Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:4461
2026-07-09
Strafrecht
200.360.911/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Machtigingskwestie. Niet is gebleken dat degene die de machtiging heeft ondertekend bevoegd was om namens de betrokkene een machtiging af te geven. Dat de inleidende beschikking naar diegene is doorgestuurd is hiervoor onvoldoende.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5885 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2023:6369 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-07-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.299 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.360.911/01
CJIB-nummer
: 257304574
Uitspraak d.d.
: 9 juli 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 23 september 2025, betreffende
Mr. I.N.D.J. Rissema (hierna: mr. Rissema)
kantoorhoudende te Dordrecht,
beweerdelijk optredend namens
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
Mr. Rissema heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat zich in het dossier wel een machtiging bevindt, maar niet duidelijk is geworden dat degene die de machtiging heeft ondertekend ([naam]) bevoegd was deze machtiging af te geven en dit verzuim, ondanks de daartoe geboden gelegenheid, niet is hersteld.
2. Mr. Rissema voert aan dat het hof onlangs heeft geoordeeld dat er geen grondslag bestaat voor de kantonrechter om een aanvullend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te verlangen, indien de sanctie via een leasemaatschappij wordt doorgestuurd naar de bestuurder en de bestuurder in beroep gaat (arrest van het hof van 25 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5885). De betrokkene is van mening dat deze lijn moet worden doorgetrokken in zaken waarin de sanctie via een bedrijf aan de bestuurder wordt opgelegd. Er kan redelijkerwijs niet aan worden getwijfeld dat de brief (van de sanctie) die door het bedrijf wordt gestuurd aan de bestuurder van het voertuig waarvoor aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie wordt opgelegd, is verstuurd in opdracht van een persoon die bevoegd is om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft het meezenden van de brief (het hof begrijpt: de inleidende beschikking) en een getekende machtiging door de bestuurder van het voertuig niet ontoereikend kunnen achten. De betrokkene (het hof begrijpt: [naam]) heeft de sanctie immers ontvangen, omdat hij de bestuurder van het voertuig was.
3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
4. Mr. Rissema heeft een machtiging overgelegd waarin [naam] mr. Rissema machtigt beroep in te stellen in de onderhavige zaak. Dat [naam] bevoegd was namens de betrokkene, [betrokkene] B.V., mr. Rissema te machtigen blijkt niet uit de stukken in het dossier. [betrokkene] B.V. is hier de beroepsgerechtigde, zodat uit stukken in het dossier moet blijken dat door of namens deze een machtiging is afgegeven. Dat de inleidende beschikking is doorgestuurd naar [naam] is hiervoor onvoldoende. In het arrest waar Rissema naar verwijst heeft het hof geoordeeld dat er in die zaak redelijkerwijs niet aan kan worden getwijfeld dat de in dat dossier overgelegde brief die door de leasemaatschappij wordt gestuurd aan de lessee van het voertuig waarvoor aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie wordt opgelegd, is verstuurd in opdracht van een persoon die bevoegd is om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. Van een vergelijkbare situatie is geen sprake. Een dergelijke brief is niet overgelegd.
5. Mr. Rissema is bij brief van de griffier van de rechtbank van 7 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Hij is er daarbij op gewezen dat als het verzuim niet uiterlijk op de zitting is hersteld, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Mr. Rissema heeft dit verzuim niet hersteld. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is verzonden op 2 mei 2023 en de procedure in eerste aanleg is pas geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van
23 september 2025. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval niet tot matiging van het sanctiebedrag, nu de kantonrechter niet toe heeft kunnen komen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moeten worden opgelegd (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dat betekent dat het hof in dit geval - hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter om die reden bevestigen, zij het met verbetering van gronden.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.360.911/01
CJIB-nummer
: 257304574
Uitspraak d.d.
: 9 juli 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 23 september 2025, betreffende
Mr. I.N.D.J. Rissema (hierna: mr. Rissema)
kantoorhoudende te Dordrecht,
beweerdelijk optredend namens
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
Mr. Rissema heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat zich in het dossier wel een machtiging bevindt, maar niet duidelijk is geworden dat degene die de machtiging heeft ondertekend ([naam]) bevoegd was deze machtiging af te geven en dit verzuim, ondanks de daartoe geboden gelegenheid, niet is hersteld.
2. Mr. Rissema voert aan dat het hof onlangs heeft geoordeeld dat er geen grondslag bestaat voor de kantonrechter om een aanvullend uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te verlangen, indien de sanctie via een leasemaatschappij wordt doorgestuurd naar de bestuurder en de bestuurder in beroep gaat (arrest van het hof van 25 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5885). De betrokkene is van mening dat deze lijn moet worden doorgetrokken in zaken waarin de sanctie via een bedrijf aan de bestuurder wordt opgelegd. Er kan redelijkerwijs niet aan worden getwijfeld dat de brief (van de sanctie) die door het bedrijf wordt gestuurd aan de bestuurder van het voertuig waarvoor aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie wordt opgelegd, is verstuurd in opdracht van een persoon die bevoegd is om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft het meezenden van de brief (het hof begrijpt: de inleidende beschikking) en een getekende machtiging door de bestuurder van het voertuig niet ontoereikend kunnen achten. De betrokkene (het hof begrijpt: [naam]) heeft de sanctie immers ontvangen, omdat hij de bestuurder van het voertuig was.
3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
4. Mr. Rissema heeft een machtiging overgelegd waarin [naam] mr. Rissema machtigt beroep in te stellen in de onderhavige zaak. Dat [naam] bevoegd was namens de betrokkene, [betrokkene] B.V., mr. Rissema te machtigen blijkt niet uit de stukken in het dossier. [betrokkene] B.V. is hier de beroepsgerechtigde, zodat uit stukken in het dossier moet blijken dat door of namens deze een machtiging is afgegeven. Dat de inleidende beschikking is doorgestuurd naar [naam] is hiervoor onvoldoende. In het arrest waar Rissema naar verwijst heeft het hof geoordeeld dat er in die zaak redelijkerwijs niet aan kan worden getwijfeld dat de in dat dossier overgelegde brief die door de leasemaatschappij wordt gestuurd aan de lessee van het voertuig waarvoor aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie wordt opgelegd, is verstuurd in opdracht van een persoon die bevoegd is om de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen. Van een vergelijkbare situatie is geen sprake. Een dergelijke brief is niet overgelegd.
5. Mr. Rissema is bij brief van de griffier van de rechtbank van 7 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Hij is er daarbij op gewezen dat als het verzuim niet uiterlijk op de zitting is hersteld, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Mr. Rissema heeft dit verzuim niet hersteld. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is verzonden op 2 mei 2023 en de procedure in eerste aanleg is pas geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van
23 september 2025. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval niet tot matiging van het sanctiebedrag, nu de kantonrechter niet toe heeft kunnen komen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moeten worden opgelegd (vgl. ov. 16 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Dat betekent dat het hof in dit geval - hetgeen de kantonrechter had behoren te doen - zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter om die reden bevestigen, zij het met verbetering van gronden.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.