] en daar heeft [slachtoffer] geregeld dat wij konden internetbankieren voor haar. Daar heeft zij voor getekend en [medeverdachte] ook. Dat is allemaal geregeld via de bank. Wij hebben nooit een bankpas gehad.
V: Wat was haar pincode?
A: ja, die wist ik. Maar dat wist iedereen wel. Dat briefje lag gewoon op tafel. In
haar portemonnee zat ook een briefje met daarop haar pincode.
(…)
V: Er zijn betalingen gedaan met de bankpas van mevr. [slachtoffer] bij goksites en bij het
[casino/goksite] en er is geld opgenomen bij pin automaten (…). Mevr. [slachtoffer] had geen computer en zij heeft deze betalingen vast en zeker
niet gedaan. Hoe kan dit?
A: Dat klopt. Die betalingen zijn niet door haar gedaan.
(…)
V: Er is geld van haar spaarrekening overgemaakt naar haar betaal rekening. Wie heeft
dat gedaan?
A: Dat heeft [medeverdachte] gedaan.
(…)
Ik weet dat er dingen, opnames zijn die ik niet had moeten doen.
3. Een proces-verbaal van de zitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 juni 2025, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
Wat betreft het casino in [plaats 2] : ja, we gingen daar wel eens heen. Mevrouw [slachtoffer] gaf
expliciet toestemming en zei dat wij daar naartoe mochten gaan op haar kosten. (…)
Ik geef wel toe dat we in het casino zijn doorgeslagen. (…) nu besef ik dat het niet goed was om zoveel uit te geven.
4. Een proces-verbaal van de zitting van het hof van 10 juli 2026, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte
Het gokken had niet zo gemoeten, daar ben ik het mee eens.
Mevrouw [slachtoffer] heeft zelf gezegd dat we een spelletje in het casino konden doen met haar geld. Natuurlijk gaven we te veel van haar geld uit.
Wij hebben het altijd aan haar verteld als we terugkwamen uit het casino en te veel geld hadden uitgegeven.
Wij zijn te ver gegaan en dat had niet zo gemoeten.
5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , nummer PL0100-2023117227-13, opgenomen op pagina 142 tot en met 143 van het onder 1 genoemde dossier, voor zover inhoudende:
als verklaring van (mede)verdachte [medeverdachte]
Dus ik ben met [slachtoffer] en [verdachte] naar [plaats 3] geweest naar de bank en daar hebben wij
geregeld dat ik kon Internetbankieren voor [slachtoffer] . Er zijn toen papieren geregeld en
via de bank is alles geregeld.
(…)
V: Er zijn betalingen gedaan met de bankpas van mevr. [slachtoffer] bij goksites en bij het [casino/goksite] en er is geld opgenomen bij pin automaten (…). [slachtoffer] had geen computer en zij heeft deze betalingen vast en zeker niet gedaan. Hoe kan dit?
A: Dat hebben [verdachte] en ik gedaan.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2025, nummer PL0100-2023117227-19, voor zover inhoudende:
Ik, [verbalisant] , heb een transactieoverzicht gemaakt van de aangeleverde SNS-bank bankafschriften en de schriftelijk aangeleverde documenten die de aangever heeft aangeleverd. De rekeningafschriften die aangeleverd zijn, zijn van periode 04 januari 2016 t/m 14 juni 22.
(…)
JAAR 2016
- Betalingen naar casino en online gokken: (45.706,20 euro);
(…)
JAAR 2017
- Betalingen naar casino en online gokken: (3.545,00 euro) ;
(…)
JAAR 2018
- Betalingen naar casino en online gokken: (855,00 euro).
(…)
JAAR 2019
- Betalingen naar casino en online gokken: (1.815,00 euro) ;
(…)
JAAR 2021
- Betalingen naar casino en online gokken: (90,00 euro);
(…)
TOTALE UITGAVEN PER CATEGORIE VAN PERIODE 04 januari 2016 t/m 14 juni 2022
- Betalingen naar casino en online gokken: (52.511,00 euro)
Destijds betrof dit artikel 51a Sv, per 1 januari 2020 is dit artikel 51f Sv geworden.
Zie HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS9225 (https://www.inview.nl/document/id34200504190160304admusp).