Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4489
2026-07-07
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/253
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
BPM. Diverse formeelrechtelijke grieven
Citeert (14)
- ECLI:EU:C:2017:687
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2019:1579 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1579 Hoge Raad 11-10-2019
- ECLI:NL:HR:2026:915 Hoge Raad 12-06-2026
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2003:AF0193 Hoge Raad 24-01-2003
- ECLI:NL:HR:2015:3465 Hoge Raad 18-12-2015
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2025:248 Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:HR:2018:564 Hoge Raad 13-04-2018
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:853 Hoge Raad 14-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.668 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/253
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 22/5018, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan BPM voldaan. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De in dat verband relevante data luiden als volgt:
Zaak-
nummer
Voldoening op
Einde bezwaar-termijn
Bezwaar
Dagtekening
Ontvangst
24/253
11 mei 2022
22 juni 2022
24 juni 2022
28 juni 2022
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.
4Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Weigeren gemachtigde
4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door belanghebbende getekende volmacht overgelegd.
4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor zijn rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.
Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar
4.9.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de zeswekentermijn door de inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
4.10.
Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de voldoening. Nu de voldoening heeft plaatsgevonden op woensdag 11 mei 2022, vangt de bezwaartermijn aan op donderdag 12 mei 2022, en eindigt de bezwaartermijn op woensdag 22 juni 2022 om 24:00 uur. De bezwaartermijn eindigt dus op de dezelfde dag van de week als die van de voldoening.
4.11.
Anders dan belanghebbende betoogt, zijn de Inspecteur en de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de eerste dag na de voldoening. Belanghebbende lijkt te hebben miskend dat de bezwaartermijn zes weken later eindigt op dezelfde dag van de week als die van de voldoening, waardoor zijn bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is gedagtekend. Bovendien is het bezwaarschrift zes dagen na afloop van de bezwaartermijn door de Inspecteur ontvangen (zie 2). Nu belanghebbende niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat het bezwaarschrift uiterlijk op de laatste dag van de bezwaartermijn, dus voorafgaand aan de dagtekening, ter post is bezorgd, heeft de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.12.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat de betaalinstructie door de Belastingdienst later is verzonden dan de in het dossier genoemde datum van betaling, dat die betaling daarom wel later moeten hebben plaatsgevonden, dat de bezwaartermijn in die gevalen dus later moet zijn aangevangen en het ingediende bezwaar derhalve binnen de termijn zijn ingediend. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat belastingplichtigen in de praktijk in de regel een betaalinstructie niet afwachten, maar zelf het betalingskenmerk samenstellen en gelijktijdig met de aangifte tot betaling overgaan. Bovendien heeft de Inspecteur gewezen op de tot het dossier behorende betalingsoverzicht waaruit de datum van betaling blijkt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende om bewijs bij te brengen van zijn stelling dat de betaling op een latere datum heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld door het overleggen van een bankafschrift. Bovendien is belanghebbende daartoe de meest gerede partij. Belanghebbende heeft zijn stelling evenwel op generlei wijze onderbouwd, zodat hij niet in dat bewijs is geslaagd. Derhalve wordt uitgegaan van de in het dossier genoemde datum van betaling (zie 2).
4.13.
Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest.
4.14.
Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar tegen het door hem op aangifte voldane bedrag aan BPM. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het door hem op aangife voldane bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden.
4.15.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad e. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
4.17.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.18.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.
4.19.
Het financiële belang bij deze procedure bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende verkrijgt indien het door hem in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover deze standpunten tegen beter weten in zijn ingenomen. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende is met wat hij heeft aangevoerd niet in zijn bewijslast geslaagd dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Belanghebbende heeft namelijk bezwaar gemaakt tegen de voldoening op eigen aangifte, zonder dat daaruit is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
Artikel 6:7 Awb.
Artikel 6:9 lid 1 Awb.
Artikel 6:9 lid 2 Awb.
Artikel 22j AWR.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.
Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/253
uitspraakdatum: 7 juli 2026
Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2023, nummer AWB 22/5018, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) voldaan.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de voldoening een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 28 november 2023 dit beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door deskundige [naam1] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam2] en [naam3] . Met instemming van partijen zijn de zaken met de nummers 24/191 tot en met 24/201, 24/203 tot en met 24/210, 24/223, 24/224, 24/236 tot en met 24/241, 24/250 tot en met 24/253 en 25/2381 gezamenlijk behandeld. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en ingebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan BPM voldaan. Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De in dat verband relevante data luiden als volgt:
Zaak-
nummer
Voldoening op
Einde bezwaar-termijn
Bezwaar
Dagtekening
Ontvangst
24/253
11 mei 2022
22 juni 2022
24 juni 2022
28 juni 2022
3Geschil
3.1.
In geschil is of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep verder nog het volgende aangevoerd:
a. De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
b. Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
c. De Rechtbank heeft ten onrechte gemachtigde Verhoeven geweigerd.
d. De Inspecteur heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (zie 3.1).
e. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet een schadevergoeding worden toegekend.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terwijl de Inspecteur concludeert tot bevestiging daarvan.
4Beoordeling van het geschil
Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt.
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Weigeren gemachtigde
4.7.
De heer Verhoeven heeft namens belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Daarbij is een door belanghebbende getekende volmacht overgelegd.
4.8.
De Rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 18 augustus 2023 vertegenwoordiging door de heer Verhoeven geweigerd wegens ernstige bezwaren. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ondanks eerdere waarschuwingen Verhoeven is blijven volharden in het indienen van stukken die doorspekt zijn met grievende en beledigende uitlatingen waardoor een normale, zakelijke omgang in de gerechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze wordt gehinderd. Gelet op de geschetste omstandigheden acht het Hof een weigering op de voet van artikel 8:25 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gerechtvaardigd. Dat belanghebbende een gemachtigde in de arm heeft genomen die zich bedient van taal als hiervoor bedoeld, komt voor zijn rekening. Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk gemaakt door weigering van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. Belanghebbende kan zich namelijk voorzien van een andere rechtsbijstandverlener of gemachtigde. Van strijdigheid met enig ander verdragsrechelijk beschermd rechtsbeginsel, zoals de vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest) of het beginsel van effectieve rechtsbescherming (artikel 47 Handvest), is om dezelfde reden evenmin sprake.
Ad d. Niet-ontvankelijkheid bezwaar
4.9.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de zeswekentermijn door de inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.
4.10.
Voornoemde bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de voldoening. Nu de voldoening heeft plaatsgevonden op woensdag 11 mei 2022, vangt de bezwaartermijn aan op donderdag 12 mei 2022, en eindigt de bezwaartermijn op woensdag 22 juni 2022 om 24:00 uur. De bezwaartermijn eindigt dus op de dezelfde dag van de week als die van de voldoening.
4.11.
Anders dan belanghebbende betoogt, zijn de Inspecteur en de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de eerste dag na de voldoening. Belanghebbende lijkt te hebben miskend dat de bezwaartermijn zes weken later eindigt op dezelfde dag van de week als die van de voldoening, waardoor zijn bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is gedagtekend. Bovendien is het bezwaarschrift zes dagen na afloop van de bezwaartermijn door de Inspecteur ontvangen (zie 2). Nu belanghebbende niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat het bezwaarschrift uiterlijk op de laatste dag van de bezwaartermijn, dus voorafgaand aan de dagtekening, ter post is bezorgd, heeft de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.12.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat de betaalinstructie door de Belastingdienst later is verzonden dan de in het dossier genoemde datum van betaling, dat die betaling daarom wel later moeten hebben plaatsgevonden, dat de bezwaartermijn in die gevalen dus later moet zijn aangevangen en het ingediende bezwaar derhalve binnen de termijn zijn ingediend. De Inspecteur heeft daartegen ingebracht dat belastingplichtigen in de praktijk in de regel een betaalinstructie niet afwachten, maar zelf het betalingskenmerk samenstellen en gelijktijdig met de aangifte tot betaling overgaan. Bovendien heeft de Inspecteur gewezen op de tot het dossier behorende betalingsoverzicht waaruit de datum van betaling blijkt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ligt het op de weg van belanghebbende om bewijs bij te brengen van zijn stelling dat de betaling op een latere datum heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld door het overleggen van een bankafschrift. Bovendien is belanghebbende daartoe de meest gerede partij. Belanghebbende heeft zijn stelling evenwel op generlei wijze onderbouwd, zodat hij niet in dat bewijs is geslaagd. Derhalve wordt uitgegaan van de in het dossier genoemde datum van betaling (zie 2).
4.13.
Verder heeft belanghebbende geen redenen aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de termijnoverschrijding in verzuim is geweest.
4.14.
Anders dan belanghebbende betoogt, staat ook het Unierecht niet in de weg aan een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen een op aangifte voldaan bedrag aan BPM wegens overschrijding van de nationaalrechtelijke bezwaartermijn. Het stond belanghebbende namelijk vrij gebruik te maken van de openstaande mogelijkheid van bezwaar tegen het door hem op aangifte voldane bedrag aan BPM. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen effectieve mogelijkheid had het door hem op aangife voldane bedrag aan BPM in een fiscale procedure te bestrijden.
4.15.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Ad e. Overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
4.16.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
4.17.
Het Hof kent geen immateriële schadevergoeding toe indien (i) het financiële belang bij deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt en (ii) de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval zal het Hof volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
4.18.
Belanghebbende heeft op 9 januari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld, zodat in hoger beroep de redelijke termijn van twee jaar met minder dan zes maanden is overschreden. Daarmee is voldaan aan de hiervoor onder (ii) genoemde voorwaarde.
4.19.
Het financiële belang bij deze procedure bestaat uit het financiële voordeel dat belanghebbende verkrijgt indien het door hem in hoger beroep ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover deze standpunten tegen beter weten in zijn ingenomen. Het ligt het op de weg van belanghebbende om de omvang van het financiële belang aannemelijk te maken. Belanghebbende is met wat hij heeft aangevoerd niet in zijn bewijslast geslaagd dat het financiële belang bij deze procedure meer dan € 1.000 bedraagt. Belanghebbende heeft namelijk bezwaar gemaakt tegen de voldoening op eigen aangifte, zonder dat daaruit is gebleken of duidelijk is gemaakt wat de omvang is van het financiële belang bij de aangevoerde gronden. Gelet daarop is ook voldaan aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde, zodat het Hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.
6Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
De griffier, De voorzitter,
(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687; HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.7.2.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, r.o. 3.1.1 t/m 3.4.
Artikel 6:7 Awb.
Artikel 6:9 lid 1 Awb.
Artikel 6:9 lid 2 Awb.
Artikel 22j AWR.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR (civiel) 24 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0193, r.o. 3.4.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3465.
HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4; HR 28 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:248, r.o. 5.2.
De aanvang van de redelijke termijn voor de hogerberoepsfase is het moment van het instellen van het hoger beroep en niet het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Zie HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:564.
HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.
Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.