Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3842

2026-06-12 Strafrecht Wahv 200.357.033/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
Wahv 200.357.033/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Snelheidsoverschrijding. Hoogte sanctiebedrag. Sanctie opgelegd voor 1 maart 2024. Geen sprake van détournement de pouvoir. Evenredigheidsbeginsel. Niet is gebleken dat de hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag in dit geval niet in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.353 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden









Zaaknummer


: Wahv 200.357.033/01




CJIB-nummer


: 263887696




Uitspraak d.d.


: 12 juni 2026









Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordHolland van 8 mei 2025, betreffende




[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .


De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.




Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 29 mei 2026. De betrokkene is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaatgeneraal is vertegenwoordigd door mr. [naam] .





De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 116,- voor: “13 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 januari 2024 om 15:47 uur op de A4, Hoofddorp links (trajectcontrole), in Rijsenhout met het voertuig met het kenteken [kenteken] .









2. De betrokkene voert - kort samengevat - aan dat met de wijze waarop het systeem van constateringen nu is ingericht een betrokkene zich niet behoorlijk kan verdedigen. Na het opvragen van stukken zijn aan de betrokkene twee onduidelijke foto’s en het zaakoverzicht verstrekt. Er blijkt geen uitdraai van de digitale gegevens of een foto van de met de trajectsnelheidsmeter geconstateerde en afgelezen snelheid te zijn, met datum en tijd, waaruit blijkt dat die te hoge snelheid inderdaad is gemeten en daarom sprake is van een snelheidsovertreding. Dit mag in alle redelijkheid wel worden verwacht. Op basis van zo een incompleet dossier had de kantonrechter niet tot een bewezenverklaring mogen komen van het gepleegde feit. Dat is een vergaande omkering van de bewijslast, nu die concrete gegevens er zijn en zullen zijn. De beslissing van de kantonrechter is in strijd met het verdedigingsbeginsel. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal betwist niet dat deze bewijsstukken bestaan, maar weigert kennelijk om die aan het dossier toe te voegen. De opmerking dat er geen wettelijke bepaling zou bestaan, die voorschrijft dat die stukken uit de trajectsnelheidsmeter en/of andere concreet op de zaak betrekking hebbende stukken (zoals nadere foto’s) aan het dossier moeten worden toegevoegd, zelfs al zijn die beschikbaar, vraagt des te meer om overlegging van die stukken. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal belemmert het recht op een eerlijk proces en een eerlijke beoordeling van de zaak in hoger beroep. Het is vaste jurisprudentie dat digitale gegevens tot op de zaak betrekking hebbende stukken behoren.

Daarnaast wijst de betrokkene erop dat door de ambtenaar en daarna het CJIB fouten zijn gemaakt met betrekking tot de beschrijving en de onderbouwing van de geconstateerde snelheidsovertreding. In het zaakoverzicht wordt verwezen naar artikel 62 van het RVV 1990 jo. bord A1 RVV 1990. Uit het RVV 1990 blijkt dat met het verkeersbord A1 wordt gedoeld op het algemeen bekend zijnde verkeersbord van de maximumsnelheid met de rode rand, een wit midden en het zwarte getal 50. Dit bord tref je niet aan op een autosnelweg. De snelheidsovertreding kan hier niet op gebaseerd zijn, maar moet zijn gebaseerd op een correcte verwijzing naar de overtreden bepaling.
Verder voert de betrokkene aan dat het argument van de kantonrechter dat de hoogte van de sanctie is bepaald door de wetgever vastgestelde bedragen het oordeel van de kantonrechter niet kan dragen. De kantonrechter had de hoogte van de sanctie met name moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Zowel door het openbaar ministerie als de Raad van State worden de sanctiebedragen te hoog bevonden. Gelet op het bestraffende karakter van de sanctie behoort de hoogte indringend en volledig aan het evenredigheidsbeginsel te worden getoetst. Sinds enkele jaren worden de boetes stelselmatig en niet zelden fors verhoogd, waardoor er een disbalans is ontstaan in het boetesysteem. Niettemin blijft de Minister de boetes jaarlijks verhogen, terwijl de verkeersveiligheid hier niet mee gediend is, omdat hij dat geld niet kan missen op zijn begroting. Een eventueel begrotingstekort mag echter geen factor of reden zijn om telkens de boetes te verhogen. Dat is misbruik van bevoegdheid. Door het instrument van verkeersboetes op deze manier voor politiek bestuurlijke financiële doeleinden in te zetten wordt louter de groep van verkeersovertreders anders en ongelijk gebruikt voor het de facto binnenhalen van financiële middelen voor het financieren van de begroting, die juridisch alleen mogen worden binnengehaald via de generieke belastingheffing bij en van elke belastingbetaler. Het op deze wijze inzetten van het instrument verkeersboetes is daarom discriminatoir en misbruik van bevoegdheid. De boetesystematiek in relatie tot de hoogte van boetes is niet erg kenbaar en transparant te noemen. Het blijft bij een omschrijving van de overtreding, waaraan een boetebedrag is gekoppeld, zonder dat duidelijk is of dit bedrag na al die verhogingen nog in een redelijke verhouding staat tot de ernst van die overtreding. De betrokkene wijst ook op de discussie die speelt met betrekking tot de verhogingspercentages. De betrokkene verzoekt om de sanctie, conform het advies van het OM, tenminste te matigen met 30 procent.


3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten gemiddelde (afgelezen) snelheid: 117 km per uur.
Werkelijke gemiddelde (gecorrigeerde) snelheid: 113 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 13 km per uur.
Het snelheidscontroletraject bevond zich in de gemeente Haarlemmermeer. Trajectlengte: 2500 meter. Trajectnummer: a0040004. De geconstateerde gemiddelde snelheid was het resultaat van een berekening die plaatsvond op basis van de tijdsduur en de afgelegde wegafstand van het controletraject.
Overtreden artikel: 62 jo. Bord A1 RVV 1990.
Soort weg: autosnelweg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Rijrichting van: Nieuw-Vennep.
Rijrichting naar: Hoofddorp.
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 13.7L.
De gedraging vond plaats buiten de bebouwde kom.”


5. Het dossier bevat twee foto’s. Op deze foto’s is het voertuig met kenteken [kenteken] te zien. In de databalk onder foto 1 onder meer is het volgende vermeld:

“Datum en tijd van de passage: 28-01-2024 15:46:27.053
Locatie van het passagepunt: A4 16.2 1 HR L R 2”
Onder foto 2 is vermeld:
“Datum en tijd van de passage: 28-01-2024 15:47:43.286
Locatie van het passagepunt: A4 13.7 1 HR L R 3.”


6. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de fase van het administratief beroep is gehouden op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In ieder geval moeten als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt het zaakoverzicht en (als die is gemaakt) een foto van de gedraging.

7. De betrokkene verzoekt om een uitdraai van de digitale gegevens of foto van de met de trajectsnelheidsmeter geconstateerde en afgelezen snelheid, met datum en tijd.

8. Bij een trajectsnelheidsmeting wordt de gemiddelde snelheid berekend aan de hand van afstand en tijd. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de trajectlengte 2.500 meter is. De meting is, zo blijkt uit de gegevens onder de foto’s, verricht op de A4, van hectometerpaal 16.2 tot 13.7. Onder de foto’s van de gedraging staat ook een tijdstip vermeld. Het tijdsverloop is 76.233 seconden. Aan de hand daarvan kan de gemiddelde snelheid worden berekend.

9. De door de betrokkene verzochte gegevens zijn vermeld in het zaakoverzicht en onder de foto’s van de gedraging. Voor zover de betrokkene verzoekt om andere stukken, zijn dit niet op de zaak betrekking hebbende stukken. Andere stukken dan het zaakoverzicht en de foto’s zijn niet nodig om de gedraging te kunnen vaststellen. Van strijd met het verdedigingsbeginsel is niet gebleken.

10. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de in het zaakoverzicht vermelde snelheid onjuist is.

11. De vermelding in het zaakoverzicht van artikel 62 van het RVV 1990 jo. bord A1 is juist. In bijlage I van het RVV 1990 is in de afbeelding van het bord A1 weliswaar het getal 50 afgebeeld, maar dit getal dient slechts als voorbeeld. Het hof verwijst in dit verband naar pagina 148 van de Nota van toelichting bij het RVV 1990 bij het Besluit van 26 juli 1990, houdende vaststelling van een nieuw Reglement verkeersregels en verkeerstekens (Staatsblad 1990, 459). Daarin is overwogen dat in hoofdstuk A van Bijlage I de tekens zijn opgenomen, die snelheden dan wel de beëindiging daarvan aangeven en dat de in de tekens vermelde getallen, die als voorbeeld dienen, de maximum of geadviseerde snelheid in kilometers per uur aangeven.

12. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

13. De gemachtigde voert terecht aan dat de kantonrechter, gelet op wat is aangevoerd, de hoogte van het sanctiebedrag had moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van het hof van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719). Het hof zal dit alsnog doen.

14. Het hof heeft in dat arrest verder overwogen dat de omstandigheid dat de financiële taakstelling van de overheid bij de vaststelling van het sanctiebedrag een rol heeft gespeeld niet maakt dat is gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het specialiteitsbeginsel. Daarbij merkt het hof op dat de onderhavige sanctie is opgelegd voordat de sanctietarieven per 1 maart 2024 met 10 procent zijn verhoogd, mede vanwege de financiële taakstelling van de overheid. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gebleken.

15. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging. Doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de overtreden bepaling strekt. Dat is hier het belang van de veiligheid van het verkeer. Dit belang brengt mee dat verkeersdeelnemers zich aan de vastgestelde maximumsnelheid houden. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag heeft de regelgever rekening gehouden met de mate van de overschrijding van de maximumsnelheid, het soort weg en de omstandigheid dat de pleeglocatie zich buiten de bebouwde kom bevindt. Dit betreft alle aspecten die de mate van aantasting van de veiligheid van het verkeer in algemene zin betreffen. De regelgever heeft niet relevant geacht of in concreto sprake is van een gevaarlijke situatie. Dit past bij het doel van de Wahv, het op eenvoudige wijze afdoen van ethisch-neutrale gedragingen. Niet is gebleken dat de hoogte van het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag in dit geval niet in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging.

16. De betrokkene heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om van het vastgestelde tarief af te wijken.

17. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het hof zal dit, gelet op wat onder 13. is overwogen, doen met verbetering van gronden. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.



De beslissing
Het gerechtshof:


bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;



wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.



Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.