Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3605

2026-06-03 Strafrecht Wahv 200.357.952/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
Wahv 200.357.952/01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzendadministratie rechtbank. Betwisting ontvangst uitnodiging zitting kantonrechter. Gelet op de stukken in het dossier kan worden vastgesteld dat de betreffende brief is verzonden en de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.376 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden









Zaaknummer


: Wahv 200.357.952/01




CJIB-nummer


: 258439823




Uitspraak d.d.


: 3 juni 2026









Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2025, betreffende




[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .


De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.



De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.




Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.





De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene betwist de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter. Hij verzoekt het hof de zaak inhoudelijk te behandelen. Een hoorzitting acht de gemachtigde niet nodig.

2. In het dossier bevindt zich een - in overeenstemming met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht - aan de gemachtigde gerichte brief van 18 april 2025 met kenmerk “11060016 BR VERZ 24-1097”, waarin de griffier van de rechtbank de gemachtigde oproept voor de zitting van de kantonrechter op 3 juni 2025. Bovenaan deze brief is in dikgedrukte letters “Oproeping” vermeld. Verder bevindt zich in het dossier een ‘proces-verbaal van aanbieding en overhandiging van een envelop’ van 18 april 2025, waarin is verklaard dat in een envelop geadresseerd aan de gemachtigde de stukken zitten die zijn vermeld op de zich in de envelop bevindende inventarislijst, waarvan een afschrift aan dit proces-verbaal is gehecht. Uit die inventarislijst volgt dat de envelop een oproeping met kenmerk “BR 24-1097” bevat. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de desbetreffende brief is verzonden en de gemachtigde daarmee behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De enkele betwisting van de ontvangst van die brief door de gemachtigde, maakt dat niet anders.3. Nu bij genoemde brief van 18 april 2025 de gemachtigde ook de gelegenheid is geboden de gronden van het beroep aan te vullen, mist de grond van de gemachtigde - inhoudende dat hem die gelegenheid niet is geboden – feitelijke grondslag.

4. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen gronden bevat.

5. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat bij het instellen van beroep wel degelijk gronden zijn aangevoerd. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

6. Het dossier bevat een namens de betrokkene op 29 juni 2023 via het Digitaal Loket Verkeer ingediend beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie. Het hof stelt vast dat de gemachtigde hierbij onder meer het volgende heeft aangevoerd: “Betrokkene ontkent de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen.” Dit zijn gronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

7. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor:

“als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2023 om 20.30 uur op de A1 in Stroe met het voertuig met het kenteken

[kenteken] .


8. In hoger beroep voert de gemachtigde aan dat hetgeen de ambtenaar heeft gerelateerd onvoldoende is voor de vaststelling van de gedraging. De betrokkene heeft de gemachtigde laten weten dat hij de gedraging niet heeft begaan. Zijn werktelefoon heeft hij altijd in de houder en hij gebruikt altijd AirPods om te bellen. De betrokkene is zich vanwege zijn werk bewust van de verkeersveiligheid. Op het moment dat de ambtenaren hem zagen had de betrokkene zijn agenda, die erg op een telefoon lijkt, in zijn hand die hij in zijn rechter broekzak probeerde te stoppen. Volgens de gemachtigde valt niet uit te sluiten dat de ambtenaar het (oplichten van het) scherm van de werktelefoon van de betrokkene heeft aangezien voor een mobiele telefoon. Een aanvullend proces-verbaal in het dossier had niemand kwaad gedaan.

9. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Op dinsdag 23-05-2023 om 20:30 was ik, [naam] , gebezigd met mijn taak genoemd in artikel 4 lid 1 onder b en e Politiewet 2012. Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een telefoon met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat be (het hof begrijpt: betrokkene) een telefoon vasthield en hierop handelingen uitvoerde. Bij de staandehouding zag ik dat het een telefoon (merk onbekend) betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)
Verklaring betrokkene: ik wens geen verklaring af te leggen.”





11. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn rechterhand heeft vastgehouden en hierop handelingen uitvoerde. De ambtenaar heeft de mobiele telefoon van de betrokkene tijdens de staandehouding herkend als het apparaat dat de betrokkene tijdens het rijden heeft vastgehouden. Het hof acht het om die reden niet aannemelijk dat de ambtenaar een agenda heeft aangezien voor een mobiele telefoon. Verder komen de stellingen van de betrokkene dat zijn werktelefoon altijd in de houder zit en hij gebruik maakt van AirPods, neer op een enkele ontkenning van de gedraging en dat is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Daarbij wordt erop gewezen dat de aanwezigheid van een telefoonhouder in het voertuig en het gebruik van AirPods slechts meebrengt dat geen noodzaak bestaat om niet handsfree te bellen. Dat laat echter onverlet dat de betrokkene diverse andere redenen kan hebben gehad om de mobiele telefoon vast te houden. Nader onderzoek in de vorm van het opvragen van een aanvullend proces-verbaal acht het hof in dit geval niet nodig. De gedraging kan worden vastgesteld.

12. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met
25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).

13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 583,75 (= (1 x € 934,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).




De beslissing
Het gerechtshof:


vernietigt de beslissing van de kantonrechter;



verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;



verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;



wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 285,-;



bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;



veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 583,75.



Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.