Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

ECLI:NL:GHARL:2026:3120

2026-05-19 Civiel recht; Insolventierecht 200.367.243
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Uitspraakdatum
2026-05-19
Publicatiedatum
2026-05-19
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.367.243
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | INS-Updates.nl 2026-0129

Inhoudsindicatie

Afwijzing op een verzoek tot vernietiging faillissementsverklaring.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.305 tekens)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN




locatie Arnhem, afdeling civiel




zaaknummer gerechtshof: 200.367.243
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 464355




arrest van 19 mei 2026




in de zaak van:




Berke B.V. (Berke)

die is gevestigd in Nijmegen
advocaat: mr. D. Coskun



tegen




Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering (Stichting PHC)

die is gevestigd in Zoetermeer
advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen






1De procedure bij de rechtbank


Bij vonnis van 31 maart 2026 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, Berke in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [de curator] tot curator.





2Het verloop van de procedure in hoger beroep


2.1.
Berke heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen dat vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


het tijdig ingediend beroepschrift met bijlagen;


de brief van 5 mei 2025 van de curator met bijlagen.





2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Hierbij is namens Berke de heer [persoon1] verschenen, bijgestaan door mr. Coskun. Verder is de curator verschenen.





3Het oordeel van het hof



De feiten en het oordeel van de rechtbank




3.1.
Berke was actief in de detailhandel van brood en banket. Stichting PHC heeft vastgesteld dat de activiteiten van Berke vielen binnen de werkingssfeer van de bedrijfstakpensioenregeling, waardoor Berke premieplichtig was. Over de heffingsjaren 2021 en 2022 heeft Berke verzuimd haar premieverplichtingen na te komen.



3.2.
Op verzoek van Stichting PHC heeft de rechtbank Berke in staat van faillissement verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de inhoud van het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van Stichting PHC en dat Berke in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.



Het juridisch kader





3.3.
Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.



Het vorderingsrecht





3.4.
Het hof stelt vast dat Berke het vorderingsrecht van Stichting PHC in haar beroepschrift heeft erkend, zodat hiervan ook in hoger beroep moet worden uitgegaan.



3.5.
In haar beroepschrift heeft Berke verklaard dat Stichting PHC geen belang heeft bij het faillissementsverzoek, aangezien een faillissement redelijkerwijs niet tot een uitkering aan Stichting PHC zal leiden. Dit standpunt miskent dat het faillissement in verschillende opzichten ook een maatschappelijk belang dient. Het faillissement heeft namelijk ook tot doel de concursus van schuldeisers in goede banen te leiden, te voorkomen dat de schuldenaar meer (onverhaalbare) schulden opbouwt en de curator de mogelijkheid te geven om, ten behoeve van de schuldeisers, onderzoek te doen naar de aanwezigheid van aan de schuldenaar toebehorend vermogen.



Pluraliteit aan schuldeisers





3.6.
Uit het door de curator overgelegde schuldenoverzicht blijkt dat Berke een totale schuldenlast heeft van meer dan € 220.000,-, bij diverse schuldeisers. Berke weerspreekt niet dat zij naast Stichting PHC ook andere schuldeisers heeft. Ter zitting heeft Berke verzocht om aanhouding van de zaak voor een termijn van vier weken om betalingen te kunnen verrichten en haar belastingschuld beter in beeld te kunnen krijgen. Volgens Berke ziet de belastingschuld op ambtshalve aanslagen en als zij alsnog aangifte doet en bezwaar maakt zal volgens haar blijken dat deze belastingschuld geheel komt te vervallen.



3.7.

Het hof stelt vast dat Berke naast Stichting PHC ook andere schuldeisers heeft en dat de vorderingen van die schuldeisers als steunvordering kunnen dienen. Aan de stelling dat de (ambtshalve opgelegde) belastingaanslagen komen te vervallen gaat het hof voorbij, omdat hiervoor elk bewijs ontbreekt en Berke ter zitting heeft erkend dat er geen administratie voorhanden is. Niet is aannemelijk dat de opgelegde boetes na een bezwaar zouden komen te vervallen. Bovendien kan ook een onbetaalde belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend als steunvordering dienen. Tot slot laat het voorgaande onverlet dat, zelfs als wel alle belastingschulden zouden komen te vervallen, er nog steeds sprake is van pluraliteit van schuldeisers gelet op de overige schuldeisers van Berke.

De toestand van te hebben opgehouden te betalen





3.8.
Ook de vraag of Berke in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen beantwoordt het hof bevestigend. Berke heeft meerdere schulden onbetaald gelaten. Naar het oordeel van het hof is het onvoldoende aannemelijk dat Berke op dit moment, of op korte termijn, over de middelen beschikt om haar schuldeisers te voldoen. In het beroepschrift en ter zitting is verklaard dat Berke sinds 2023 geen activiteiten meer ontplooit. Er is geen enkel aanknopingspunt in het dossier dat erop wijst dat Berke (op korte termijn) over financiële middelen beschikt om haar schuldeisers af te lossen. Het hof ziet om die reden geen aanleiding om de zaak aan te houden.



De conclusie





3.9.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat het vonnis zal worden bekrachtigd.






4De beslissing


Het hof:



bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 31 maart 2026.




Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, G.P. Oosterhoff en H. Wammes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2026.








HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743; HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1995; HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681.


Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4321.


Vgl. HR 7 juni 1974, ECLI:NL:PHR:1974:AB4048.