Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4309

2026-06-23 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/1495
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-23
Publicatiedatum
2026-07-02
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
24/1495
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

BPM Vermindering (afschrijving)

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.817 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1495
uitspraakdatum: 23 juni 2026





Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer




op het hoger beroep van





[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)



tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2024, nummer ARN 22/356, in het geding tussen belanghebbende en



de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen (hierna: de Inspecteur)







1Ontstaan en loop van het geding


1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 1.017.



1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 524 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 265.



1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.



1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.



1.6.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingebracht.



1.7.
Belanghebbende heeft een pleitnota ingediend.



1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Namens belanghebbende zijn R.M.T.C. van Maassen-Bolsenbroek en D.W.A. van Dalen verschenen. Namens de Inspecteur zijn [naam1] en [naam2] verschenen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.






2Feiten


2.1.
Belanghebbende heeft voor een Porsche Macan 2.0 SUV 5-deurs (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 15.462 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin onder meer een waardevermindering van € 3.600 in aanmerking is genomen vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto.



2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd die na bezwaar is verminderd tot een bedrag van € 524.



2.3.
De Rechtbank heeft evenals de Inspecteur geen aanleiding gezien een waardevermindering in aanmerking te nemen vanwege het ontbreken van een oordeel van de RDW over de kilometerstand van de auto. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag – zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar – gehandhaafd. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:








Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)


101.707












Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray rental)


55.333




Schade


-/- 4.440




Geen oordeel kilometerstand


0




= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)


50.893












Afschrijving


49,97%












Historische BPM (CO2-uitstoot 233 gr/km WLTP)


32.938




Afschrijving (49,97%)


-/- 16.460




= Verschuldigde BPM


16.478












Extra leeftijdskorting (2,50% * € 19.734)


-/- 492




Door belanghebbende is betaald op aangifte


-/- 15.462




Naheffingsaanslag


€ 524











3Geschil


3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag, zoals deze luidt na de uitspraak van de Inspecteur, terecht is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, lid 2, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) de handelsinkoopwaarde met € 3.600 moet worden verminderd vanwege de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand.




3.3.
Verder heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.



3.4.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.






4Beoordeling van het geschil



Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’



4.1.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust op belanghebbende.



4.2.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Gelet daarop is belanghebbende met het taxatierapport en hetgeen zij overigens heeft aangevoerd, niet erin geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.



Artikel 110 VWEU




4.3.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode zijn aanspraak op een waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’ kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbare RDW-registratie (‘geen oordeel kilometerstand’) in Nederland was geregistreerd en wat daarvan de waardeverminderende invloed op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijke RDW-registratie kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende.




4.4.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De enkele vermelding van twee referentievoertuigen in het nader stuk van 21 mei 2026 – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een dergelijk deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Bovendien betreft het twee uit andere lidstaten afkomstige, gebruikte referentievoertuigen, waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat zij ten tijde van de registratie van de auto te koop werden aangeboden op de binnenlandse markt voor gebruikte auto’s. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door hem in hoger beroep bepleite vermindering wegens de RDW-registratie ‘geen oordeel kilometerstand’.



Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn




4.5.

De Rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kon blijven nu geen van beide partijen, nadat zij bij brief van 28 juni 2022 zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. In haar pleitnota heeft belanghebbende
de ontvangst van deze brief erkend. Dat deze brief nadien intern niet goed is verwerkt, doet niet af aan de ontvangst van deze brief. Dit brengt mee dat belanghebbende is gewezen op haar recht ter zitting te worden gehoord en dus in de gelegenheid is geweest uiterlijk ter zitting van de Rechtbank nog te verzoeken om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.




4.6.
Niettemin kan een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, ook voor het eerst in hoger beroep worden gedaan.



4.7.
De Inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 25 juni 2021 en heeft op 10 november 2021 uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 29 juli 2024. Belanghebbende heeft op 31 juli 2024 (pro forma) hoger beroep tegen die uitspraak ingesteld en het Hof heeft op 23 juni 2026 uitspraak gedaan.



4.8.
In eerste aanleg is de redelijke termijn met dertien maanden overschreden. Een dergelijke overschrijding kan niet worden aangemerkt als een overschrijding van de redelijke termijn van beperkte duur.Alleen al hierom bestaat geen aanleiding voor compensatie tussen de fase van hoger beroep en de fase van eerste aanleg. Bovendien is de totale duur van de berechting in hoger beroep en eerste aanleg tezamen niet gebleven binnen het totaal van de voor elk van die afzonderlijke procesfasen als redelijk aan te merken termijnen van twee jaar. Belanghebbende komt derhalve in beginsel in aanmerking voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met dertien maanden.



4.9.
Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, zoals in het onderhavige geval, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Alle belangen en omstandigheden afwegende, waaronder dat voornoemde twaalfmaandstermijn met slechts één maand is overschreden, volstaat het Hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.



Slotsom

De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.







5Griffierecht en proceskosten


Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.






6Beslissing


Het Hof:



bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en


wijst het verzoek om schadevergoeding af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.



De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.




De griffier, De voorzitter,







(G.J. van de Lagemaat) (A.J.H. van Suilen)




Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.




Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.



Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22 en Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4876, r.o. 4.14.


Vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2.


HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:828, r.o. 2.2.


HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:828, r.o. 2.4.3.


HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:828, r.o. 2.4.3.


HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:828, r.o. 2.4.3.


HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.