Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4837

2026-07-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.367.520/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.367.520/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

1:251 BW. Partijen zijn door het huwelijk van rechtswege belast met het gezag over hun kind. Het hof verklaart vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek om naast de moeder te worden belast met het gezag over hun kind.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.644 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Arnhem



afdeling civiel recht



zaaknummer gerechtshof 200.367.520
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 601146)




beschikking van 23 juli 2026




inzake





[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,



en





[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J. van Ewijk.






1Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Deze beschikking wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.






2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 april 2026;


het verweerschrift;


een journaalbericht namens de moeder van 30 juni 2026 met een productie.





2.2
De hierna te noemen [de minderjarige] is uitgenodigd om te laten weten wat hij vindt van het verzoek in hoger beroep. [de minderjarige] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.



2.3
De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:


de vader, bijgestaan door zijn advocaat,


de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk,


een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).



3. De feiten




3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 in [plaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend.



3.2
De vader en de moeder zijn [in] 2019 in [plaats2] met elkaar gehuwd.



3.3
De moeder heeft de Spaanse nationaliteit, de vader heeft de Ierse nationaliteit en [de minderjarige] heeft de Spaanse nationaliteit.



3.4
De ouders en [de minderjarige] zijn op enig moment in Thailand gaan wonen. Sinds de zomer van 2025 wonen de moeder en [de minderjarige] in Nederland. De vader woont inmiddels ook weer in Nederland.



3.5
De vader heeft de rechtbank verzocht om:


hem naast de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] ; en


zo nodig te bepalen dat partijen elkaar over en weer informeren over aangelegenheden


van gewicht met betrekking tot de verzorging, opvoeding en gezondheid van [de minderjarige] .



3.6
De moeder heeft de rechtbank gevraagd de verzoeken van de vader af te wijzen.






4De omvang van het geschil


4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen.



4.2
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. De vader verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vader naast de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] .



4.3
De moeder voert verweer. De moeder vraagt het hof om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.






5De motivering van de beslissing



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1
De moeder heeft de Spaanse nationaliteit, de vader heeft de Ierse nationaliteit en [de minderjarige] heeft de Spaanse nationaliteit. Daarmee heeft deze zaak een internationaal karakter en dient het hof te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.


5.2
Het gezag over [de minderjarige] is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter).



5.3
Gelet op artikel 10 lid 1 Brussel II-ter zijn de gerechten van een lidstaat ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd indien het kind zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft. [de minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland, zodat aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.



5.4
De rechtbank heeft op de verzoeken Nederlands recht van toepassing geacht. Nu tegen dit oordeel in hoger beroep geen bezwaar is gemaakt, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.



Inhoudelijke beoordeling gezag





5.5
In artikel 1:251 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) is te lezen dat de ouders gedurende hun huwelijk gezamenlijk het gezag uitoefenen.



5.6

[de minderjarige] is geboren [in] 2010 in [plaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. [in] 2019 zijn de ouders met elkaar gehuwd in [plaats2] . Dat betekent dat de ouders vanaf [datum] 2019 samen zijn belast met het gezag over [de minderjarige] .



5.7
Het hof overweegt dat er geen wettelijke bepaling is die meebrengt dat artikel 1:251 BW niet geldt in gevallen waarin het huwelijk is gesloten na de geboorte van het kind. In zulke situaties ontstaat op het moment van de huwelijkssluiting van rechtswege gezamenlijk gezag. Dat dit niet is aangetekend in het gezagsregister maakt dit niet anders. Het hof overweegt in dit kader dat in het gezagsregister uitsluitend de uitzonderingen zijn opgenomen en niet de situaties waarin ouders op grond van de wet zijn of worden belast met het gezag over hun kinderen.



5.8
Dat betekent dat de vader - anders dan de rechtbank heeft overwogen - ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg al samen met de moeder was belast met het gezag over [de minderjarige] . Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat de vader niet kon worden ontvangen in zijn verzoek om naast de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] .



5.9
Het hof zal op grond van het voorgaande de bestreden beschikking vernietigen en de vader alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in eerste aanleg.






6De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:



vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 januari 2026 en opnieuw beschikkende:



verklaart de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek om naast de moeder te worden belast met het gezag over [de minderjarige] .



Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en L.D.M. Rubens-Snijders, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.