Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:3388
2026-05-28
Civiel recht; Insolventierecht
200.365.989/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De beslissing tot het verlenen van de schone lei ex art. 354 Fw wordt aangehouden zolang er op het verzoek tot tussentijdse beëindiging niet onherroepelijk is beslist.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:455 Hoge Raad 24-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.707 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.365.989/01
(zaaknummer rechtbank [nummer] )
arrest van 28 mei 2026
inzake
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
schuldenaar
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna te noemen: [de schuldenaar]
advocaat: mr. R.G. Holtz, die kantoor houdt in Groningen
en
1 [de schuldeiser] B.V.
2. Heusden Veste B.V.
die beiden zijn gevestigd in [vestiginsplaats]
schuldeisers
die ook hoger beroep hebben ingesteld
hierna te noemen: [de schuldeisers]
advocaat: mr. F.J.P.F. Vos
1Het verloop van de procedure in eerdere instanties
1.1
In een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2024 is op [de schuldenaar] de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP) van toepassing verklaard.
1.2
Op 7 juni 2024 heeft [de schuldeiser] verzocht om tussentijdse beëindiging van de WSNP. Dit verzoek is bij vonnis van eerdergenoemde rechtbank op 25 oktober 2024 afgewezen. [de schuldeiser] heeft hoger beroep ingesteld.
1.3
In een arrest van 12 december 2024 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank genoemd onder 1.2 bekrachtigd. [de schuldeiser] heeft cassatie ingesteld.
1.4
De Hoge Raad heeft op 16 mei 2025 het arrest van dit hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere afhandeling en beslissing.
1.5
Op 21 augustus 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [de schuldeiser] heeft hiertegen opnieuw cassatie ingesteld.
1.6
De conclusie van de advocaat-generaal R.H. de Bock van 21 november 2025 strekt tot vernietiging van het arrest van 21 augustus 2025 en tot verwijzing.
1.7
De bewindvoerder heeft op 20 juni 2025 verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de WSNP en heeft geadviseerd om de WSNP te beëindigen met verlening van de zogenoemde ‘schone lei’.
1.8
Op 22 september 2025 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden. [naam1] (echtgenoot van [de schuldenaar] ) in de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] ingediende en door [de schuldeisers] betwiste vorderingen is een renvooiprocedure aanhangig.
1.9
In een brief van 18 december 2025 hebben [de schuldeisers] bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de schone lei aan [de schuldenaar] en hebben zij verzocht de looptijd van de WSNP te verlengen.
1.10
De rechtbank heeft in een vonnis van 23 februari 2026 de beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling met zes maanden aangehouden. Het door [de schuldeiser] ingediende verzoek om verlenging van de WSNP is afgewezen.
2Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 2 maart 2026, heeft [de schuldenaar] verzocht dit vonnis te vernietigen voor zover de rechtbank daarin de beslissing om aan haar de schone lei te verlenen voor de duur van zes maanden heeft aangehouden en alsnog te bepalen dat aan [de schuldenaar] een schone lei wordt verleend.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 23 april 2026 en 30 april 2026 van mr. Holtz. Van de bewindvoerder is een brief met bijlagen van 1 mei 2026 ontvangen.
2.3
Op 1 mei 2026 is namens [de schuldeisers] een verweerschrift ingediend. Daarin heeft [de schuldeiser] ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
2.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026, waarbij [de schuldenaar] is verschenen, bijgestaan door mr. Holtz. Ook de bewindvoerder is verschenen. Namens [de schuldeiser] is de heer [naam2] verschenen, bijgestaan door mr. Vos en mr. J. den Hoed.
3De beoordeling
3.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat [de schuldenaar] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen, maar heeft de beslissing om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen met toekenning van de schone lei met zes maanden aangehouden teneinde [de schuldeiser] in de gelegenheid te stellen de uitkomst van de cassatieprocedure inzake het verzoek om tussentijdse beëindiging van de WSNP af te wachten.
3.2
[de schuldenaar] is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Het doel van dit principaal appel is dat aan [de schuldenaar] alsnog de schone lei wordt verleend. Zij legt aan dit beroep ten grondslag dat de rechtbank – kort samengevat – een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd door een belangenafweging te maken en daarbij het belang van [de schuldeisers] bij het afwachten van de uitkomst van de tussentijdse beëindigingsprocedure te laten prevaleren boven het belang van [de schuldenaar] bij verkrijging van een schone lei. Volgens [de schuldenaar] bestaat voor de aanhouding van de beslissing tot het verlenen van een schone lei geen wettelijke basis.
3.3
Aan het hof ligt de vraag voor of aan een schuldenaar een schone lei kan worden verleend terwijl er een verzoek tot tussentijdse beëdiging is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist. Het hof neemt daarbij het volgende tot uitgangspunt.
3.4
Op grond van art. 350 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen, onder meer op verzoek van een of meerdere schuldeisers. Indien de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet tussentijds is beëindigd, bepaalt art. 352 lid 1 Fw dat de rechtbank uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn van de schuldsaneringsregeling een zitting bepaalt waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld. Hierna doet de rechtbank bij vonnis uitspraak of de schuldenaar – samengevat – toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Zodra de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan maakt de bewindvoerder een slotuitdelingslijst op, behoudens indien de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van art. 354a Fw (art. 356 lid 1 Fw). Met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst komt de schuldsaneringsregeling van rechtswege tot een einde (art. 356 lid 2 Fw). Door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356 lid 2 Fw is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt niet langer afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd. Dit wordt “de schone lei” genoemd (art. 358 lid 1 Fw). De schone lei wordt niet verkregen als de rechter in het vonnis bedoeld in art. 354 Fw heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten en daarbij niet op de voet van het tweede lid daarvan heeft bepaald dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (art. 358 lid 2 Fw).
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2023 op grond van het hiervoor weergegeven stelsel van de wet bepaald dat als een verzoek tot tussentijdse beëindiging is ingediend, de rechtbank geen uitspraak kan doen op de voet van art. 354 Fw zolang er niet onherroepelijk op dat verzoek tot tussentijdse beëindiging is beslist.
3.5
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de beslissing tot het verlenen van de schone lei en daarmee dus een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw heeft aangehouden teneinde [de schuldeisers] in staat te stellen de uitkomst van de tussentijdse beëindigingsprocedure af te wachten. De eerste twee grieven van [de schuldenaar] slagen daarmee niet. Ook de derde grief van [de schuldenaar] , die hierop voortbouwt, kan niet tot een ander oordeel leiden.
3.6
In het incidenteel hoger beroep hebben [de schuldeisers] een voorwaardelijke grief gericht tegen de afwijzende beslissing op het verlengingsverzoek voor zover het hof zou oordelen dat de rechtbank de schone-lei beslissing niet kon aanhouden. Gelet op hetgeen overwogen onder 3.5 komt het hof niet toe aan de beoordeling van deze grief.
3.7
[de schuldeisers] hebben daarnaast een onvoorwaardelijke grief geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat [de schuldenaar] niet tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. [de schuldeisers] hebben op de mondelinge behandeling erkend dat als het verzoek om tussentijdse beëindiging wordt afgewezen, er ook geen reden is om [de schuldenaar] de schone lei te onthouden omdat aan beide stellingen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Deze stelling ligt daarmee voor aan de feitenrechter in de beëindigingsprocedure waarop het hof – gelet op wat hiervoor is overwogen – in een art. 354 Fw-uitspraak niet vooruit kan lopen.
3.8
[de schuldeisers] hebben tot slot nog gevraagd om een proceskostenveroordeling van [de schuldenaar] in beide instanties. Het hof ziet gelet op de aard en de uitkomst van deze procedure geen aanleiding om [de schuldenaar] te veroordelen in de kosten.
4De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 23 februari 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. B.J. Engberts en M.A.L.M. Willems en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:455 ro. 3.6 en 3.7.
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.365.989/01
(zaaknummer rechtbank [nummer] )
arrest van 28 mei 2026
inzake
[verzoekster]
die woont in [woonplaats]
schuldenaar
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna te noemen: [de schuldenaar]
advocaat: mr. R.G. Holtz, die kantoor houdt in Groningen
en
1 [de schuldeiser] B.V.
2. Heusden Veste B.V.
die beiden zijn gevestigd in [vestiginsplaats]
schuldeisers
die ook hoger beroep hebben ingesteld
hierna te noemen: [de schuldeisers]
advocaat: mr. F.J.P.F. Vos
1Het verloop van de procedure in eerdere instanties
1.1
In een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2024 is op [de schuldenaar] de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP) van toepassing verklaard.
1.2
Op 7 juni 2024 heeft [de schuldeiser] verzocht om tussentijdse beëindiging van de WSNP. Dit verzoek is bij vonnis van eerdergenoemde rechtbank op 25 oktober 2024 afgewezen. [de schuldeiser] heeft hoger beroep ingesteld.
1.3
In een arrest van 12 december 2024 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank genoemd onder 1.2 bekrachtigd. [de schuldeiser] heeft cassatie ingesteld.
1.4
De Hoge Raad heeft op 16 mei 2025 het arrest van dit hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere afhandeling en beslissing.
1.5
Op 21 augustus 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [de schuldeiser] heeft hiertegen opnieuw cassatie ingesteld.
1.6
De conclusie van de advocaat-generaal R.H. de Bock van 21 november 2025 strekt tot vernietiging van het arrest van 21 augustus 2025 en tot verwijzing.
1.7
De bewindvoerder heeft op 20 juni 2025 verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de WSNP en heeft geadviseerd om de WSNP te beëindigen met verlening van de zogenoemde ‘schone lei’.
1.8
Op 22 september 2025 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden. [naam1] (echtgenoot van [de schuldenaar] ) in de schuldsaneringsregeling van [de schuldenaar] ingediende en door [de schuldeisers] betwiste vorderingen is een renvooiprocedure aanhangig.
1.9
In een brief van 18 december 2025 hebben [de schuldeisers] bezwaar gemaakt tegen het verlenen van de schone lei aan [de schuldenaar] en hebben zij verzocht de looptijd van de WSNP te verlengen.
1.10
De rechtbank heeft in een vonnis van 23 februari 2026 de beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling met zes maanden aangehouden. Het door [de schuldeiser] ingediende verzoek om verlenging van de WSNP is afgewezen.
2Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.1
In een beroepschrift, ontvangen door de griffie van het hof op 2 maart 2026, heeft [de schuldenaar] verzocht dit vonnis te vernietigen voor zover de rechtbank daarin de beslissing om aan haar de schone lei te verlenen voor de duur van zes maanden heeft aangehouden en alsnog te bepalen dat aan [de schuldenaar] een schone lei wordt verleend.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 23 april 2026 en 30 april 2026 van mr. Holtz. Van de bewindvoerder is een brief met bijlagen van 1 mei 2026 ontvangen.
2.3
Op 1 mei 2026 is namens [de schuldeisers] een verweerschrift ingediend. Daarin heeft [de schuldeiser] ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
2.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026, waarbij [de schuldenaar] is verschenen, bijgestaan door mr. Holtz. Ook de bewindvoerder is verschenen. Namens [de schuldeiser] is de heer [naam2] verschenen, bijgestaan door mr. Vos en mr. J. den Hoed.
3De beoordeling
3.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat [de schuldenaar] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen, maar heeft de beslissing om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen met toekenning van de schone lei met zes maanden aangehouden teneinde [de schuldeiser] in de gelegenheid te stellen de uitkomst van de cassatieprocedure inzake het verzoek om tussentijdse beëindiging van de WSNP af te wachten.
3.2
[de schuldenaar] is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Het doel van dit principaal appel is dat aan [de schuldenaar] alsnog de schone lei wordt verleend. Zij legt aan dit beroep ten grondslag dat de rechtbank – kort samengevat – een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd door een belangenafweging te maken en daarbij het belang van [de schuldeisers] bij het afwachten van de uitkomst van de tussentijdse beëindigingsprocedure te laten prevaleren boven het belang van [de schuldenaar] bij verkrijging van een schone lei. Volgens [de schuldenaar] bestaat voor de aanhouding van de beslissing tot het verlenen van een schone lei geen wettelijke basis.
3.3
Aan het hof ligt de vraag voor of aan een schuldenaar een schone lei kan worden verleend terwijl er een verzoek tot tussentijdse beëdiging is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist. Het hof neemt daarbij het volgende tot uitgangspunt.
3.4
Op grond van art. 350 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen, onder meer op verzoek van een of meerdere schuldeisers. Indien de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet tussentijds is beëindigd, bepaalt art. 352 lid 1 Fw dat de rechtbank uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn van de schuldsaneringsregeling een zitting bepaalt waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld. Hierna doet de rechtbank bij vonnis uitspraak of de schuldenaar – samengevat – toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Zodra de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan maakt de bewindvoerder een slotuitdelingslijst op, behoudens indien de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op grond van art. 354a Fw (art. 356 lid 1 Fw). Met het verbindend worden van de slotuitdelingslijst komt de schuldsaneringsregeling van rechtswege tot een einde (art. 356 lid 2 Fw). Door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356 lid 2 Fw is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt niet langer afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd. Dit wordt “de schone lei” genoemd (art. 358 lid 1 Fw). De schone lei wordt niet verkregen als de rechter in het vonnis bedoeld in art. 354 Fw heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten en daarbij niet op de voet van het tweede lid daarvan heeft bepaald dat de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (art. 358 lid 2 Fw).
De Hoge Raad heeft in een arrest van 24 maart 2023 op grond van het hiervoor weergegeven stelsel van de wet bepaald dat als een verzoek tot tussentijdse beëindiging is ingediend, de rechtbank geen uitspraak kan doen op de voet van art. 354 Fw zolang er niet onherroepelijk op dat verzoek tot tussentijdse beëindiging is beslist.
3.5
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de beslissing tot het verlenen van de schone lei en daarmee dus een uitspraak als bedoeld in art. 354 Fw heeft aangehouden teneinde [de schuldeisers] in staat te stellen de uitkomst van de tussentijdse beëindigingsprocedure af te wachten. De eerste twee grieven van [de schuldenaar] slagen daarmee niet. Ook de derde grief van [de schuldenaar] , die hierop voortbouwt, kan niet tot een ander oordeel leiden.
3.6
In het incidenteel hoger beroep hebben [de schuldeisers] een voorwaardelijke grief gericht tegen de afwijzende beslissing op het verlengingsverzoek voor zover het hof zou oordelen dat de rechtbank de schone-lei beslissing niet kon aanhouden. Gelet op hetgeen overwogen onder 3.5 komt het hof niet toe aan de beoordeling van deze grief.
3.7
[de schuldeisers] hebben daarnaast een onvoorwaardelijke grief geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat [de schuldenaar] niet tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. [de schuldeisers] hebben op de mondelinge behandeling erkend dat als het verzoek om tussentijdse beëindiging wordt afgewezen, er ook geen reden is om [de schuldenaar] de schone lei te onthouden omdat aan beide stellingen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Deze stelling ligt daarmee voor aan de feitenrechter in de beëindigingsprocedure waarop het hof – gelet op wat hiervoor is overwogen – in een art. 354 Fw-uitspraak niet vooruit kan lopen.
3.8
[de schuldeisers] hebben tot slot nog gevraagd om een proceskostenveroordeling van [de schuldenaar] in beide instanties. Het hof ziet gelet op de aard en de uitkomst van deze procedure geen aanleiding om [de schuldenaar] te veroordelen in de kosten.
4De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 23 februari 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. B.J. Engberts en M.A.L.M. Willems en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2026.
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:455 ro. 3.6 en 3.7.