Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4655
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
200.364.892
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding, hoofdverblijfplaats, inschrijving BRP, huurrecht echtelijke woning en kinderalimentatie.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2000:AA5410 Hoge Raad 07-04-2000
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.276 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.892
(zaaknummer rechtbank Gelderland 453968)
beschikking van 16 juli 2026
inzake
[verzoeker]
,
volgens de vertaling van de huwelijksakte: [verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. van Hunnik,
en
[verweerster]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: jhr. mr. M.L.E. Storm van ‘s Gravesande.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 453968 (hierna ook: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 februari 2026;
- het verweerschrift met producties.
2.2
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 15 juni 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof. Zij hebben verteld hoe het met ze gaat en wat zij vinden van de vraag bij wie de hoofdverblijfplaats moet worden bepaald.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
3De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd [in] 2009 in [plaats] , Koninkrijk Marokko (hierna: Marokko).
3.2
De vrouw en de man hebben allebei de Spaanse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2011 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitsproken;
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] vastgesteld bij de vrouw;
- bepaald dat de vrouw huurder is van de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- bepaald dat de man vanaf 8 juli 2025 een bedrag van € 150,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw.
4.2
De man is het niet eens met deze beslissingen van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De man wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt.
Indien de echtscheiding door het hof wordt bekrachtigd verzoekt de man:
de kinderalimentatie primair: vast te stellen op nihil tot januari 2028, subsidiair: vast te stellen op nihil en meer subsidiair: te bepalen op € 25,- per kind per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
primair: te bepalen dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en [minderjarige2] bij de hem en subsidiair: te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben;
te bepalen dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand, met uitsluiting van de vrouw het huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ) alleen voortzet.
4.3
De vrouw is het wel eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank in stand laat.
5De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid
5.1
De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond van artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wegens het ontbreken van een ouderschapsplan.
5.2
Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Rv dient een verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Op grond van lid 3 van artikel 815 Rv worden in het ouderschapsplan in ieder geval afspraken opgenomen over:
a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken verdelen of het recht en de verplichting tot omgang vormgeven;
b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;
c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.
Op grond van artikel 815 lid 6 Rv kan, indien het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.
5.3
Het hof is van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij alsnog een door partijen ondertekend ouderschapsplan overlegt, temeer nu de man zich nog steeds niet bij de echtscheiding heeft neergelegd. Nu - zoals uit het navolgende zal blijken - vaststaat dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, dient het ontbreken van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan niet in de weg te staan aan het uitspreken van de echtscheiding. De rechtbank heeft daarom op goede gronden op grond van artikel 815 lid 6 Rv de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Grief 1 van de man faalt.
5.4
Verder constateert het hof dat de man in zijn beroepschrift eerst vier grieven aanvoert tegen de bestreden beschikking en vervolgens drie zelfstandige verzoeken doet met betrekking tot dezelfde onderwerpen als drie van de grieven (het huurrecht, de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie).
5.5
Tussen partijen is in geschil of de man deze zelfstandige verzoeken voor het eerst in hoger beroep kan doen.
5.6
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man overweegt het hof als volgt. Hoewel de man in eerste aanleg niet is verschenen, is de man ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoeken in hoger beroep omdat het nevenvoorzieningen betreft als bedoeld in artikel 827 Rv.
Echtscheiding
5.7
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen over de echtscheiding, omdat op het moment van de indiening van het echtscheidingsverzoek de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland was.
5.8
Voordat over de echtscheiding kan worden beslist, moet het hof beoordelen of het in Marokko gesloten huwelijk van de man en de vrouw op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in Nederland erkend kan worden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Lid 4 van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
5.9
In het dossier bevindt zich een (kopie van een) huwelijksakte van partijen met een beëdigde vertaling daarvan. Uit deze huwelijksakte blijkt dat partijen zijn gehuwd ten overstaan van twee aan de rechtbank in [plaats] verbonden getuigen-notarissen en dat de akte is gehomologeerd door een notariële rechter in [plaats] . Ook blijkt uit de huwelijksakte onder meer dat het huwelijk is voltrokken volgens de islamitische voorschriften, dat de echtgenoten bekwaam zijn en dat zij hun wederzijdse acceptatie kenbaar hebben gemaakt. De akte is afgegeven door de rechtbank in [plaats] , Marokko. Op grond hiervan gaat het hof uit van de rechtsgeldigheid van het huwelijk als een burgerlijk huwelijk naar Marokkaans recht. Daarmee komt het huwelijk van partijen in beginsel voor erkenning in Nederland in aanmerking.
5.10
Het hof heeft getoetst of (één van) de in artikel 10:32 BW genoemde gronden aanleiding geven om aan het buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning te onthouden. Dat is niet het geval. Dat betekent dat geen reden bestaat om op grond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:32, aanhef en sub a BW erkenning aan het huwelijk van partijen te onthouden.
5.11
Omdat het in Marokko gesloten huwelijk van partijen in Nederland wordt erkend, kan het hof beoordelen of het verzoek van de vrouw tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Omdat tegen de (klaarblijkelijke) toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht geen grief is gericht, zal het hof daarvan ook uitgaan.
5.12
Op grond van artikel 1:151 BW wordt de echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is ‘duurzaam ontwricht’ als de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Of sprake is van duurzame ontwrichting moet worden beoordeeld op het tijdstip van de uitspraak, dat wil zeggen: op dit moment. Daarbij is niet beslissend hoe de duurzame ontwrichting is ontstaan maar uitsluitend de vraag óf sprake is van een duurzame ontwrichting. Indien een echtgenote gemotiveerd stelt en daarbij volhardt dat zij niet meer met haar echtgenoot kan samenleven, zal dit voor de rechter vrijwel altijd een beslissende aanwijzing zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht waardoor aan (verdere) bewijslevering niet meer wordt toegekomen.
5.13
Het hof stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep en ook op de zitting bij het hof volhardt in haar wens om van de man te scheiden. Op grond van het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht te worden aangemerkt en dient te worden vastgesteld dat er geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins normale huwelijkse betrekkingen. Hetgeen door de man hieromtrent is aangevoerd doet aan dit oordeel niet af. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken.
5.14
Omdat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de echtscheiding wordt bekrachtigd, komt het hof toe aan de bespreking van de nevenvoorzieningen.
Hoofdverblijfplaats
5.15
Omdat de kinderen ten tijde van het inleiden van de procedure in eerste aanleg hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II-ter rechtsmacht toe om over de hoofdverblijfplaats van de kinderen te oordelen.
5.16
De rechtbank heeft hierop Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit deel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
5.17
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 BW). De rechter neemt een beslissing die in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.18
Tijdens de zitting heeft de man verklaard in te stemmen met het verzoek van de vrouw in eerste aanleg om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Nu partijen het eens zijn dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dit het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
5.19
Verder blijkt uit de stukken en wat is besproken op de zitting bij het hof, dat het geschil tussen partijen niet alleen gaat over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, maar ook over de vraag op welk adres de kinderen dienen te worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het hof begrijpt dat de man het hof verzoekt te bepalen dat [minderjarige2] op zijn adres wordt ingeschreven in de BRP en [minderjarige1] op het adres van de vrouw.
Omdat op die manier een situatie ontstaat waarbij meer ‘kindtoeslagen’ ter beschikking komen en dat is in het belang van de kinderen volgens de man. De vrouw heeft het hof gevraagd om dit verzoek af te wijzen.
5.20
Het hof overweegt als volgt. Ook over de inschrijving in de BRP kan de rechter in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW een beslissing gevraagd worden. Uitgangspunt is dat een kind staat ingeschreven op de plaats waar het feitelijk het meest verblijft. Dat is ook in overeenstemming met artikel 1:12 BW en artikel 1.1, aanhef onder o. van de Wet basisregistratie personen: in geval van gezamenlijk gezag heeft een kind woonplaats bij de ouder bij wie het feitelijk (het meest) verblijft, en behoort het ook bij die ouder te worden ingeschreven. In dit geval is nog niet duidelijk hoe de zorgregeling er precies gaat uitzien, maar de kinderen zullen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en, zoals hierna zal blijken, zullen zij bij de vrouw in de voormalige echtelijke huurwoning blijven wonen. Het nieuwe woonadres van de man is nog onduidelijk. In dat licht bezien, ziet het hof geen aanleiding om de kinderen op dit moment op verschillende woonadressen te laten inschrijven en acht dit ook niet in hun belang. Het hof zal daarom het verzoek van de man afwijzen. Grief 3 van de man faalt.
Huurrecht echtelijke woning
5.21
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de echtscheiding (zie rechtsoverweging 5.7), is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 sub a Rv ook bevoegd om te oordelen over de nevenvoorziening betreffende het huurrecht van de in Nederland gelegen woning.
5.22
De rechtbank heeft op dit verzoek Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit deel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
5.23
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub e Rv in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn.
5.24
Het hof overweegt dat voor toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van de echtgenoten een afweging tussen de belangen van de man en de vrouw dient te worden gemaakt.
5.25
Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het huurrecht bekrachtigen. Het hof acht het in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] dat zij in de voormalige echtelijke huurwoning kunnen blijven wonen. Omdat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] bij de vrouw is bepaald, dient naar het oordeel van het hof aan haar ook het huurrecht van de woning toe te komen omdat zij daarbij in die situatie het meeste belang heeft. Bovendien is op de zitting gebleken dat de man kan reageren op seniorenwoningen en daardoor waarschijnlijk sneller in aanmerking komt voor een andere woning dan de vrouw zou kunnen. Grief 2 van de man faalt.
Kinderalimentatie
5.26
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de echtscheiding (zie rechtsoverweging 5.7), is de Nederlandse rechter ook bevoegd om te oordelen over het nevenverzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.
5.27
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast op dit verzoek en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit onderdeel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
ingangsdatum
5.28
Omdat partijen nog samen in de voormalige echtelijke huurwoning wonen, ziet het hof aanleiding om als ingangsdatum voor de kinderalimentatie de datum te hanteren waarop de man een eigen (huur)woning betrekt.
hoogte behoefte kinderen
5.29
In hoger beroep is niet langer in geschil dat de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] in 2025 € 780,- per maand bedraagt. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] in 2026 € 816,- per maand.
draagkracht partijen
5.30
Partijen dienen samen naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] . Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van hun netto besteedbaar inkomen (NBI). De draagkracht van partijen berekent het hof als volgt.
draagkracht van de vrouw
5.31
De vrouw heeft een inkomen uit arbeid en het hof gaat uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de salarisstrook van januari 2026. Het bruto inkomen bedraagt € 1.535,85, te vermeerderen met 8% vakantiegeld op jaarbasis en te verminderen met een ouderdomspensioen van € 61,12 per maand en een nabestaandenpensioen van € 2,61 per maand. Uit de aangehechte berekening volgt dat dit leidt tot een NBI van € 2.370,- per maand en een draagkracht van € 206,- per maand. De vrouw heeft dus voor [minderjarige1] en [minderjarige2] ieder € 103,- per maand beschikbaar.
draagkracht van de man
5.32
De man heeft een WIA-uitkering volgens de betaalspecificatie van december 2025 van € 1.974,68 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld op jaarbasis. Uit de aangehechte berekening volgt dat dit leidt tot een NBI van € 1.630,- per maand.
5.33
Bij een inkomen lager dan € 1.950,- netto per maand, is de draagkracht volgens de toepasselijke draagkrachttabel (2026) € 25,- per kind per maand. Alleen stelt de man primair dat de kinderalimentatie op nihil moet worden gesteld tot januari 2028, omdat hij dan de bestaande belastingschulden heeft afgelost. In totaal lost de man € 157,- per maand af op te veel ontvangen zorgtoeslag (€ 55,- per maand) en huurtoeslag (€ 102,- per maand).
5.34
Het draagkrachtloos inkomen kan worden verhoogd met niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten die vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Een vermijdbare last is een last waarvan de man zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Een verwijtbare last is een last die de man met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of laten voortbestaan. Deze drukt wel op het inkomen maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie.
5.35
Uit de door de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij op grond van een betalingsregeling met de belastingdienst elke maand € 55,- moet aflossen wegens te veel ontvangen zorgtoeslag en € 102,- wegens te veel ontvangen huurtoeslag. Het hof houdt rekening met deze betalingsverplichtingen van de man, omdat die verplichting betrekking heeft op een niet vermijdbare, niet verwijtbare schuld waarvan het bestaan is komen vast te staan. De draagkracht wordt dan niet bepaald aan de hand van de tabel, maar berekend met behulp van de formule, zoals blijkt uit de aangehechte draagkrachtberekening. Dit brengt mee dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met een last van in totaal € 157,- per maand zal verhogen tot 1 december 2027, omdat uit de brieven van de belastingdienst van 19 december 2025 blijkt dat de man vanaf dat moment nog 23 maanden moet aflossen op voornoemde schulden. Verder houdt het hof rekening met de forfaitaire woonlast van
€ 489,- per maand (30% van € 1.630,-). Niet gesteld en ook is niet gebleken dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zullen zijn als hij een eigen (huur)woning heeft dan de forfaitaire woonlast.
5.36
Zoals blijkt uit de aangehechte berekening heeft de man dan tot 1 december 2027 geen draagkracht om kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] te betalen. Grief 4 van de man slaagt. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen en zal beslissen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage kinderalimentatie tot 1 december 2027 op nihil zal worden gesteld. Vanaf 1 december 2027 gaat het hof bij de huidige stand van zaken ervan uit dat de man een minimale draagkracht heeft van € 25,- per kind per maand. Gelet op de behoefte van de kinderen en de huidige draagkracht van de vrouw, stelt het hof de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 december 2027 vast op het huidige minimale bedrag van € 25,- per kind per maand.
5.37
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen zoals hierna wordt vermeld.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 november 2025, voor wat betreft de beslissing over de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] vanaf het moment dat de man de voormalige echtelijke huurwoning heeft verlaten tot 1 december 2027 vast op nihil en met ingang van 1 december 2027 vast op € 25,- per kind per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen is vastgesteld bij de vrouw en is bepaald dat de vrouw huurster is van de woning aan het adres [adres] , in [woonplaats] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, P.B. Kamminga en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
zie Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5410
artikel 3, aanhef en sub a onder i van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)
artikel 3, aanhef en sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) 4/2009)
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.892
(zaaknummer rechtbank Gelderland 453968)
beschikking van 16 juli 2026
inzake
[verzoeker]
,
volgens de vertaling van de huwelijksakte: [verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. van Hunnik,
en
[verweerster]
,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: jhr. mr. M.L.E. Storm van ‘s Gravesande.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 november 2025, uitgesproken onder zaaknummer 453968 (hierna ook: de bestreden beschikking).
2Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 12 februari 2026;
- het verweerschrift met producties.
2.2
[minderjarige1] en [minderjarige2] hebben op 15 juni 2026 gesproken met een rechter in hoger beroep en een griffier van het hof. Zij hebben verteld hoe het met ze gaat en wat zij vinden van de vraag bij wie de hoofdverblijfplaats moet worden bepaald.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Arabische taal;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
3De feiten
3.1
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd [in] 2009 in [plaats] , Koninkrijk Marokko (hierna: Marokko).
3.2
De vrouw en de man hebben allebei de Spaanse en de Marokkaanse nationaliteit.
3.3
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2011 en
- [minderjarige2] , geboren [in] 2016.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitsproken;
- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] vastgesteld bij de vrouw;
- bepaald dat de vrouw huurder is van de woning aan het adres [adres] in [woonplaats] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- bepaald dat de man vanaf 8 juli 2025 een bedrag van € 150,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw.
4.2
De man is het niet eens met deze beslissingen van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. De man wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank ongedaan maakt.
Indien de echtscheiding door het hof wordt bekrachtigd verzoekt de man:
de kinderalimentatie primair: vast te stellen op nihil tot januari 2028, subsidiair: vast te stellen op nihil en meer subsidiair: te bepalen op € 25,- per kind per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
primair: te bepalen dat [minderjarige1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft en [minderjarige2] bij de hem en subsidiair: te bepalen dat [minderjarige1] en [minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben;
te bepalen dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand, met uitsluiting van de vrouw het huurrecht van de woning aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ) alleen voortzet.
4.3
De vrouw is het wel eens met de beslissingen van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissingen van de rechtbank in stand laat.
5De motivering van de beslissing
Ontvankelijkheid
5.1
De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond van artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wegens het ontbreken van een ouderschapsplan.
5.2
Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Rv dient een verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Op grond van lid 3 van artikel 815 Rv worden in het ouderschapsplan in ieder geval afspraken opgenomen over:
a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken verdelen of het recht en de verplichting tot omgang vormgeven;
b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen;
c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.
Op grond van artikel 815 lid 6 Rv kan, indien het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd, worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.
5.3
Het hof is van oordeel dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij alsnog een door partijen ondertekend ouderschapsplan overlegt, temeer nu de man zich nog steeds niet bij de echtscheiding heeft neergelegd. Nu - zoals uit het navolgende zal blijken - vaststaat dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, dient het ontbreken van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan niet in de weg te staan aan het uitspreken van de echtscheiding. De rechtbank heeft daarom op goede gronden op grond van artikel 815 lid 6 Rv de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding. Grief 1 van de man faalt.
5.4
Verder constateert het hof dat de man in zijn beroepschrift eerst vier grieven aanvoert tegen de bestreden beschikking en vervolgens drie zelfstandige verzoeken doet met betrekking tot dezelfde onderwerpen als drie van de grieven (het huurrecht, de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie).
5.5
Tussen partijen is in geschil of de man deze zelfstandige verzoeken voor het eerst in hoger beroep kan doen.
5.6
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man overweegt het hof als volgt. Hoewel de man in eerste aanleg niet is verschenen, is de man ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoeken in hoger beroep omdat het nevenvoorzieningen betreft als bedoeld in artikel 827 Rv.
Echtscheiding
5.7
De Nederlandse rechter is bevoegd om te beslissen over de echtscheiding, omdat op het moment van de indiening van het echtscheidingsverzoek de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland was.
5.8
Voordat over de echtscheiding kan worden beslist, moet het hof beoordelen of het in Marokko gesloten huwelijk van de man en de vrouw op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in Nederland erkend kan worden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden. Lid 4 van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
5.9
In het dossier bevindt zich een (kopie van een) huwelijksakte van partijen met een beëdigde vertaling daarvan. Uit deze huwelijksakte blijkt dat partijen zijn gehuwd ten overstaan van twee aan de rechtbank in [plaats] verbonden getuigen-notarissen en dat de akte is gehomologeerd door een notariële rechter in [plaats] . Ook blijkt uit de huwelijksakte onder meer dat het huwelijk is voltrokken volgens de islamitische voorschriften, dat de echtgenoten bekwaam zijn en dat zij hun wederzijdse acceptatie kenbaar hebben gemaakt. De akte is afgegeven door de rechtbank in [plaats] , Marokko. Op grond hiervan gaat het hof uit van de rechtsgeldigheid van het huwelijk als een burgerlijk huwelijk naar Marokkaans recht. Daarmee komt het huwelijk van partijen in beginsel voor erkenning in Nederland in aanmerking.
5.10
Het hof heeft getoetst of (één van) de in artikel 10:32 BW genoemde gronden aanleiding geven om aan het buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning te onthouden. Dat is niet het geval. Dat betekent dat geen reden bestaat om op grond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:32, aanhef en sub a BW erkenning aan het huwelijk van partijen te onthouden.
5.11
Omdat het in Marokko gesloten huwelijk van partijen in Nederland wordt erkend, kan het hof beoordelen of het verzoek van de vrouw tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar is. Omdat tegen de (klaarblijkelijke) toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht geen grief is gericht, zal het hof daarvan ook uitgaan.
5.12
Op grond van artikel 1:151 BW wordt de echtscheiding op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is ‘duurzaam ontwricht’ als de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Of sprake is van duurzame ontwrichting moet worden beoordeeld op het tijdstip van de uitspraak, dat wil zeggen: op dit moment. Daarbij is niet beslissend hoe de duurzame ontwrichting is ontstaan maar uitsluitend de vraag óf sprake is van een duurzame ontwrichting. Indien een echtgenote gemotiveerd stelt en daarbij volhardt dat zij niet meer met haar echtgenoot kan samenleven, zal dit voor de rechter vrijwel altijd een beslissende aanwijzing zijn dat het huwelijk duurzaam is ontwricht waardoor aan (verdere) bewijslevering niet meer wordt toegekomen.
5.13
Het hof stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep en ook op de zitting bij het hof volhardt in haar wens om van de man te scheiden. Op grond van het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht te worden aangemerkt en dient te worden vastgesteld dat er geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins normale huwelijkse betrekkingen. Hetgeen door de man hieromtrent is aangevoerd doet aan dit oordeel niet af. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken.
5.14
Omdat de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de echtscheiding wordt bekrachtigd, komt het hof toe aan de bespreking van de nevenvoorzieningen.
Hoofdverblijfplaats
5.15
Omdat de kinderen ten tijde van het inleiden van de procedure in eerste aanleg hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel II-ter rechtsmacht toe om over de hoofdverblijfplaats van de kinderen te oordelen.
5.16
De rechtbank heeft hierop Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit deel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
5.17
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 BW). De rechter neemt een beslissing die in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
5.18
Tijdens de zitting heeft de man verklaard in te stemmen met het verzoek van de vrouw in eerste aanleg om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Nu partijen het eens zijn dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dit het meest in het belang van de kinderen moet worden geacht, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
5.19
Verder blijkt uit de stukken en wat is besproken op de zitting bij het hof, dat het geschil tussen partijen niet alleen gaat over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, maar ook over de vraag op welk adres de kinderen dienen te worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het hof begrijpt dat de man het hof verzoekt te bepalen dat [minderjarige2] op zijn adres wordt ingeschreven in de BRP en [minderjarige1] op het adres van de vrouw.
Omdat op die manier een situatie ontstaat waarbij meer ‘kindtoeslagen’ ter beschikking komen en dat is in het belang van de kinderen volgens de man. De vrouw heeft het hof gevraagd om dit verzoek af te wijzen.
5.20
Het hof overweegt als volgt. Ook over de inschrijving in de BRP kan de rechter in het kader van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW een beslissing gevraagd worden. Uitgangspunt is dat een kind staat ingeschreven op de plaats waar het feitelijk het meest verblijft. Dat is ook in overeenstemming met artikel 1:12 BW en artikel 1.1, aanhef onder o. van de Wet basisregistratie personen: in geval van gezamenlijk gezag heeft een kind woonplaats bij de ouder bij wie het feitelijk (het meest) verblijft, en behoort het ook bij die ouder te worden ingeschreven. In dit geval is nog niet duidelijk hoe de zorgregeling er precies gaat uitzien, maar de kinderen zullen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en, zoals hierna zal blijken, zullen zij bij de vrouw in de voormalige echtelijke huurwoning blijven wonen. Het nieuwe woonadres van de man is nog onduidelijk. In dat licht bezien, ziet het hof geen aanleiding om de kinderen op dit moment op verschillende woonadressen te laten inschrijven en acht dit ook niet in hun belang. Het hof zal daarom het verzoek van de man afwijzen. Grief 3 van de man faalt.
Huurrecht echtelijke woning
5.21
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de echtscheiding (zie rechtsoverweging 5.7), is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 3 sub a Rv ook bevoegd om te oordelen over de nevenvoorziening betreffende het huurrecht van de in Nederland gelegen woning.
5.22
De rechtbank heeft op dit verzoek Nederlands recht toegepast en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit deel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
5.23
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub e Rv in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn.
5.24
Het hof overweegt dat voor toewijzing van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning aan één van de echtgenoten een afweging tussen de belangen van de man en de vrouw dient te worden gemaakt.
5.25
Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het huurrecht bekrachtigen. Het hof acht het in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] dat zij in de voormalige echtelijke huurwoning kunnen blijven wonen. Omdat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige1] en [minderjarige2] bij de vrouw is bepaald, dient naar het oordeel van het hof aan haar ook het huurrecht van de woning toe te komen omdat zij daarbij in die situatie het meeste belang heeft. Bovendien is op de zitting gebleken dat de man kan reageren op seniorenwoningen en daardoor waarschijnlijk sneller in aanmerking komt voor een andere woning dan de vrouw zou kunnen. Grief 2 van de man faalt.
Kinderalimentatie
5.26
Aangezien de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot de echtscheiding (zie rechtsoverweging 5.7), is de Nederlandse rechter ook bevoegd om te oordelen over het nevenverzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.
5.27
De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast op dit verzoek en daartegen is geen grief gericht. Daarom zal ook het hof bij de beoordeling van dit onderdeel van het geschil het Nederlandse recht tot uitgangspunt nemen.
ingangsdatum
5.28
Omdat partijen nog samen in de voormalige echtelijke huurwoning wonen, ziet het hof aanleiding om als ingangsdatum voor de kinderalimentatie de datum te hanteren waarop de man een eigen (huur)woning betrekt.
hoogte behoefte kinderen
5.29
In hoger beroep is niet langer in geschil dat de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] in 2025 € 780,- per maand bedraagt. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] in 2026 € 816,- per maand.
draagkracht partijen
5.30
Partijen dienen samen naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van [minderjarige1] en [minderjarige2] . Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van hun netto besteedbaar inkomen (NBI). De draagkracht van partijen berekent het hof als volgt.
draagkracht van de vrouw
5.31
De vrouw heeft een inkomen uit arbeid en het hof gaat uit van het inkomen zoals dat blijkt uit de salarisstrook van januari 2026. Het bruto inkomen bedraagt € 1.535,85, te vermeerderen met 8% vakantiegeld op jaarbasis en te verminderen met een ouderdomspensioen van € 61,12 per maand en een nabestaandenpensioen van € 2,61 per maand. Uit de aangehechte berekening volgt dat dit leidt tot een NBI van € 2.370,- per maand en een draagkracht van € 206,- per maand. De vrouw heeft dus voor [minderjarige1] en [minderjarige2] ieder € 103,- per maand beschikbaar.
draagkracht van de man
5.32
De man heeft een WIA-uitkering volgens de betaalspecificatie van december 2025 van € 1.974,68 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld op jaarbasis. Uit de aangehechte berekening volgt dat dit leidt tot een NBI van € 1.630,- per maand.
5.33
Bij een inkomen lager dan € 1.950,- netto per maand, is de draagkracht volgens de toepasselijke draagkrachttabel (2026) € 25,- per kind per maand. Alleen stelt de man primair dat de kinderalimentatie op nihil moet worden gesteld tot januari 2028, omdat hij dan de bestaande belastingschulden heeft afgelost. In totaal lost de man € 157,- per maand af op te veel ontvangen zorgtoeslag (€ 55,- per maand) en huurtoeslag (€ 102,- per maand).
5.34
Het draagkrachtloos inkomen kan worden verhoogd met niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten die vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Een vermijdbare last is een last waarvan de man zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Een verwijtbare last is een last die de man met het oog op zijn onderhoudsverplichting niet had mogen laten ontstaan of laten voortbestaan. Deze drukt wel op het inkomen maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie.
5.35
Uit de door de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij op grond van een betalingsregeling met de belastingdienst elke maand € 55,- moet aflossen wegens te veel ontvangen zorgtoeslag en € 102,- wegens te veel ontvangen huurtoeslag. Het hof houdt rekening met deze betalingsverplichtingen van de man, omdat die verplichting betrekking heeft op een niet vermijdbare, niet verwijtbare schuld waarvan het bestaan is komen vast te staan. De draagkracht wordt dan niet bepaald aan de hand van de tabel, maar berekend met behulp van de formule, zoals blijkt uit de aangehechte draagkrachtberekening. Dit brengt mee dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met een last van in totaal € 157,- per maand zal verhogen tot 1 december 2027, omdat uit de brieven van de belastingdienst van 19 december 2025 blijkt dat de man vanaf dat moment nog 23 maanden moet aflossen op voornoemde schulden. Verder houdt het hof rekening met de forfaitaire woonlast van
€ 489,- per maand (30% van € 1.630,-). Niet gesteld en ook is niet gebleken dat de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zullen zijn als hij een eigen (huur)woning heeft dan de forfaitaire woonlast.
5.36
Zoals blijkt uit de aangehechte berekening heeft de man dan tot 1 december 2027 geen draagkracht om kinderalimentatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] te betalen. Grief 4 van de man slaagt. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen en zal beslissen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage kinderalimentatie tot 1 december 2027 op nihil zal worden gesteld. Vanaf 1 december 2027 gaat het hof bij de huidige stand van zaken ervan uit dat de man een minimale draagkracht heeft van € 25,- per kind per maand. Gelet op de behoefte van de kinderen en de huidige draagkracht van de vrouw, stelt het hof de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 december 2027 vast op het huidige minimale bedrag van € 25,- per kind per maand.
5.37
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen zoals hierna wordt vermeld.
6De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 25 november 2025, voor wat betreft de beslissing over de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] vanaf het moment dat de man de voormalige echtelijke huurwoning heeft verlaten tot 1 december 2027 vast op nihil en met ingang van 1 december 2027 vast op € 25,- per kind per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen is vastgesteld bij de vrouw en is bepaald dat de vrouw huurster is van de woning aan het adres [adres] , in [woonplaats] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.R. Davila Talavera, P.B. Kamminga en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
zie Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5410
artikel 3, aanhef en sub a onder i van Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)
artikel 3, aanhef en sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) 4/2009)