Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4186

2026-06-24 Strafrecht Wahv 200.362.606/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-24
Publicatiedatum
2026-06-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
Wahv 200.362.606/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Appelgrens. De appelgrens is niet in strijd met artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR. Dat de hoogte van de appelgrens niet met objectiveerbare gegevens is onderbouwd, geeft het hof geen aanleiding hierover anders te oordelen.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.726 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden








Zaaknummer


: Wahv 200.362.606/01




CJIB-nummer


: 264809311




Uitspraak d.d.


: 24 juni 2026









Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2025, betreffende




[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .


De gemachtigde van de betrokkene is [gemachtigde] , kantoorhoudende te Zoetermeer.



De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.




Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.






De beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:


wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-


wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.



2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 110,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. De gemachtigde van de betrokkene voert, kort samengevat, aan dat uit artikel 14, eerste lid, van de Wahv noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan is gebleken hoe de hoogte van de appelgrens wordt bepaald. Het moet er voor worden gehouden dat de hoogte van de sanctie, inclusief administratiekosten, bepalend is voor het antwoord op de vraag of de appelgrens is bereikt. De appelgrens dient in dit geval buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De wetgever heeft de hoogte van de appelgrens niet onderbouwd met objectiveerbare gegevens waaruit blijkt waarom deze grens op het betreffende bedrag is vastgesteld en heeft ten onrechte nagelaten in de daaraan ten grondslag liggende overwegingen te verdisconteren dat een bedrag van minder dan
€ 110,- voor personen met weinig tot geen financiële middelen wel als onevenredig bezwarend kan worden aangemerkt, waardoor toetsing door een hogere rechter geboden is.

4. Artikel 14, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter als de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 110,-. Uit de tekst van dit artikel volgt reeds dat het sanctiebedrag bepalend is voor het antwoord op de vraag of hoger beroep mogelijk is en dus dat de administratiekosten niet worden meegenomen bij de bepaling hiervan.

5. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- in artikel 14, eerste lid, van de Wahv is uitgesloten, is niet in strijd met artikel artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR. Het hof heeft hiertoe eerder overwogen dat artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekent in geval van bagateldelicten en dat in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, deze als bagateldelicten dienen te worden gekwalificeerd. De stelling van de gemachtigde dat de hoogte van de appelgrens niet met objectiveerbare gegevens is onderbouwd, geeft het hof geen aanleiding hier nu anders over te oordelen. Bij het vaststellen van het bedrag van de appelgrens is aangesloten bij het tarievenhuis, waarin de tarieven voor onder andere Wahv-sancties zijn opgenomen. De appelgrens is iets hoger gesteld dan het op dat moment geldende tarief voor de eerste (laagste) categorie van het tarievenhuis, de standaard ordende en regelende feiten (€ 95,-). Voor de uitsluiting van deze categorie van zaken van hoger beroep bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging, namelijk het geringe belang dat blijkens het bedrag van de sanctie aan de orde is. Dat een sanctiebedrag van € 110,- voor mensen met een lager inkomen een zwaardere last vormt, maakt niet dat de rechtvaardiging niet objectief en redelijk is en dat er een mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter dient te zijn.

6. Het appelverbod kan wel buiten toepassing worden gelaten wanneer het recht op toegang tot de rechter in een concrete zaak is geschonden door de kantonrechter.

7. Niet gebleken is dat het recht op toegang tot de rechter in de onderhavige zaak is geschonden. De gemachtigde is ter zitting verschenen en is daar in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Er is geen reden het appelverbod buiten toepassing te laten.

8. Gelet op het voorgaande zal het hof zal het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.



De beoordeling
Het gerechtshof:


verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;



wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.



Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.




vgl. het arrest van het hof van 14 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7728.


Kamerstukken II 2021/22. 36 003, nr. 3.


vgl. het arrest van het hof van 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6497.


vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402.