Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3961

2026-06-16 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.362.391/01 en 200.363.670/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-16
Publicatiedatum
2026-06-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.362.391/01 en 200.363.670/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Artikel 358 lid 4 Rv. Niet-ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in hoger beroep. Geen eindbeslissing, maar een tussenbeschikking.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.362 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden



afdeling civiel recht



zaaknummers gerechtshof 200.362.391/01 en 200.363.670/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 585616)




beschikking van 16 juni 2026




in de zaak van





[verzoeker]
(de man),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,
en





[verweerster]
(de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.H.H. Nauta te Lelystad.





1De procedure in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 3 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2De procedure in hoger beroep


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 november 2025;
- een journaalbericht namens de man van 29 december 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift.



2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
mr. S. Toughza namens de man en de vrouw met haar advocaat.






3De feiten


3.1.
Partijen zijn [in] 2014 met elkaar gehuwd in [plaats] (Marokko). Dit huwelijk is niet geregistreerd in Nederland.


3.2.
Ten tijde van de huwelijksvoltrekking in Marokko hadden zowel de man als de vrouw de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.



3.3.
Partijen hebben twee kinderen, van wie een is geboren in 2015 en een in 2018.


3.4.
De vrouw heeft op 26 november 2024 een echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. De vrouw heeft op 31 december 2024 een ontvangstbevestiging van de rechtbank ontvangen met daarin de opdracht om het verzoekschrift binnen veertien dagen aan de man te laten betekenen. Het verzoekschrift is op 9 januari 2025 betekend op het adres van de man.



3.5.
De man is een echtscheidingsprocedure gestart in Marokko.




4De omvang van het geschil


4.1.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft – voor zover in dit hoger beroep van belang – bij beschikking van 3 september 2025: - zich bevoegd verklaard om van het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken kennis te nemen en daarop het Nederlandse recht toe te passen;- de beslissing over het verzoek tot echtscheiding en de andere verzoeken aangehouden in afwachting van nadere schriftelijke informatie van partijen.



4.2.

De man heeft met drie grieven hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. De grieven van de man zien op de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de toepassing van het Nederlandse recht op de verdeling. Hij verzoekt het hof – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

primair: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, of te bepalen dat de rechtbank onbevoegd is om te oordelen over de verzoeken van de vrouw;

subsidiair: de zaak aan te houden totdat de Marokkaanse rechter uitspraak heeft gedaan en daarna te bepalen dat de rechtbank onbevoegd is om over de verzoeken van de vrouw te oordelen.



4.3.
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof de grieven van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.





5De motivering van de beslissing



Ontvankelijkheid




5.1.
Het hof dient ambtshalve de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in hoger beroep te beoordelen. Naar het oordeel van het hof is de man niet-ontvankelijk in zijn beroep. Het hof zal dit hierna uitleggen.



5.2.
Net als in dagvaardingszaken geldt in de verzoekschriftprocedures het uitgangspunt dat van (eind)beschikkingen hoger beroep openstaat (artikel 358, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hoger beroep van een tussenbeschikking kan slechts tegelijk worden ingesteld met dat van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald (artikel 358, vierde lid, Rv).Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een eindbeschikking is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad doorslaggevend of in het dictum van de betreffende beschikking een einde is gemaakt omtrent enig deel van het verzochte. Onder “enig deel van het verzochte” worden de materiële verzoeken verstaan die aan de rechter zijn voorgelegd.


5.3.
De procedure bij de rechtbank betreft een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken. Het hof constateert dat in de bestreden beschikking enkel is beslist dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Nederlandse recht van toepassing is, en dat de overige beslissingen zijn aangehouden. Hieruit volgt dat in het dictum van de beslissing geen eindbeslissing is genomen over de verzochte echtscheiding of een van de nevenverzoeken. Niet is gebleken dat de man verlof heeft gevraagd en verkregen voor het instellen van tussentijds hoger beroep.



5.4
Het hof concludeert dan ook dat het hier een zuivere tussenbeschikking betreft waartegen hoger beroep pas tegelijk met het hoger beroep tegen de eindbeschikking openstaat. Dit betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Daarom komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.





6De beslissing


Het hof, beschikkende in hoger beroep:



verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.



Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. L. van Dijk en mr. E. Leentjes, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 16 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.