Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4553
2026-07-14
Civiel recht
200.361.507/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vordering betaling facturen onderaannemer voor schilderswerkzaamheden afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11025 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.301 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.507/01
zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/327627
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont en zijn bedrijf uitoefent in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. T.R. Dicke
en
Schildersbedrijf Van 't Veen B.V.
die is gevestigd in Kampen
advocaat: mr. J.L. Kale
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de inleidende dagvaarding en de memories van grieven en antwoord (met producties).
1.2
De in het arrest van 2 juni 2026 bevolen en op 25 juni 2026 geplande mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden, waarna partijen ermee hebben ingestemd dat geen mondelinge behandeling meer plaats zou vinden en op basis van de dossierstukken arrest zou worden gewezen. Het hof heeft de datum van arrest bepaald op heden.
2De kern van de zaak
2.1
[appellant] heeft als onderaannemer van Van 't Veen schilderwerkzaamheden uitgevoerd. Volgens hem heeft Van 't Veen nog niet alle facturen betaald die daarvoor zijn verstuurd. Ook zouden door Van ’t Veen grote opdrachten zijn toegezegd die uiteindelijk niet zijn verstrekt. [appellant] vorderde bij de rechtbank daarom betaling van openstaande facturen en een vergoeding van gederfde winst van de toegezegde opdrachten.
3De feiten
3.1
[appellant] heeft als onderaannemer van Van ’t Veen in 2020 schilderwerkzaamheden uitgevoerd op diverse projecten, waaronder project ‘De Werf’.
3.2
Op 3 december 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en Van ’t Veen over de kwaliteit van het door [appellant] op de projectlocatie verrichte werk. Na afloop van het gesprek heeft Van 't Veen aan [appellant] een e-mail gestuurd waarin zij schrijft dat haar opdrachtgever allerminst blij is met de gang van zaken en met de bedroevende kwaliteit van het verrichte het werk. Zij schrijft verder dat partijen die dag concreet met elkaar hebben afgesproken dat Van ’t Veen de gemaakte kosten en de geleden schade op [appellant] zal verhalen, wat inhoudt dat € 71.767,75 tussen partijen heeft te gelden als de totale aanneemsom, inclusief aanvullend werk. De e-mail vermeldt verder dat is afgesproken dat, nu al € 91.767,75 door [appellant] was gefactureerd, [appellant] een creditfactuur van € 20.000 aan Van ’t Veen zal sturen. Als die door haar is ontvangen, zal Van ’t Veen het bedrag van € 71.767,75 overmaken naar [appellant] . [appellant] heeft nog dezelfde dag een creditfactuur van € 20.000 gestuurd, waarna Van 't Veen het genoemde bedrag aan [appellant] heeft betaald.
3.3
Op 30 december 2020 heeft de gemachtigde van [appellant] aan Van ’t Veen meegedeeld dat deze [appellant] onder druk heeft gezet om € 20.000 te crediteren. [appellant] heeft daarin aanleiding gezien opnieuw € 20.000 te factureren. Van 't Veen heeft die factuur niet betaald.
3.4
Op 17 juni 2024 heeft [appellant] aan Van 't Veen geschreven dat voor de door [appellant] in 2020 verrichte werkzaamheden nog € 29.651,25 openstond en dat hij € 96.000 aan schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst, omdat Van 't Veen hem zes grote, aan hem toegezegde projecten niet heeft toegekend.
4De vorderingen en de beslissingen van de rechtbank en het hof
4.1
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat Van ‘t Veen wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 27.981,25 en vergoeding van het genoemde schadebedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
4.2
De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen. [appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering echter wel verminderd, want hij vordert geen schadevergoeding meer. De vordering ter zake van onbetaald gebleven werkzaamheden is bovendien beperkt tot € 26.836,25.
4.3
De beslissing van het hof zal zijn dat het vonnis in stand wordt gelaten. Dat wordt hierna toegelicht.
5De toelichting op de beslissing van het hof
De overeenkomst en de factuur van € 20.000 (2103)
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de discussie die eind 2020 over de kwaliteit van het door [appellant] verrichte werk is gevoerd, heeft geresulteerd in een overeenkomst die [appellant] verplichtte tot het sturen van een creditnota van € 20.000, waarna Van ‘t Veen € 71.767,75 diende te betalen. Partijen hebben ook uitvoering gegeven aan deze overeenkomst. Bij de rechtbank heeft [appellant] aangevoerd dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden (oneigenlijke druk en chantage) en daarom moest worden vernietigd. Dit is de reden waarom [appellant] na de creditfactuur van € 20.000 Van ’t Veen een nieuwe factuur voor hetzelfde bedrag heeft gestuurd. Het beroep op deze wilsgebreken wordt naar het hof begrijpt in hoger beroep gehandhaafd.
5.2
De rechtbank heeft op goede gronden dit beroep verworpen, omdat [appellant] daartoe volstrekt onvoldoende heeft gesteld. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel aanleiding geven.
5.3
[appellant] heeft in hoger beroep ook aangevoerd dat Van ’t Veen op grond van de overeenkomst verplicht was om nieuwe opdrachten te verstrekken en die verplichting niet is nagekomen. Het hof is het echter met Van ‘t Veen eens dat nergens uit blijkt dat Van ’t Veen de verplichting op zich heeft genomen nieuwe opdrachten aan [appellant] te verstrekken. Alleen al daarom, en ook omdat [appellant] geen bewijs van deze stelling heeft aangeboden, gaat het hof ook daaraan voorbij. Wat verder op dit punt door partijen nog is aangevoerd, kan het zonder behandeling stellen. Het hof merkt volledigheidshalve nog op dat, anders dan [appellant] lijkt te denken, verzending van een factuur geen prestatie in de zin van artikel 6:89 BW vormt en de in dat artikel neergelegde klachtplicht dus geen toepassing vindt in relatie tot de ontvangst van een factuur.
De overige facturen (2123 en 2130 - project De Werf - en 2129 en 2132)
5.4
[appellant] vordert ook betaling van een viertal aan Van ’t Veen verzonden facturen die volgens hem nog open staan. In totaal gaat het daarbij om € 6.836,25.
5.5
De juistheid van die facturen wordt op zichzelf niet door Van ‘t Veen bestreden. Volgens Van ’t Veen zijn ze echter al door haar betaald. Die feitelijk door haar onderbouwde stelling is door [appellant] onvoldoende gemotiveerd bestreden, waardoor het hof ook aan dit betoog voorbij gaat. Wat verder op dit punt door partijen nog is aangevoerd, kan het zonder behandeling stellen.
De conclusie
5.6
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
6De beslissing
Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 9 juli 2025;
6.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Van ‘t Veen:
€ 2.255 aan procedurele kosten
€ 1.670 aan salaris van de advocaat van Van ‘t Veen (1 procespunten x het toepasselijke tarief III)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, P.S. Bakker en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.
Vgl. onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11025.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.507/01
zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/327627
arrest van 14 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont en zijn bedrijf uitoefent in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. T.R. Dicke
en
Schildersbedrijf Van 't Veen B.V.
die is gevestigd in Kampen
advocaat: mr. J.L. Kale
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit de inleidende dagvaarding en de memories van grieven en antwoord (met producties).
1.2
De in het arrest van 2 juni 2026 bevolen en op 25 juni 2026 geplande mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden, waarna partijen ermee hebben ingestemd dat geen mondelinge behandeling meer plaats zou vinden en op basis van de dossierstukken arrest zou worden gewezen. Het hof heeft de datum van arrest bepaald op heden.
2De kern van de zaak
2.1
[appellant] heeft als onderaannemer van Van 't Veen schilderwerkzaamheden uitgevoerd. Volgens hem heeft Van 't Veen nog niet alle facturen betaald die daarvoor zijn verstuurd. Ook zouden door Van ’t Veen grote opdrachten zijn toegezegd die uiteindelijk niet zijn verstrekt. [appellant] vorderde bij de rechtbank daarom betaling van openstaande facturen en een vergoeding van gederfde winst van de toegezegde opdrachten.
3De feiten
3.1
[appellant] heeft als onderaannemer van Van ’t Veen in 2020 schilderwerkzaamheden uitgevoerd op diverse projecten, waaronder project ‘De Werf’.
3.2
Op 3 december 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en Van ’t Veen over de kwaliteit van het door [appellant] op de projectlocatie verrichte werk. Na afloop van het gesprek heeft Van 't Veen aan [appellant] een e-mail gestuurd waarin zij schrijft dat haar opdrachtgever allerminst blij is met de gang van zaken en met de bedroevende kwaliteit van het verrichte het werk. Zij schrijft verder dat partijen die dag concreet met elkaar hebben afgesproken dat Van ’t Veen de gemaakte kosten en de geleden schade op [appellant] zal verhalen, wat inhoudt dat € 71.767,75 tussen partijen heeft te gelden als de totale aanneemsom, inclusief aanvullend werk. De e-mail vermeldt verder dat is afgesproken dat, nu al € 91.767,75 door [appellant] was gefactureerd, [appellant] een creditfactuur van € 20.000 aan Van ’t Veen zal sturen. Als die door haar is ontvangen, zal Van ’t Veen het bedrag van € 71.767,75 overmaken naar [appellant] . [appellant] heeft nog dezelfde dag een creditfactuur van € 20.000 gestuurd, waarna Van 't Veen het genoemde bedrag aan [appellant] heeft betaald.
3.3
Op 30 december 2020 heeft de gemachtigde van [appellant] aan Van ’t Veen meegedeeld dat deze [appellant] onder druk heeft gezet om € 20.000 te crediteren. [appellant] heeft daarin aanleiding gezien opnieuw € 20.000 te factureren. Van 't Veen heeft die factuur niet betaald.
3.4
Op 17 juni 2024 heeft [appellant] aan Van 't Veen geschreven dat voor de door [appellant] in 2020 verrichte werkzaamheden nog € 29.651,25 openstond en dat hij € 96.000 aan schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst, omdat Van 't Veen hem zes grote, aan hem toegezegde projecten niet heeft toegekend.
4De vorderingen en de beslissingen van de rechtbank en het hof
4.1
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat Van ‘t Veen wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 27.981,25 en vergoeding van het genoemde schadebedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.
4.2
De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen van [appellant] alsnog worden toegewezen. [appellant] heeft in hoger beroep zijn vordering echter wel verminderd, want hij vordert geen schadevergoeding meer. De vordering ter zake van onbetaald gebleven werkzaamheden is bovendien beperkt tot € 26.836,25.
4.3
De beslissing van het hof zal zijn dat het vonnis in stand wordt gelaten. Dat wordt hierna toegelicht.
5De toelichting op de beslissing van het hof
De overeenkomst en de factuur van € 20.000 (2103)
5.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de discussie die eind 2020 over de kwaliteit van het door [appellant] verrichte werk is gevoerd, heeft geresulteerd in een overeenkomst die [appellant] verplichtte tot het sturen van een creditnota van € 20.000, waarna Van ‘t Veen € 71.767,75 diende te betalen. Partijen hebben ook uitvoering gegeven aan deze overeenkomst. Bij de rechtbank heeft [appellant] aangevoerd dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden (oneigenlijke druk en chantage) en daarom moest worden vernietigd. Dit is de reden waarom [appellant] na de creditfactuur van € 20.000 Van ’t Veen een nieuwe factuur voor hetzelfde bedrag heeft gestuurd. Het beroep op deze wilsgebreken wordt naar het hof begrijpt in hoger beroep gehandhaafd.
5.2
De rechtbank heeft op goede gronden dit beroep verworpen, omdat [appellant] daartoe volstrekt onvoldoende heeft gesteld. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en maakt het tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel aanleiding geven.
5.3
[appellant] heeft in hoger beroep ook aangevoerd dat Van ’t Veen op grond van de overeenkomst verplicht was om nieuwe opdrachten te verstrekken en die verplichting niet is nagekomen. Het hof is het echter met Van ‘t Veen eens dat nergens uit blijkt dat Van ’t Veen de verplichting op zich heeft genomen nieuwe opdrachten aan [appellant] te verstrekken. Alleen al daarom, en ook omdat [appellant] geen bewijs van deze stelling heeft aangeboden, gaat het hof ook daaraan voorbij. Wat verder op dit punt door partijen nog is aangevoerd, kan het zonder behandeling stellen. Het hof merkt volledigheidshalve nog op dat, anders dan [appellant] lijkt te denken, verzending van een factuur geen prestatie in de zin van artikel 6:89 BW vormt en de in dat artikel neergelegde klachtplicht dus geen toepassing vindt in relatie tot de ontvangst van een factuur.
De overige facturen (2123 en 2130 - project De Werf - en 2129 en 2132)
5.4
[appellant] vordert ook betaling van een viertal aan Van ’t Veen verzonden facturen die volgens hem nog open staan. In totaal gaat het daarbij om € 6.836,25.
5.5
De juistheid van die facturen wordt op zichzelf niet door Van ‘t Veen bestreden. Volgens Van ’t Veen zijn ze echter al door haar betaald. Die feitelijk door haar onderbouwde stelling is door [appellant] onvoldoende gemotiveerd bestreden, waardoor het hof ook aan dit betoog voorbij gaat. Wat verder op dit punt door partijen nog is aangevoerd, kan het zonder behandeling stellen.
De conclusie
5.6
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
6De beslissing
Het hof:
6.1
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 9 juli 2025;
6.2
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Van ‘t Veen:
€ 2.255 aan procedurele kosten
€ 1.670 aan salaris van de advocaat van Van ‘t Veen (1 procespunten x het toepasselijke tarief III)
6.3
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6.4
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, P.S. Bakker en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
14 juli 2026.
Vgl. onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11025.