Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2026:3334
2026-05-26
Civiel recht
200.366.381
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incidentele vorderingen. Afwijzing schorsing uitvoerbaarheid (artikel 351 Rv). Er is een (summier) gemotiveerde beslissing genomen over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring en geen sprake van een kennelijke misslag of nieuwe feiten of omstandigheden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.907 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.381
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 343131
arrest in het incident van 26 mei 2026
in de zaak van:
[appellante]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. I. Mercanoglu
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op
10 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met het verzoek in het incident tot schorsing, met producties;
de memorie van antwoord in het incident tot schorsing met producties.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.
2Het geschil
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 15 november 2024 geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 juli 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo in de daartoe bestemde registers.
2.2.
In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal wordt verkocht en dat een taxateur de waarde van het appartement in [huis in buitenland] , bindend vast zal stellen. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Tegen de echtscheidingsbeschikking is indertijd hoger beroep ingesteld waarbij [appellante] tevens verzocht heeft om de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen tot het hof de hoofdzaak heeft behandeld. Bij beschikking van 19 november 2024 heeft het hof de incidentele vordering tot schorsing van de werking van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank afgewezen.
2.4.
De verkoop van de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal en de taxatie van het appartement in [huis in buitenland] , heeft nog niet plaatsgevonden. Hierover heeft [appellante] een kort geding aanhangig gemaakt. [geïntimeerde] heeft een vordering in reconventie ingesteld.
2.5.
Bij kort gedingvonnis van 10 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot medewerking aan de taxatie van het appartement in [huis in buitenland] , en hieraan een dwangsom verbonden. [appellante] is veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal. Ook hieraan is een dwangsom verbonden. De voorzieningenrechter heeft de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter. Zij verzoekt bij wege van incident eveneens schorsing van de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis van 10 februari 2026. [geïntimeerde] voert verweer en vraagt het hof [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele vordering dan wel deze vordering af te wijzen.
3Het oordeel van het hof
Juridisch kader
3.1.
Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) geldt het volgende.
3.2.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de voorzieningenrechter is gemotiveerd, moet de eiser in het incident tot schorsing feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de voorzieningenrechter wordt afgeweken. De eiser in het incident tot schorsing hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.3.
Het hof gaat bij toepassing van deze maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Gemotiveerde beslissing
3.4.
De vordering van [appellante] in het incident heeft naar inhoud en strekking alleen betrekking op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling in reconventie.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.30. met betrekking tot de vordering in reconventie overwogen:
“ [geïntimeerde] heeft in reconventie geen uitvoerbaar bij voorraad-verklaring gevorderd. De voorzieningenrechter doet dit ambtshalve alsnog (artikel 258 Rv), gelet op de aard van de voorziening en de aard van een procedure in kort geding.”
3.6.
Gelet op deze overweging heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de veroordeling in reconventie, naar het oordeel van het hof, een (summier) gemotiveerde beslissing genomen over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Nu de voorzieningenrechter aldus over de uitvoerbaarheid bij voorraad gemotiveerd heeft beslist, moet er sprake zijn van een kennelijke misslag dan wel van nieuwe feiten of omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat van het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter kan worden afgeweken, voordat het hof kan toekomen aan een (hernieuwde) afweging van de bij de uitvoerbaarheid van het kort gedingvonnis betrokken belangen.
3.7.
[appellante] heeft niet gesteld dat het kort gedingvonnis berust op een kennelijke misslag. Ook heeft zij niet gesteld dat zich na het kort gedingvonnis nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die kunnen rechtvaardigen dat van dat vonnis wordt afgeweken. [appellante] heeft slechts aangevoerd dat het belang van [appellante] bij het behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de onmiddellijke uitvoering van het kort gedingvonnis. Dit betreft echter een belangenafweging waarvoor – zoals hiervoor besproken – in dit incident geen plaats is.
De conclusie
3.8.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Het hof bepaalt dat elke partij de eigen kosten moet dragen in het incident (compensatie van proceskosten) vanwege de familierechtelijke aard van de zaak.
3.9.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.381
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo 343131
arrest in het incident van 26 mei 2026
in de zaak van:
[appellante]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. I. Mercanoglu
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, (hierna: de voorzieningenrechter) op
10 februari 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met het verzoek in het incident tot schorsing, met producties;
de memorie van antwoord in het incident tot schorsing met producties.
1.2.
Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald.
2Het geschil
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 15 november 2024 geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 juli 2024 van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo in de daartoe bestemde registers.
2.2.
In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal wordt verkocht en dat een taxateur de waarde van het appartement in [huis in buitenland] , bindend vast zal stellen. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.3.
Tegen de echtscheidingsbeschikking is indertijd hoger beroep ingesteld waarbij [appellante] tevens verzocht heeft om de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking te schorsen tot het hof de hoofdzaak heeft behandeld. Bij beschikking van 19 november 2024 heeft het hof de incidentele vordering tot schorsing van de werking van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank afgewezen.
2.4.
De verkoop van de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal en de taxatie van het appartement in [huis in buitenland] , heeft nog niet plaatsgevonden. Hierover heeft [appellante] een kort geding aanhangig gemaakt. [geïntimeerde] heeft een vordering in reconventie ingesteld.
2.5.
Bij kort gedingvonnis van 10 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot medewerking aan de taxatie van het appartement in [huis in buitenland] , en hieraan een dwangsom verbonden. [appellante] is veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de voormalig echtelijke woning in Oldenzaal. Ook hieraan is een dwangsom verbonden. De voorzieningenrechter heeft de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.6.
[appellante] is in hoger beroep gekomen van het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter. Zij verzoekt bij wege van incident eveneens schorsing van de tenuitvoerlegging van het kort gedingvonnis van 10 februari 2026. [geïntimeerde] voert verweer en vraagt het hof [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele vordering dan wel deze vordering af te wijzen.
3Het oordeel van het hof
Juridisch kader
3.1.
Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) geldt het volgende.
3.2.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de voorzieningenrechter is gemotiveerd, moet de eiser in het incident tot schorsing feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de voorzieningenrechter wordt afgeweken. De eiser in het incident tot schorsing hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
3.3.
Het hof gaat bij toepassing van deze maatstaf uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de voorzieningenrechter op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Gemotiveerde beslissing
3.4.
De vordering van [appellante] in het incident heeft naar inhoud en strekking alleen betrekking op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling in reconventie.
3.5.
De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 4.30. met betrekking tot de vordering in reconventie overwogen:
“ [geïntimeerde] heeft in reconventie geen uitvoerbaar bij voorraad-verklaring gevorderd. De voorzieningenrechter doet dit ambtshalve alsnog (artikel 258 Rv), gelet op de aard van de voorziening en de aard van een procedure in kort geding.”
3.6.
Gelet op deze overweging heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de veroordeling in reconventie, naar het oordeel van het hof, een (summier) gemotiveerde beslissing genomen over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Nu de voorzieningenrechter aldus over de uitvoerbaarheid bij voorraad gemotiveerd heeft beslist, moet er sprake zijn van een kennelijke misslag dan wel van nieuwe feiten of omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat van het kort gedingvonnis van de voorzieningenrechter kan worden afgeweken, voordat het hof kan toekomen aan een (hernieuwde) afweging van de bij de uitvoerbaarheid van het kort gedingvonnis betrokken belangen.
3.7.
[appellante] heeft niet gesteld dat het kort gedingvonnis berust op een kennelijke misslag. Ook heeft zij niet gesteld dat zich na het kort gedingvonnis nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die kunnen rechtvaardigen dat van dat vonnis wordt afgeweken. [appellante] heeft slechts aangevoerd dat het belang van [appellante] bij het behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de onmiddellijke uitvoering van het kort gedingvonnis. Dit betreft echter een belangenafweging waarvoor – zoals hiervoor besproken – in dit incident geen plaats is.
De conclusie
3.8.
Het hof wijst de incidentele vordering af. Het hof bepaalt dat elke partij de eigen kosten moet dragen in het incident (compensatie van proceskosten) vanwege de familierechtelijke aard van de zaak.
3.9.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
4De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, G.R. den Dekker en G.J. Meijer, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.