Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:4051

2026-06-19 Strafrecht; Strafprocesrecht 21-001339-21
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-19
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
21-001339-21
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling poging tot doodslag voor steken met een mes in de onderbuik. Partiële vrijspraak voorbedachte rade en medeplegen. Aanmerkelijke kans op de dood. Geen noodweer(exces) en putatief noodweer. Matiging gevangenisstraf i.v.m. forse overschrijding van de redelijke termijn. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (49.890 tekens)
Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001339-21
Uitspraakdatum: 19 juni 2026
TEGENSPRAAK



Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 9 maart 2021 met parketnummer 16-202596-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, parketnummer 99-000137-47, in de strafzaak tegen



[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] (Suriname),
wonende te [adres] .





Hoger beroep


Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.





Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:



vernietiging van het vonnis van de rechtbank;


partiële vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord);


veroordeling van verdachte voor het primair ten laste gelegde (medeplegen poging tot doodslag) tot een gevangenisstraf van 30 maanden;


teruggave aan de rechthebbenden van de inbeslaggenomen bankpassen en identiteitspapieren;


toewijzing van de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling voor een periode van 975 dagen.


Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.


Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof (waarnemend voor mr. Z.L. Moezel), hebben aangevoerd.







Het vonnis


De rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 9 maart 2021:



verdachte vrijgesproken van het primair (medeplegen poging tot moord/doodslag) en subsidiair (medeplegen zware mishandeling) ten laste gelegde;


verdachte veroordeeld voor het meer subsidiair (medeplegen poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van het voorarrest;


teruggave aan de rechthebbenden gelast van de inbeslaggenomen bankpassen en identiteitspapieren;


de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toegewezen voor de duur van 90 dagen.




Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.





Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat:



primairhij, op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte rade van het leven te beroven, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



subsidiairhij op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer steekwonden in de buik, althans de romp, heeft toegebracht, door - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] het steken en/of te prikken en/of te snijden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] het steken en/of te prikken en/of te snijden;



meer subsidiairhij op of omstreeks 5 augustus 2020 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de buik, althans in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden en/of - met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen althans eenmaal in de richting van de buik, althans in de richting van het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.





Bewijsoverweging primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)



Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft een bewezenverklaring gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, medeplegen poging tot doodslag. Volgens de advocaat-generaal kan vastgesteld worden dat verdachte [verdachte] aangever in de buik heeft gestoken en dat verdachte [medeverdachte 1] met het mes heeft uitgehaald, maar aangever net heeft gemist. Aangever heeft één steekwond opgelopen in de onderkant van de buik, die tussen de 5 en 6 centimeter diep was.
Er is sprake van een aanmerkelijke kans op de dood. Gezien de omstandigheid dat zich in de buikholte vitale lichaamsorganen bevinden, die bij een steekwond van deze diepte kunnen worden geraakt, levert dat een aanmerkelijke kans op de dood op. Op de camerabeelden is zichtbaar dat doelgericht, snel en met kracht op de buik van aangever wordt ingestoken. Wanneer de kans op in potentie dodelijk letsel bij de eerste messteek nog te gering zou zijn, kan dat juist wél worden afgeleid uit de tweede steekbeweging door verdachte [medeverdachte 1] met een mes van 30 centimeter. Hij maakt met dat mes een steekbeweging in de richting van dezelfde vitale lichaamsonderdelen. Dat de steekbeweging van verdachte [medeverdachte 1] mist en letsel uit blijft, is niet aan hem te danken.
Verdachten kunnen worden beschouwd als medeplegers. Het opzet van verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte 1] vloeit niet alleen voort uit hun eigen afzonderlijke gedragingen, maar ook uit de evident onderling afgestemde gedragingen. De afstemming blijkt uit de snelle frequentie waarmee de interacties van de verdachten elkaar opvolgen.
Voor verdachte [verdachte] is het niet duidelijk welke berichten hij kreeg en wanneer en was er voor hem een kortere tijdspanne om zichzelf op de voorgenomen consequenties van zijn deelnemingsactie te beraden. Verdachte [verdachte] wist niet of onvoldoende wat er exact was voorgevallen tussen verdachte [medeverdachte 1] en aangever. Daarom verdient verdachte [verdachte] het voordeel van de twijfel en kan voorbedachte rade in zijn geval niet bewezen worden.




Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord/doodslag integraal dient te worden vrijgesproken. Het bewijs voor het bestanddeel voorbedachte rade ontbreekt in het strafdossier. Er is bij verdachte geen sprake geweest van rustig en kalm beraad om zijn mes te trekken en daarvan gebruik te maken.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. In dat kader dient te worden aangesloten bij de overweging van de rechtbank over voorwaardelijk opzet. Daarin heeft de rechtbank uitdrukkelijk gemotiveerd dat gezien de omstandigheden dat het gebruikte mes niet is teruggevonden en gelet op het gebrek aan informatie over de aard van het letsel niet bewezen kan worden dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Het ging om één contactmoment dat heeft geleid tot een gehechte huidbeschadiging, zonder dat sprake was van inwendig letsel.
Tevens is verzocht om vrijspraak van medeplegen. De tweede steekbeweging door [medeverdachte 1] komt niet op het conto van verdachte. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] .





Oordeel van het hof

Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. Het hof overweegt als volgt:



Wanneer de naam ‘ [medeverdachte 1] ’ in de navolgende overwegingen wordt genoemd, bedoelt het hof, het broertje van verdachte en tevens medeverdachte in deze strafzaak, [medeverdachte 2] . Indien ‘ [verdachte] ’ wordt beschreven, gaat het om verdachte [verdachte] .



Aangever bevond zich op 5 augustus 2020 in [plaats] , samen met zijn vriendin. Hij had om 13.00 uur een afspraak bij de kapper, op de hoek van [straatnaam 1] met [locatie 1] . Omdat de kapper nog 10 minuten nodig had, besloot aangever met zijn vriendin wat drinken te gaan halen. Vervolgens kwam er iemand uit de Passage gelopen (het hof stelt vast: medeverdachte [medeverdachte 1]), die volgens aangever te lang naar zijn vriendin keek. Aangever keek hem aan met het idee “yoo, dat is mijn vriendin, zij is hier met mij, waar is je respect?". Vervolgens hadden aangever en [medeverdachte 1] oogcontact en liep [medeverdachte 1] door richting de grote markt. Een paar meter verder keek [medeverdachte 1] om, knikte naar aangever. Daarna knikte aangever terug. Toen het oogcontact verbroken was, zag aangever dat [medeverdachte 1] meteen op zijn telefoon ging.



Op 5 augustus 2020, om 13.09 uur belde [medeverdachte 1] driemaal naar zijn broer (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]). De telefoon werd niet opgenomen. Tussen 13.12 uur en 13.23 uur belde [medeverdachte 1] 29 keer naar [verdachte] , zonder dat dit tot een telefoongesprek heeft geleid. Om 13.17 uur belde [medeverdachte 1] via Whatsapp [verdachte] , maar dit gesprek werd niet beantwoord. Om 13.24 uur en 13.27 uur belde [medeverdachte 1] vermoedelijk met de vriendin van [verdachte] . Om 13.35 uur ontving [medeverdachte 1] een inkomende spraakoproep op Whatsapp van [verdachte] , die 33 seconden duurde. Om 13.43 uur ontving hij opnieuw een spraakoproep op Whatsapp van [verdachte] , die 16 seconden bedroeg. Vervolgens probeerde [medeverdachte 1] om 13.45 uur via Whatsapp [verdachte] te bereiken, maar dit gesprek werd niet beantwoord.



Verdachte [verdachte] heeft op de zitting van het hof verklaard dat [medeverdachte 1] hem telefonisch vroeg om naar de Passage te komen en dat [verdachte] toen niet wist wat er aan de hand was. Vervolgens is [verdachte] met de auto naar de omgeving van de Passage gegaan. Hij zag [medeverdachte 1] op een afstand en probeerde hem te roepen, waarna hij [medeverdachte 1] even uit het oog verloor. [verdachte] liep korte tijd later achter [medeverdachte 1] aan richting de winkelstraat.



Op camerabeelden van [straatnaam 2] was te zien dat [medeverdachte 1] om 13.27 uur komend uit de richting van [straatnaam 3] liep in de richting van het station [plaats] Centrum. [medeverdachte 1] was aan het bellen en liep met versnelde pas. [medeverdachte 1] liep op [straatnaam 2] om 13.27 uur, met zijn handen uit zijn zakken.




[verdachte] heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij woonachtig is aan [adres] te [plaats] . Deze woning lag in de richting waar vandaan [medeverdachte 1] om 13.36 uur kwam lopen, zoals waargenomen op camerabeelden. Uit onderzoek door de politie is gebleken dat de afstand tussen [straatnaam 2] en [adres] te [plaats] zo’n 600 meter is en dat die afstand 7 minuten lopen is. Vanaf [adres] te [plaats] naar de locatie van de camera die [medeverdachte 1] signaleerde, is het 3 minuten lopen. Gezien de locatie, de looproute, de plaats van de woning waar [medeverdachte 1] verbleef, de tijdstippen, het feit dat [medeverdachte 1] na terugkomst richting [plaats] stad zijn handen continue in zijn zakken had, alsmede dat hij tijdens het steekincident een puntig voorwerp uit zijn jaszak haalt, stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] naar de woning van [verdachte] is gegaan om een (steek)voorwerp op te halen.



Op de camerabeelden was waarneembaar dat [medeverdachte 1] om 13.36 uur in beeld kwam lopen uit de richting van [straatnaam 4] te [plaats] en liep in de richting van het station [plaats] . [medeverdachte 1] liep met beide handen in zijn jaszakken. Om 13.37 uur liep [medeverdachte 1] ter hoogte van [plein] in de richting van [straatnaam 2] . [medeverdachte 1] liep alleen, met beide handen in zijn jaszakken. [medeverdachte 1] liep om 13.38 uur richting [straatnaam 5] . Vervolgens begon [medeverdachte 1] te rennen, waarna hij doorrende richting [straatnaam 3] . Om 13.40 uur liep [medeverdachte 1] op [straatnaam 6] richting [straatnaam 7] . Daarna liep [medeverdachte 1] in de richting van [straatnaam 5] en [straatnaam 8] . Daarbij had [medeverdachte 1] nog steeds zijn handen in zijn zakken. Rond 13.41 uur liep [medeverdachte 1] over [straatnaam 5] in de richting van de Passage.



Uit de camerabeelden gericht op het plaats delict en de beschrijving daarvan was te zien dat [medeverdachte 1] om 13.43 uur in beeld kwam lopen uit de richting van [straatnaam 9] . [medeverdachte 1] had zijn rechterhand in zijn rechterjaszak en maakte contact met een onbekende man. Vervolgens bleef [medeverdachte 1] hangen nabij de plaats delict en keek zoekend om zich heen. Even later ging [medeverdachte 1] voor de winkelpui staan waar later aangever uitliep. [medeverdachte 1] keek naar binnen, pakte daarna zijn telefoon en bleef staan. Aansluitend begon [medeverdachte 1] te bellen en ging hij nogmaals voor de winkelpui staan. Daarop liep [medeverdachte 1] naar [straatnaam 1] , draaide zich om en liep met versnelde pas richting de Passage. [medeverdachte 1] liep om 13.44 uur via [locatie 1] richting [straatnaam 9] .



Daarna was op de camerabeelden te zien dat om 13.44 uur een grijskleurige Peugeot 206 kwam aangereden uit de richting van [locatie 2] richting [locatie 3] . Dit voertuig viel op omdat het met verhoogde snelheid de kruising passeerde. Deze auto was van [verdachte] en hij was daarmee naar [plaats] stad gereden.



Blijkens de camerabeelden van de parkeerplaats van [locatie 3] , was zichtbaar dat om 13.44 uur voornoemde Peugeot 206 kwam aangereden. Om 13.45 uur sloeg de Peugeot 206 linksaf de parkeerplaats op. Het voertuig wilde parkeren, maar reed vervolgens door en verdween uit beeld. Vervolgens kwam om 13.50 uur [medeverdachte 1] uit de richting van [locatie 3] gelopen. Hij liep in de richting van de plaats delict. Kort daarna liep [verdachte] met versnelde pas achter [medeverdachte 1] aan.



Nadien kwam [medeverdachte 1] , volgens de camerabeelden, om 13.50 uur naar de plaats delict gelopen, vanuit de richting van [locatie 3] . [medeverdachte 1] keek vervolgens naar de winkelpui op de hoek van [straatnaam 10] en vervolgens in de richting van [locatie 3] . In het midden van het beeld bleef hij vervolgens staan. Aangever en zijn vriendin kwamen uit een pand op de hoek van [straatnaam 1] gelopen, waarna [medeverdachte 1] richting aangever liep.



Aangever heeft verklaard dat hij de kapperszaak uitliep en naar [medeverdachte 1] toeliep, omdat hij zag dat [medeverdachte 1] iets in zijn vest had. Hij had een blikje drinken in zijn rechterhand en wilde met zijn linkerhand spullen in zijn tas doen.



Er werd contact gemaakt tussen [medeverdachte 1] en aangever. Ze stonden dicht bij elkaar. Vervolgens kwam [verdachte] links uit de richting van [locatie 3] aangelopen. [verdachte] liep richting [medeverdachte 1] en aangever, waarbij hij zijn rechterarm gestrekt langs zijn lichaam hield. Hij had een steekvoorwerp vast in zijn rechterhand. [verdachte] liep in een keer door naar aangever en pakte met zijn linkerhand aangever bij zijn linkerarm. Daaropvolgend maakte [verdachte] met zijn rechterarm een beweging naar de linkerzij van aangever. Vervolgens was er een contactmoment tussen de rechterhand van [verdachte] en de linkerzij van aangever. Aangever kroop ineen na dat contactmoment. De hand van [verdachte] bleef tegen aangever aan en [verdachte] liep in zijn beweging door.




[verdachte] heeft in zijn politieverhoor verklaard dat hij naar de Passage is gelopen, dat hij [medeverdachte 1] en een soort Marokkaans uitziende jongen (het hof begrijpt: aangever) zag aan komen lopen. Vervolgens heeft hij aangever gestoken, met het mes dat hij altijd in zijn achterzak heeft.



Aangever deinsde naar achter richting de winkelpui. Hij heeft aangegeven dat het voelde alsof hij een harde stomp in zijn buik kreeg. [medeverdachte 1] haalde vervolgens een voorwerp met zijn rechterhand uit zijn rechter jaszak. Dit voorwerp leek volgens de politie op een steekvoorwerp en was ongeveer 30 centimeter lang. [medeverdachte 1] bewoog met kracht zijn rechterarm naar achteren om vervolgens het voorwerp met kracht te bewegen richting het slachtoffer. Het voorwerp dat [medeverdachte 1] in zijn rechterhand vasthield glinsterde.



Getuige [getuige] heeft verklaard dat de eerste steekbeweging (het hof begrijpt: door [verdachte] ) heeft plaatsgevonden met een mes van een totale lengte van 30 centimeter, met een lemmet van ongeveer 20 centimeter. De getuige heeft nog een persoon gezien met een mes in handen, dat betrof een soortgelijk mes als het mes van [verdachte] .



Aangever heeft verklaard dat hij in zijn linker onderbuik is gestoken en dat ze in het ziekenhuis zeiden dat de wond ongeveer 5 à 6 centimeter diep was. Het betrof volgens aangever een kort, scherp voorwerp.



Uit de letselrapportage blijkt dat aangever is gediagnosticeerd met een steekverwonding in de linkeronderbuik. De breedte van de wond bedroeg na hechting circa 25 millimeter.



Het hof heeft op de zitting tijdens het afspelen van de camerabeelden waargenomen dat aangever naar [medeverdachte 1] loopt, maar dat [medeverdachte 1] ook naar aangever loopt en dat uit geen van beiden dreiging uit lijkt te gaan. Te zien is dat aangever en [medeverdachte 1] ogenschijnlijk ontspannen met elkaar praten. Het hof ziet verder in de camerabeelden bevestiging voor de verklaring van aangever dat hij een blikje drinken in zijn rechterhand hand vasthield, dat is te zien op de beelden wanneer hij de kapper verlaat. Daarbij merkt het hof op dat aangever heeft verklaard dat hij spullen in zijn tas stopt met zijn linkerhand. Het hof stelt vast dat dit overeen kan komen met de bewegingen die van zijn linkerarm op de beelden te zien zijn. Vervolgens is te zien dat verdachte [verdachte] met in zijn hand een mes met versnelde tred aan komt lopen en direct doorstapt naar aangever en hem linksonder in zijn buik steekt. Het mes waarmee [verdachte] stak, lijkt niet heel groot te zijn.




Partiële vrijspraak voorbedachte rade

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om te concluderen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. Verdachte [verdachte] zal van dat deel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.




Aanmerkelijke kans op de dood

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [verdachte] (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van aangever toen hij hem stak met een mes. Het hof dient te beoordelen of [verdachte] door te handelen zoals hij heeft gedaan, minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal daarbij moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te achten.



Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat [verdachte] met versnelde pas kwam aangelopen naar [medeverdachte 1] en aangever. Vervolgens is [verdachte] direct doorgestapt naar aangever en stak hij hem onverhoeds, met kracht, met een mes in zijn linker onderbuik. Op het moment dat [verdachte] aangever stak, bevonden zij zich op korte afstand van elkaar. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de onderbuik vitale organen zijn gesitueerd. Het met een mes, met kracht in de onderbuik steken van aangever roept dan ook de aanmerkelijke kans in het leven dat aangever daardoor komt te overlijden. De omstandigheid dat de diepte van de wond circa 5 centimeter bedroeg en er geen vitale organen zijn geraakt, maakt de poging van [verdachte] niet ongeschikt om dat soort letsel te veroorzaken. Het feit dat aangever niet is komen te overlijden, is niet aan het handelen van [verdachte] te wijten.



Nu het bovenstaande een algemene ervaringsregel betreft, moet ook [verdachte] geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Het in de onderbuik steken met een mes is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood, dat hieruit volgt dat [verdachte] die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat [verdachte] die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.



Het hof, acht gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.




Partiële vrijspraak medeplegen

Het hof kan op basis van het strafdossier en het onderzoek op de zitting van het hof niet vaststellen dat [verdachte] aantoonbaar nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn broer bij het ten laste gelegde feit. Duidelijk is dat de broers, onder andere met elkaar, telefonisch contact hebben gehad voorafgaand aan de steekpartij. Van de inhoud van deze gesprekken is het hof niet meer bekend, dan wat beide verdachten daarover hebben verklaard. Uit deze afgelegde verklaringen kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte 1] aan [verdachte] heeft verteld wat er exact was gebeurd tussen hem en aangever. Van overleg tussen hen beiden op het moment dat [verdachte] bij het winkelcentrum was gearriveerd is het hof niet gebleken. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn toen steeds op afstand van elkaar gebleven blijkens de camerabeelden. Zij kwamen pas bij elkaar toen [verdachte] ook bij aangever aankwam.
Op grond hiervan kan niet vastgesteld worden dat [medeverdachte 1] en [verdachte] hun handelen op enig moment op elkaar hebben afgestemd.
Het enige dat het hof kan vaststellen, is dat [verdachte] naar aanleiding van contact met zijn broertje naar het winkelcentrum is gekomen.
Het enkele feit dat beiden op aangever insteken met een mes, maakt niet dat [verdachte] als medepleger kan worden aangemerkt. Ook de gang van zaken rondom het steken van de beide broers zoals dat zichtbaar is op de camerabeelden van beide steekbewegingen biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten om [verdachte] als medepleger aan te merken. Dat de steekhandelingen elkaar snel opvolgen en dat beide verdachten geen schrikreactie laten zien na het steken door de medeverdachte, is voor het hof onvoldoende redengevend om van medeplegen te kunnen spreken. Het hof spreekt [verdachte] partieel vrij voor het ten laste gelegde medeplegen.




Bewezenverklaring


Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:



primairhij op 5 augustus 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk met een mes eenmaal in de buik, van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.



Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde



Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte is in een uur tijd meer dan dertig keer gebeld door [medeverdachte 1] , die in paniek was. Hij hoorde dat [medeverdachte 1] bedreigd werd, al dan niet met een vuurwapen. Verdachte zag aangever naar zijn tas grijpen. Er dient voorzichtig met de beschrijving van de camerabeelden te worden omgegaan omdat de gezichtsuitdrukkingen niet kunnen worden waargenomen. Verdachte heeft van meet af aan verklaard hoe het zat. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor de aanranding jegens [medeverdachte 1] , gelet op de bedreigingen jegens [medeverdachte 1] , in combinatie met het feit dat aangever naar zijn tas greep. Toen aangever naar de tas greep, raakte [verdachte] in paniek en heeft in een split second het mesje gepakt en vervolgens aangever gestoken.




Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht het bewezenverklaarde feit strafbaar. Er was geen sprake van een noodweersituatie. Verdachte werd zelf niet aangevallen en op de beelden is duidelijk zichtbaar dat [medeverdachte 1] ook niet werd aangevallen. [medeverdachte 1] en aangever waren rustig in gesprek.




Oordeel van het hof

Het noodweer-verweer is in eerste aanleg eveneens door de verdediging gevoerd. Het hof kan zich vinden in de navolgende overweging van de rechtbank. Het hof neemt die overweging over en maakt die tot de zijne.




Op grond van artikel 41 Sr kan een beroep op noodweer slagen indien sprake is geweest van een verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is naar vaste rechtspraak onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De verdediging moet hierbij noodzakelijk (subsidiariteitseis) en geboden (proportionaliteitseis) zijn geweest.





De rechtbank gaat uit van na te noemen feiten en omstandigheden, welke zij aannemelijk


acht aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting. Medeverdachte heeft verdachte meer dan dertig keer geprobeerd te bellen. Uiteindelijk belde medeverdachte naar de partner van verdachte. Daarna heeft verdachte medeverdachte teruggebeld. Verdachte hoorde van medeverdachte dat hij was aangevallen door een paar mannen. Verdachte is naar de Passage vertrokken en trof medeverdachte op de parkeerplaats. Verdachte is medeverdachte achterna gelopen. Toen verdachte in de Passage was en de hoek om kwam, zag hij dat medeverdachte en het slachtoffer bij elkaar stonden. Verdachte zag dat het slachtoffer zijn arm bewoog, het slachtoffer tilde zijn elleboog op. Verdachte is toen in één keer naar het slachtoffer toe gelopen en heeft hem gestoken.





De rechtbank stelt het volgende voorop. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke


aanranding van het slachtoffer jegens medeverdachte is geen sprake geweest. Het slachtoffer heeft immers geen aanvallende handeling jegens medeverdachte verricht.


Over het onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke


aanranding van medeverdachte overweegt de rechtbank als volgt. Noch uit de beschrijving


van de beelden, noch uit de bewegende beelden zelf, volgt dat het slachtoffer een dreigende


of agressieve houding aannam ten opzichte van medeverdachte. Daar komt bij dat niets erop wijst dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich had of ter hand zou nemen. Op de


bewegende beelden is weliswaar zichtbaar dat het slachtoffer zijn elleboog beweegt en ter


hoogte houdt van een voorwerp dat mogelijk een tasje zou kunnen zijn, maar er kan aan de


hand van deze beweging niet worden vastgesteld dat het slachtoffer met zijn hand in een


tasje gaat of medeverdachte anderszins wilde aanvallen. Bij het slachtoffer is geen


vuurwapen aangetroffen. Het slachtoffer heeft hier ook niet over verklaard: hij heeft zelfs


verklaard dat hij voor niets is gestoken, dat er geen aanleiding was. Getuige [getuige]


verklaart ook niet over een vuurwapen. Zij heeft eveneens verklaard dat het slachtoffer


ineens werd gestoken.





Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is


geworden dat er objectief gezien sprake was van een (dreiging van) een ogenblikkelijke,


wederrechtelijke aanranding. Er is dus geen sprake geweest van een noodweersituatie. De


rechtbank zal het beroep op noodweer verwerpen. Dit betekent dat geen omstandigheid


aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit


strafbaar is.





Het bewezenverklaarde is strafbaar.



Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.






Strafbaarheid van verdachte



Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een geslaagd beroep toekomt op noodweerexces en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte was in paniek. Het uithalen met een voorwerp was het onmiddellijke gevolg van de hevige gemoedsbeweging, die is ontstaan door het handelen van aangever. Verdachte zag aangever naar zijn tas grijpen. Daarnaast nam aangever een dreigende houding aan, wat wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] .
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit putatief noodweer(exces). Verdachte reageerde in een fractie van een seconde omdat hij in de veronderstelling was dat aangever naar zijn tas greep. Daarnaast is het niet aannemelijk geworden dat aangever een blikje drinken heeft vastgehouden, omdat er geen plas drinken op de grond is aangetroffen.




Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen, nu er geen sprake was van een noodweersituatie. Verdachte werd zelf niet aangevallen en op de beelden is duidelijk zichtbaar dat [medeverdachte 1] ook niet werd aangevallen. [medeverdachte 1] en aangever waren juist rustig in gesprek.
Verder heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat geen sprake was van een putatieve noodweersituatie. Voor zover verdachte meende en redelijkerwijs mocht menen dat [medeverdachte 1] in gevaar was en zijn ingrijpen met geweld, passend en geboden was, was die situatie reeds zichtbaar gestopt. Toen verdachte kwam aanstormen en meteen op aangever instak was er geen reden meer om zijn broer te verdedigen tegen een aanval waarvan hij meende dat die eerder had plaatsgevonden.




Oordeel van het hof

Noodweerexces
Het hof heeft bij de strafbaarheid van het feit reeds toegelicht waarom het van oordeel is dat er überhaupt geen sprake was van een noodweersituatie. Er kan daarom ook geen
sprake zijn van noodweerexces. Het hof verwerpt het beroep op noodweerexces.



Putatief noodweer(exces)
Het hof stelt het volgende voorop. Een beroep op putatief noodweer kan slagen indien sprake is geweest van een verschoonbare dwaling dat tegen een ogenblikkelijke,
wederrechtelijke (dreigende) aanranding van eigen of eens anders lijf verdediging
noodzakelijk en geboden was op de wijze zoals is gehandeld. Er kan sprake zijn van putatief
noodweerexces indien verdachte de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden.



Verdachte heeft bij de rechtbank verklaard dat hij aan de telefoon van [medeverdachte 1] had begrepen dat [medeverdachte 1] door het slachtoffer met een vuurwapen was bedreigd. Verdachte heeft verder bij de rechtbank aangevoerd dat hij - mede gelet op die mededeling van [medeverdachte 1] - in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer in zijn tas greep om een vuurwapen te pakken.



Op de zitting bij het hof heeft verdachte niet meer verklaard dat hij had gehoord dat [medeverdachte 1] met een vuurwapen was bedreigd, maar naar voren gebracht dat hij niet wist wat er precies aan de hand was. Na de telefonische contacten, kwam verdachte naar de [locatie 3] . Daar ziet hij zijn broer op enige afstand. Ze spreken elkaar niet. Hieruit volgt dat [verdachte] ook toen niet verteld kan zijn dat er sprake was van een situatie waarin zijn broer werd bedreigd. Hierboven heeft het hof bovendien al vastgesteld dat als [medeverdachte 1] en aangever elkaar spreken voor de kapper, dit er ogenschijnlijk ontspannen aan toe gaan en niet te zien is dat van één van beiden dreiging naar de ander uitgaat. Zodoende is onbegrijpelijk dat [verdachte] veronderstelde, toen de hand van aangever naar zijn tasje ging (met in de andere hand een blikje drinken), dat dit moest betekenen dat hij naar een wapen greep. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat verdachte dacht dan wel redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat er een dreigende situatie voor zijn broertje bestond. Het hof verwerpt het beroep op putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces.





Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.





Oplegging van straf



Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat in beginsel, gelet op de aard en ernst van het feit, een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, vordert de advocaat-generaal een gevangenisstraf van 30 maanden.




Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om, zo begrijpt het hof, geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte heeft zijn belangrijkste persoonlijke leefgebieden op orde. Hij heeft fulltime werk, heeft een omgangsregeling met zijn kinderen en spant zich in voor de aflossing van zijn schulden.




Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.




Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van aangever. Een woordelijke confrontatie tussen [medeverdachte 1] en aangever heeft er uiteindelijk toe geleid dat verdachte naar aangever en [medeverdachte 1] is gelopen. Terwijl verdachte niet wist wat er zich had afgespeeld tussen aangever en [medeverdachte 1] heeft verdachte aangever met een krachtige steekbeweging in zijn onderbuik gestoken. Verdachte heeft hiermee alle grenzen overschreden. Dat geen vitale organen zijn geraakt is een gelukkig toeval, en is niet aan verdachte te danken.



Verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog lange tijd de psychische gevolgen
hiervan kunnen ondervinden. Het steekincident vond plaats op klaarlichte dag en in de openbare ruimte. Feiten als deze brengen in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg.




Strafblad

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten. Verdachte is in 2011 door het hof onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren, voor geweldsdelicten. Ten tijde van het plegen van onderhavig strafbaar feit, liep verdachte in een proeftijd van deze veroordeling, waarbij de algemene voorwaarde was gesteld dat hij gedurende de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten mocht plegen. Het hof stelt vast dat deze veroordeling verdachte er kennelijk niet van heeft weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.




De persoon van verdachte

Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft de afgelopen jaren positieve gedragsverandering laten zien. Verdachte werkt fulltime als buschauffeur, is deels belast met de zorg van zijn kinderen en spant zich in voor de aflossing van zijn schulden.




Strafoplegging

Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt voor het feit zoals door verdachte gepleegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur dient te zijn.



Naar het oordeel van het hof heeft de raadsvrouw geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het hof de oplegging van de door haar bepleite strafmodaliteiten aangewezen acht. Het hof begrijpt dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur impact heeft op de persoonlijke situatie van verdachte en zijn gezin. Op basis van de ernst van het bewezenverklaarde feit, kan naar het oordeel van het hof echter niet worden volstaan met de door de raadsvrouw bepleite duur van de gevangenisstraf.




Overschrijding redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep is overschreden. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep door de officier van justitie op 18 maart 2021, respectievelijk verdachte op 21 maart 2021 en de uitspraak in hoger beroep op 19 juni 2026 zijn 5 jaren en 3 maanden verstreken. De normtermijn die voor de afdoening in hoger beroep staat, bedraagt in dit geval 2 jaren. De redelijke termijn is hiermee overschreden met ruim 3 jaren en 3 maanden, waardoor het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen.



Het hof acht in beginsel voor het bewezenverklaarde, gelet op de aard en ernst van het feit, een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.



Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.





Beslag


Het hof zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de volgende voorwerpen:



bankbescheiden (pas) op naam van [naam 1] ;


bankbescheiden (pas) op naam van [naam 2] ;


bankbescheiden (pas) op naam van [naam 3] ;


identiteitspapieren (ID-kaart) op naam van [naam 4] ;


bankbescheiden (pas) (goednummer [nummer] ).







Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling


Verdachte is bij arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 10 maart 2011, met parketnummer 24-002723-09 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 (negen) jaren, met aftrek van voorarrest.



Verdachte is in die zaak op 4 november 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De duur van de totale voorwaardelijke invrijheidsstelling bedraagt 975 dagen.



De officier van justitie heeft op 31 augustus 2020 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met het feit waarvoor verdachte in deze strafzaak terechtstaat.




Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig wordt toegewezen, voor de duur van 975 dagen. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling voor een soortgelijk strafbaar feit, als het feit dat waarvoor hij in de onderhavige zaak terechtstaat.




Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen, in verband met de persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft zijn belangrijkste persoonlijke leefgebieden op orde. Hij heeft fulltime werk, heeft een omgangsregeling met zijn kinderen en spant zich in voor de aflossing van zijn schulden.




Oordeel van het hof

In hoger beroep is komen vast te staan dat verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft namelijk het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit (poging tot doodslag) begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet verstreken was. De vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is daarom gegrond.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met het feit dat verdachte in zijn proeftijd een ernstig geweldsfeit heeft gepleegd, terwijl hij in een proeftijd liep van een veroordeling voor een soortgelijk delict. Hoewel het hof begrijpt dat toewijzing van de vordering impact zal hebben op de persoonlijke situatie van verdachte en zijn gezin, ziet het hof gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit en de specifieke recidive geen andere mogelijkheid.



Dat betekent dat het hof de vordering toewijst. Het hof gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan en wel voor de duur van 975 dagen.







Wetsartikelen


De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.



Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.






BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Gelast de teruggave aan [naam 1] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: bankbescheiden (pas).



Gelast de teruggave aan [naam 2] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: bankbescheiden (pas).



Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: bankbescheiden (pas) (goednummer [nummer] ).



Gelast de teruggave aan [naam 4] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: ID-kaart.



Gelast de teruggave aan [naam 3] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: bankbescheiden (pas).




Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 99-000137-47 toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van Arnhem-Leeuwarden van 10-03-2011 onder parketnummer 24-002723-09 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten: 975 dagen













































Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. A.F. van Kooij en mr. J.F.C. Schnitzler, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 juni 2026.




Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoelt het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal Einddossier van 23 oktober 2020, proces-
verbaalnummer 48 (documentcode MD2R020156-133) politie eenheid Midden-Nederland, en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 263;


PV van verhoor getuige [getuige] , pagina 113.


PV van bevindingen, pagina 118.


PV van bevindingen, pagina 256.


PV van de zitting van het hof 5 juni 2026, de verklaring van verdachte [verdachte] .


PV van bevindingen, pagina 258.


PV verhoor verdachte [verdachte] , pagina 75.


PV van bevindingen, pagina 261.


PV van bevindingen, pagina 141.


PV van bevindingen, pagina 142.


PV van bevindingen, pagina 143.


PV van bevindingen, pagina 144.


PV van bevindingen, pagina 145.


PV van bevindingen, pagina 146.


PV van bevindingen, pagina 147.


PV van bevindingen, pagina 148.


PV van verhoor [verdachte] , pagina 77.


PV van bevindingen, pagina 174.


PV van bevindingen, pagina 176.


PV van bevindingen, pagina 177.


PV van bevindingen, pagina 121.


PV van bevindingen, pagina 122.


PV verhoor getuige [slachtoffer] , pagina 2


PV van bevindingen, pagina 122.


PV van bevindingen, pagina 123.


PV van bevindingen, pagina 124.


PV van bevindingen, pagina 125.


PV van bevindingen, pagina 126.


PV verhoor verdachte [verdachte] , pagina 77.


PV van bevindingen, pagina 127.


PV van bevindingen, pagina 128.


PV verhoor getuige [getuige] , pagina 114.


PV van bevindingen, pagina 117.


PV van bevindingen, pagina 105.


Een geschrift, Letselrapportage GGD Flevoland door C. Chiu, van 6 augustus 2020, pagina 2.


Een geschrift, Letselrapportage GGD Flevoland door C. Chiu, van 6 augustus 2020, pagina 4.


PV van de zitting van het hof 5 juni 2026, de eigen waarneming van het hof.